Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1992:AK5312

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-1992
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
AW 1990/69
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het enkele feit van een alcoholprobleem en daarmee samenhangend disfunctioneren houdt nog geen ongeschiktheid op medische gronden in. Dit is eerst dan aan de orde indien sprake is van een niet door het alcoholgebruik veroorzaakte psychische defecttoestand. Ontslag door eigen toedoen: eiser heeft zich kunnen realiseren dat zijn gedragingen, inclusief het alcoholmisbruik, onafwendbaar tot ontslag zouden leiden; geen ontslaguitkering. Het oordeel van de bedrijfsarts of van de commissie van geneeskundigen levert geen appellabel besluit op; in het verlengde hiervan kan tegen de weigering het oordeel van zo'n commissie uit te lokken evenmin rechtstreeks beroep worden ingesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1992/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak in de gedingen tussen:

[eiser] eiser,

en

het bestuur van het Academisch Ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam (AZUA), gedaagde.

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij besluit van 27 oktober 1988 (besluit A) heeft gedaagde aan eiser met ingang van 1 januari 1989 oneervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid c.q. onbekwaamheid voor het verrichten van zijn functie van chef facturering.

Bij besluit van 6 maart 1989 (besluit B) is aan eiser meegedeeld dat zijn werkloosheid als niet onvrijwillig en verwijtbaar dient te worden aangemerkt, hetgeen ertoe leidt dat eiser geen aanspraak heeft op uitkering ingevolge de van toepassing zijnde Wachtgeldverordening, respectievelijk de Tijdelijke Verordening WWV-vervangende uitkering.

Bij brief van 21 maart 1989 (besluit C) is aan eiser, in antwoord op een daartoe bij brief van 15 maart 1989 gedaan verzoek, meegedeeld dat het bijeenroepen van een commissie van geneeskundigen - gelet op het bepaalde in artikel 1 van het Besluit ter uitvoering van artikel 542 ARA - niet meer aan de orde is.

Het Ambtenarengerecht te Amsterdam heeft bij uitspraak van 14 december 1989 (nrs. AW 1988/756, AW 1989/216 en 234) de door eiser tegen deze drie besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen; bij aanvullend beroepschrift heeft hij de gronden van het hoger beroep nader aangevoerd.

Gedaagde heeft van contra-memorie gediend.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad van 27 februari 1992. Eiser, hoewel ambtshalve opgeroepen, is zonder opgave van redenen niet in persoon verschenen; zijn gemachtigde mr. J. Blom, advocaat te Amsterdam, is wel ter terechtzitting verschenen. Gedaagde, ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Beukenkamp, juridisch medewerkster op de afdeling Personeelszaken, en B.G.J. Althoff, werkzaam op de afdeling Personeel en Organisatie van het AZUA.

II. Motivering

Eiser is sinds 1977 in vaste dienst werkzaam bij het AZUA. Omstreeks 1985 ontstonden problemen ter zake van het functioneren van eiser: hij meldde zich veelvuldig voor kleinere perioden ziek, onttrok zich aan de controles van de bedrijfsarts en was voorts incidenteel ongeoorloofd afwezig; ook het functioneren zelf, en met name het in zijn functie van groepsleider leidinggeven aan zo'n vijf medewerkers, bleek onvoldoende.

Na een reorganisatie is eiser - zij het onder voorwaarden - per 1 november 1987 aangesteld als chef facturering; deze functie was vrijwel gelijk aan de door hem voordien vervulde functie van groepsleider.

Na een korte periode van verbetering trad weer een verslechtering op in eisers functioneren. In februari 1988 kwam in een functioneringsgesprek naar voren dat hij zich in verband met een ernstig alcoholprobleem had gewend tot de Jellinekkliniek. Nadat bleek dat eiser zich al voor het aanvangen van de behandeling had teruggetrokken is door de bedrijfsgeneeskundige en de bedrijfsmaatschappelijke dienst getracht hem weer daartoe te krijgen, dan wel zich elders onder behandeling te stellen. Eiser bleef zich echter onttrekken aan die hem aangeboden begeleiding.

Eiser ging tengevolge van zijn alcoholproblematiek in toenemende mate disfunctioneren; hij was veelvuldig afwezig (zeer veel ziekmeldingen voor korte tijd), voerde bepaalde werkzaamheden niet correct uit en gaf vrijwel geen leiding aan zijn medewerkers. Omdat duidelijk was dat eiser steeds verder afgleed in werk, gedrag en uiterlijk en zich voorts onttrok aan de hem geboden begeleiding heeft gedaagde hem tenslotte de toegang tot het werk ontzegd en hem per 1 januari 1989 ontslagen met toepassing van art. 1122 onder c van het Ambtenarenreglement van de gemeente Amsterdam (ARA).

