Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1993:AK5651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-1993
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AW 1992/1347
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1994/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AW 1992/1347

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 26 april 1991 heeft gedaagde geweigerd eisers verzoek om vergoeding van immateriële schade als gevolg van een hem overkomen bedrijfsongeval te honoreren.

Het voormalig Ambtenarengerecht te Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 juni 1992, nr. AW 91/824, het tegen voormeld besluit ingesteld beroep ongegrond verklaard.

Namens eiser is mr. F.J. Majoor, advocaat te Amsterdam, op de bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift (met bijlagen) uiteengezette gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde is van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 18 november 1993, waar eiser in persoon is verschenen met bijstand van mr. Majoor, voornoemd, als zijn raadsman, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Woesthoff, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

Eiser is sinds 1985 werkzaam als monteur in de Metrolijn-werkplaats van het Amsterdamse Gemeentevervoerbedrijf. Op 25 juni 1987 is hem een bedrijfsongeval overkomen. Het ongeval geschiedde bij het met behulp van een plamuurmes afsteken van vet van het loopvlak van het op een draaibank lopende rechter wiel van een metrotreinstel. Eisers rechter hand is bekneld geraakt. Na het ongeval heeft eiser geruime tijd in het ziekenhuis gelegen, hij heeft operaties aan zijn hand ondergaan en hij heeft een blijvende ernstige verminking van die hand overgehouden. Zo mist hij daarvan de ringvinger en de laatste kootjes van de middelvinger en de wijsvinger. Eiser, die weer werkzaam is in zijn oude functie, heeft het verzoek gedaan de door dit ongeval veroorzaakte immateriële schade, door hem gesteld op een bedrag van f 50.000,-, te vergoeden. Hij stelt de gemeente Amsterdam aansprakelijk voor deze schade omdat die is ontstaan als gevolg van een ongeval tijdens werk dat onvoldoende was beveiligd.

Bij het thans bestreden besluit is dat verzoek afgewezen, omdat geen duidelijke oorzaak voor het ongeval is vastgesteld en omdat het ongeval naar de opvatting van gedaagde in ieder geval niet te wijten is aan een onvoldoende beveiligde werksituatie. Gedaagde heeft zich daarbij beroepen op een rapport van de Arbeidsinspectie.

De Raad staat nu voor de vraag of dat besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Aan de orde is de vraag of eiser aanspraak kan maken op vergoeding van door hem bij een bedrijfsongeval geleden immateriële schade.

Zoals uit 's Raads jurisprudentie blijkt is het algemene uitgangspunt dat een administratief orgaan in beginsel gehouden is de aan een ambtenaar toegebrachte schade te vergoeden; dat dit niet inhoudt dat elke schade welke door toedoen van een administratief orgaan aan een ambtenaar is toegebracht voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking moet komen; dat voor het ontstaan van een op het administratief orgaan rustende vergoedingsplicht jegens de ambtenaar is vereist dat sprake is van een aan dat orgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar materiële of immateriële schade heeft geleden en dat dat optreden en die schade van een zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking dient te komen; dat niet elk leed voor vergoeding in aanmerking komt; dat deelname aan het maatschappelijk verkeer een zekere mate van ongerief of zelfs leed meebrengt, waar tegenover niet steeds een compensatieplicht van de zijde van het orgaan kan worden gesteld.

De Raad is van oordeel dat dit algemene uitgangspunt voor bepaalde gevallen nuancering behoeft. Daartoe zij overwogen - en zulks mede in het licht van hetgeen bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald omtrent de primair aan de werkgever opgedragen verplichting te zorgen voor de veiligheid in verband met de arbeid -, dat voor gevallen waarbij (letsel)schade ontstaat als gevolg van een ongeval tijdens werkzaamheden van bedrijfsmatige aard waarbij gebruik wordt gemaakt van gereedschap en machines, een zekere vorm van risicoaanvaarding door het administratief orgaan aangenomen moet worden. Dit betekent dat op het administratief orgaan (ook) een vergoedingsplicht komt te rusten voor schade die het gevolg is van een bedrijfsongeval dat zich voordoet in een werksituatie die aanvankelijk geen gevaren voor de veiligheid van de ambtenaar leek op te leveren en waarin mogelijke gevaren bij het gebruik van werktuigen, machines en overige hulpmiddelen in vergaande mate waren beperkt, maar waarbij het - achteraf bezien - toch mogelijk was geweest doelmatiger veiligheidsvoorzieningen te treffen.

In het onderhavige geval kon, blijkens rapport van de Arbeidsinspectie, geen oorzaak van het ongeval vastgesteld worden. Niet is gebleken dat eiser niet conform de voorschriften of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld bij het uitvoeren van de werkzaamheden. De Arbeidsinspectie heeft geen aanwijzingen, eisen of bevelen gegeven ten aanzien van de arbeidssituatie. Wel is door deze dienst geconstateerd dat, anders dan bij het werken aan het rechter wiel waarbij zich het onderhavige ongeval heeft voorgedaan, bij het werken aan het linker wiel gebruik gemaakt werd van een op de draaibank aangebrachte steun die als leunspaan kan fungeren. Het rapport eindigt dan ook met de volgende passage: "Om herhaling te voorkomen is geadviseerd ook rechts een leunspaanconstructie te maken en in afwachting daarvan alleen bij stilstand de wielen schoon te maken". In de gedingstukken is geen reden te vinden en ook gedaagdes gemachtigde heeft desgevraagd niet kunnen aangeven, waarom niet vóór het tijdstip van het ongeval ook voor het werken aan het rechter wiel een leunspaanconstructie was aangebracht.

De Raad komt gelet op deze omstandigheden en in het licht van hetgeen hij boven heeft overwogen tot de slotsom, dat op gedaagde de plicht rust de door eiser als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval geleden (immateriële) schade te vergoeden. De aan eiser toe te kennen schadevergoeding kan de Raad, gelet op artikel 47, lid 2, van de Ambtenarenwet 1929, zelf bij zijn uitspraak vaststellen.

Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding van schade als hier aan de orde ontbreken werkelijk objectieve maatstaven. De Raad heeft zich daarom laten leiden door vergelijking met en aansluiting bij beslissingen in analoge gevallen, zoals weergegeven en gerubriceerd in de periodiek verschijnende editie Smartegeld van het tijdschrift Verkeersrecht. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend bepaalt de Raad eisers geldelijke aanspraak op f. 15.000,-.

Met betrekking tot de door eiser gevorderde kosten van juridische bijstand verwijst de Raad, tot slot, naar zijn inmiddels vaste rechtspraak (TAR 1993, 74 en daar vermelde jurisprudentie), waarbij hij ten overvloede overweegt dat het hier - in termen van die jurisprudentie - om een gemiddeld bewerkelijke/gecompliceerde zaak gaat.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor nietigverklaring in aanmerking komt en dat de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand was gelaten, dient te worden vernietigd, terwijl gedaagde dient te worden veroordeeld aan eiser een schadevergoeding te betalen als hierboven is vermeld.

De Raad beslist derhalve als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het bestreden besluit alsnog nietig;

Bepaalt dat gedaagde aan eiser een schadevergoeding betaalt van f. 15.000,-- .

Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter en

mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 1993 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

(get.) J. Boesjes.

(get.) P.H. Schippers.