Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1992:AK9762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-1992
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
WW 1991/410
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie. Buitenwettelijk karakter beslissing BV. Bepaling vakantiedagen aan hand van CAO. Geen overheveling mogelijk van in voorafgaand jaar niet benutte vakantiedagen. Geen beleidsvrijheid BV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1993/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak in het geding tussen het bestuur van de BV voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, eiser, en [L.T.L., te A.], gedaagde

I.Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 17 mei 1990 is vanwege eiser aan gedaagde kennis gegeven van een beslissing met betrekking tot de uitvoering van de Werkloosheidswet (WW). Een fotocopie van die brief is aan deze uitspraak gehecht. De inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn weergegeven. (Niet opgenomen.)

De voormalige Raad van Beroep te Amsterdam heeft bij uitspraak van 13 juni 1991, met gegrondverklaring van het tegen die beslissing ingestelde beroep, die beslissing vernietigd en bepaald dat thans eiser een nieuwe beslissing zal nemen met inachtneming van het in die uitspraak overwogene.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij aanvullend beroepschrift, gecorrigeerd bij brief van 10 juni 1992 en voorzien van bijlagen, heeft hij de gronden aangevoerd waarop het hoger beroep berust.

Namens gedaagde heeft mr. A.M. V., advocaat te A., van contra-memorie gediend.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 2 september 1992, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.M. P., werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. G. K., kantoorgenote van mr. V., voornoemd.

II.Motivering

De Raad gaat uit van de volgende feiten, daarbij deels hetgeen in de bestreden beslissing is vermeld corrigerend.

Gedaagde, laatstelijk werkzaam bij de C.bank, is met ingang van 1 maart 1988 uit die betrekking werkloos geworden en ontving sedert die datum uitkering ingevolge de WW.

Van 18 juli 1988 tot en met 5 augustus 1988 genoot zij — 15 dagen — vakantie met behoud van haar recht op uitkering.

In 1989 genoot zij van 3 tot en met 25 augustus — 17 dagen — vakantie met behoud van haar recht op uitkering. Bij het inleveren van haar werkbriefje op 19 oktober 1989 deelde zij mede dat zij van 2 tot en met 18 oktober 1989 — 13 dagen — in Suriname was geweest in verband met het overlijden van haar voormalige echtgenoot, vader van haar kinderen.

Bij de bestreden beslissing heeft eiser, op de daar nader uitgewerkte gronden, besloten om van genoemde 13 dagen 7 dagen te beschouwen als vallende onder de vakantieregeling, zodat gedaagde gedurende die dagen haar recht op uitkering behield en over de resterende 6 dagen geen uitkering te verlenen in verband met het bepaalde in art. 19, eerste lid aanhef en onder f, van de WW (verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie).

De Raad ziet zich thans gesteld voor de vraag of eiser, aldus besluitende, gedaagde tekort heeft gedaan.

Dienaangaande overweegt de Raad allereerst dat, zoals ter terechtzitting door eisers gemachtigde is onderkend, het verblijf van gedaagde in Suriname niet kan worden aangemerkt als een verblijf wegens het genieten van vakantie, zoals dit begrip bij besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 december 1986, nr. 86/8027, Stcrt. 1986, 248 op grond van art. 19, zesde lid, van de WW, nader te noemen Vakantiebesluit, nader is geregeld.

Dat brengt mee dat in het geval van gedaagde in de periode van 2 tot en met 18 oktober 1989 de uitsluitingsgrond, bedoeld in art. 19, eerste lid aanhef en onder f, van de WW van toepassing was.

Dat wettelijk voorschrift luidt als volgt:

‘Geen recht op uitkering heeft de werknemer die ... buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;’.

Derhalve moet worden geconcludeerd dat gedaagde op grond van art. 20, eerste lid aanhef en onder b, en art. 21, eerste lid, van de WW, in die periode aan die wet geen recht op uitkering kon ontlenen. De Raad verwijst te dezen nog naar zijn uitspraak van 22 januari 1991, RSV 1991/164.

Eiser heeft niettemin over die periode gedurende 7 dagen aan gedaagde uitkering toegekend, onder overweging die dagen te beschouwen als vallende onder de vakantieregeling.

Gelet op het eerderoverwogene moet worden vastgesteld dat, zoals eveneens door eisers gemachtigde ter terechtzitting van de Raad is onderkend, te dezen sprake is van een buitenwettelijke toekenning, nu eiser, naar moet worden vastgesteld, ten onrechte, kennelijk heeft beoogd toepassing te geven aan de zogeheten vakantieregeling.

In aanmerking nemende dat eiser deze toekenning niet heeft gedaan in het kader van een door hem met betrekking tot gevallen als dat van gedaagde gevoerd buitenwettelijk beleid, spitst het geschil zich toe op de vraag of eiser gehouden was, uitgaande van het oogmerk toepassing te geven aan de zogeheten vakantieregeling.