Van de zijde van eiser is gesteld dat die ontslaggrond niet juist is omdat eiser - gelet op zijn alcoholverslaving - op medische gronden ongeschikt voor zijn functie moet worden geacht.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen leidt het enkele feit van een alcoholprobleem niet tot de conclusie dat sprake is van ongeschiktheid op medische gronden. Dit is in een geval als het onderhavige eerst dan aan de orde indien sprake is van een niet door het alcoholgebruik veroorzaakte psychische defecttoestand.

Uit de verslagen van de vele functioneringsgesprekken, die in 1987/1988 met eiser zijn gehouden blijkt dat hij aanvankelijk op de tijdstippen dat hij op zijn werk aanwezig was redelijk functioneerde en dat hij zich bewust was van de op- en aanmerkingen van met name zijn chef. Voorts is van de zijde van de bedrijfsgeneeskundige dienst meermalen verklaard dat eisers alcoholverslaving niet voortkwam uit ziekte of gebrek en dat zijn in toenemende mate disfunctioneren hem is aan te rekenen. Uit die verklaringen is voorts gebleken dat eiser zich welbewust aan de door de bedrijfsgeneeskundige en de bedrijfsmaatschappelijkwerker geboden begeleiding en behandeling heeft onttrokken hetgeen ertoe heeft geleid dat hij steeds verder afgleed en uiteindelijk niet meer in zijn functie kon worden gehandhaafd.

Alles overziende is de Raad dan ook van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat eiser ongeschikt was voor zijn functie en dat er geen aanwijzing is dat deze ongeschiktheid voortkwam uit ziekte of gebreken, zodat het ontslagbesluit (A) niet kan worden aangetast op een der gronden genoemd in art. 58 der Ambtenarenwet 1929.

Met betrekking tot besluit B (weigering ontslaguitkering) is de Raad, onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, van oordeel dat eisers gedragingen hem zijn aan te rekenen. Hij heeft zich kunnen realiseren (en zoals blijkt uit de diverse verslagen van functioneringsgesprekken ook gerealiseerd) dat zijn gedragingen en disfunctioneren, het alcoholmisbruik daaronder begrepen, onafwendbaar tot ontslag zouden leiden.

Nu eisers ontslag aan eigen schuld of toedoen te wijten is, heeft gedaagde hem terecht met toepassing van art. 2, lid 2, onder a, van de Wachtgeldverordening en art. 7, lid 2, onder d en e, van de Tijdelijke Verordening WWV-vervangende uitkering, geen uitkering terzake van zijn ontslag toegekend.

Gedaagde heeft aan eiser na het ontslag bezoldiging doorbetaald tot zijn hersteldverklaring per 6 februari 1989. Eiser heeft toen tegen die - door de bedrijfsarts Verhaag aan hem toegelichte - arbeidsgeschiktverklaring geen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft gedaagde, in verband met de door eiser voorgenomen behandeling in de Beukemakliniek te Groningen, voorgesteld eiser - onverplicht - gedurende een half jaar 80% van de bezoldiging door te betalen. Eiser, die de genoemde behandeling overigens na zeer korte tijd heeft afgebroken, vond slechts betaling gedurende een jaar acceptabel. Hij heeft vervolgens bij brief van 15 maart 1989 alsnog verklaard het niet eens te zijn met de arbeidsgeschiktverklaring per 6 februari 1989 en verzocht om een onderzoek door een commissie van geneeskundigen als bedoeld in art. 542 van het ARA.

Bij brief van 21 maart 1989 (besluit C) is namens gedaagde aan eiser meegedeeld dat - gelet op het bepaalde in art. 1, lid 1, van het Besluit ter uitvoering van art. 542, lid 3, ARA - het bijeenroepen van een commissie van geneeskundigen niet meer aan de orde is.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad levert een uitspraak van een bedrijfsgeneeskundige of een advies van een commissie van geneeskundigen nog geen appellabel besluit in de zin van de Ambtenarenwet 1929 op. Eerst indien vervolgens door of namens het bevoegd gezag - op basis van een dergelijke uitspraak of advies - een rechtspositioneel besluit wordt genomen, zoals bijvoorbeeld het beeindigen van ziekengeld, ontstaat een besluit waartegen op de voet van de Ambtenarenwet 1929 beroep kan worden ingesteld. Waar een advies van een commissie van geneeskundigen niet vatbaar is voor beroep, is een negatieve reactie op een verzoek dat ertoe strekt alsnog een advies van zo'n commissie uit te lokken, evenmin vatbaar voor beroep. Dit brengt mee dat eisers beroep tegen besluit C alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad tekent hierbij aan dat eiser tegen het - wel appellabele, uit de salarisspecificatie over de maand februari 1989 kenbare - besluit om de doorbetaling van zijn bezoldiging na 6 februari 1989 te staken in beroep had kunnen gaan, maar dat hij zodanig beroep niet heeft ingesteld.

Beslist moet worden als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 maart 1989 (besluit C) ongegrond is verklaard en verklaart eisers beroep ter zake alsnog niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.