In aanmerking nemende dat eiser deze toekenning niet heeft gedaan in het kader van een door hem met betrekking tot gevallen als dat van gedaagde gevoerd buitenwettelijk beleid, spitst het geschil zich toe op de vraag of eiser gehouden was, uitgaande van het oogmerk toepassing te geven aan de vakantieregeling, gedaagdes recht op uitkering over meer dan 7 dagen te doen voortbestaan.

Die vraag moet ontkennend worden beantwoord reeds omdat, indien de vakantieregeling wel van toepassing zou zijn geweest, dat niet tot een voor gedaagde gunstiger resultaat zal hebben geleid.

De Raad verwerpt namelijk de namens gedaagde naar voren gebrachte grief dat eiser, in het kader van de toepassing van de vakantieregeling, is uitgegaan van een te gering aantal dagen gedurende welke gedaagde met behoud van recht op uitkering vakantie kan genieten.

Eiser heeft het aantal vakantiedagen voor gedaagde, met toepassing van de artt. 2 en 3 van het Vakantiebesluit, gesteld op 24 voor het jaar 1989.

Art. 2 luidt:

‘Een werknemer kan gedurende een bepaald aantal dagen met behoud van recht op uitkering vakantie genieten.’.

Art. 3 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Het aantal vakantiedagen, bedoeld in art. 2, wordt bepaald op het aantal dagen dat in de betrokken bedrijfstak ??? groepen van werknemers jaarlijks als een normale aaneengeloten vakantieperiode geldt …’.

In paragraaf 1 onder 3 van de voor gedaagde van toepassing zijnde CAO voor het bankbedrijf is bepaald dat de vakantie voor de duur van tenminste 2 weken aaneengesloten moet worden genoten; en dat, indien de werknemer dat wenst, hem 3 weken aaneengesloten vakantie worden toegestaan.

Naar 's Raads oordeel kan niet worden gezegd dat eiser, die bij de bepaling van het aantal vakantiedagen als bedoeld in evenweergegeven art. 3 op goede gronden kon uitgaan van de voor gedaagde geldende CAO, door het aantal vakantiedagen voor gedaagde te stellen op 24 een te gering aantal vakantiedagen, als bedoeld in art. 2, in aanmerking heeft genomen.

Dat gedaagde tijdens haar dienstbetrekking recht had op meer vakantiedagen is te dezen dan ook niet van betekenis.

Evenmin is van belang dat gedaagde in 1988 niet alle dagen, waarop zij met behoud van recht op uitkering vakantie kon genieten, had benut, nu naar 's Raads oordeel uit de artt. 2 en 3 van het Vakantiebesluit 1986, in onderling verband en samenhang gelezen en in aanmerking nemend de strekking van het aan dat besluit ten grondslag liggende art. 19, zesde lid onder b, van de WW, moet worden afgeleid dat het gaat om een jaarlijkse vakantie welke het overhevelen van ‘niet benutte vakantiedagen’ niet mogelijk maakt.

Tenslotte kunnen ook de namens gedaagde voorgedragen grieven tegen eisers beslissing, erop neerkomende dat het niet onredelijk zou zijn geweest wanneer eiser het verblijf van gedaagde in Suriname geheel of gedeeltelijk als buitengewoon verlof had aangemerkt en dat eiser geen belangenafweging heeft verricht, niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

Dienaangaande overweegt de Raad dat het Vakantiebesluit 1986 berust op art. 19, zesde lid onder b, van de WW, welk artikel is opgenomen in hoofdstuk II dat betrekking heeft op het recht op uitkering. Dit hoofdstuk geeft objectieve criteria aan voor het ontstaan van recht op een uitkering ingevolge de WW, hetgeen inhoudt dat de bedrijfsvereniging geen beleidsvrijheid toekomt bij de toepassing van het op dit hoofdstuk berustende Vakantiebesluit.

Voorts overweegt de Raad dat, al aangenomen dat eiser bevoegd is tot het buitenwettelijk toekennen van uitkering over een langere periode dan uit het Vakantiebesluit voortvloeit, en al aangenomen dat eisers bestreden beslissing geacht zou kunnen worden mede een weigering van zodanige buitenwettelijke toekenning te omvatten — de Raad kan dat er niet in lezen —, het betoog van gedaagdes gemachtigde dat toch in elk geval dient te worden verworpen omdat in casu niet valt in te zien dat eiser dusdoende enig beginsel van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden.

Al het vorenoverwogene in aanmerking nemende komt de Raad tot de slotsom dat eisers bestreden beslissing bij de aangevallen uitspraak ten onrechte is vernietigd. Die uitspraak kan mitsdien niet in stand blijven.

Beslist wordt als onder III aan te geven.

III.Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.