Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1991:AK9279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-1991
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
WW 1989/186
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is werkloos geworden op 2 november 1987. Dit houdt in dat van betrokkene op die dag moet worden gezegd dat hij werkloos was, zodat ook op die dag het bepaalde in art. 24, lid 1 sub b, WW op hem van toepassing kon zijn. In dit verband kan worden gewezen op RSV1990/356 en op de MvT op het wetsontwerp WW. In deze toelichting valt te lezen dat art. 24, lid 1 sub b, betrekking heeft op zowel situaties voor de aanvang van de werkloosheid als tijdens de duur daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1991, 191

Uitspraak

WW 1989/186

Uitspraak

Uitspraak in het geding tussen het bestuur van de BV voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, eiser,

en

E. H., te R., gedaagde

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 26 april 1988 is vanwege eiser aan gedaagde kennis gegeven van een beslissing, de uitvoering van de Werkloosheidswet betreffende. Een fotocopie van die brief is aan deze uitspraak gehecht. De inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn weergegeven. (Niet opgenomen.)

De Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraak van 30 maart 1989 het beroep tegen deze beslissing gegrond verklaard, deze beslissing vernietigd en verstaan dat eiser een nadere beslissing dient te nemen.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft in een aanvullend beroepschrift de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 5 februari 1991, waar voor eiser is verschenen mr. L.E. M., werkzaam bij eisers bedrijfsvereniging, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II. Motivering

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde is van 3 september 1987 tot 2 november 1987 als administratief medewerker werkzaam geweest bij D. Uitzendbureau te R.. Op 2 november is gedaagde ontslagen, omdat hij te kennen had gegeven geen vast dienstverband te willen aangaan met de opdrachtgever van D., bij wie gedaagde zijn werkzaamheden verrichtte.

Bij de bestreden beslissing heeft eiser gedaagde met ingang van 2 november 1987 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend (in casu was sprake van herleving van recht op uitkering), zij het onder toepassing van een korting op de uitkering van 10% gedurende 13 weken.

Hierbij heeft eiser overwogen dat gedaagde heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, waardoor gedaagde het bepaalde in art. 24, lid 1 sub b, ten tweede, WW op zich van toepassing heeft doen worden.

De eerste rechter heeft bij de aangevallen uitspraak de bestreden beslissing vernietigd. Naar het oordeel van die rechter dient de werknemer eerst werkloos in de zin van de wet te zijn geworden, voordat in een geval als het onderhavige kan worden gesproken van een situatie waarin de werknemer werkloos is of blijft, zoals bedoeld in onderdeel b van het eerste lid van art. 24 WW. Nu gedaagde eerst op 2 november 1987 werkloos is geworden, kon er op die datum nog geen sprake zijn van werkloos zijn of blijven. De in voornoemd artikelonderdeel bedoelde toestand zou eerst ingaande 3 november 1987 kunnen zijn ontstaan, aldus de eerste rechter in de aangevallen uitspraak.

De Raad kan de eerste rechter hierin niet volgen.

Niet in geschil is dat gedaagde met ingang van 2 november 1987 (opnieuw) werkloos is geworden in de zin van de WW, en dat houdt naar het oordeel van de Raad in dat van gedaagde op die dag ook moet worden gezegd dat hij werkloos was, zodat ook op die dag wel degelijk het bepaalde in art. 24, lid 1 sub b, WW op gedaagde van toepassing kon zijn. De Raad wijst in dit verband op de memorie van toelichting op het wetsontwerp WW (Tweede Kamer 1985–1986, 19 261, nr. 3, blz. 141), waarin te lezen valt dat onderdeel b van het eerste lid van art. 24 betrekking heeft op zowel situaties voor de aanvang van de werkloosheid als tijdens de duur daarvan. Voorts verwijst de Raad nog naar zijn uitspraak van 14 augustus 1990, RSV1990/356.

Gelet op het hiervoor overwogene kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

Nu de eerste rechter zich in de aangevallen uitspraak niet heeft uitgesproken over de vraag of eiser bevoegd was tot het toepassen van een sanctie op gedaagdes uitkering en zo ja, omtrent de toetsing van die sanctie zelve, acht de Raad het gewenst om de zaak, met toepassing van art. 150, lid 2, Beroepswet, ter verdere behandeling terug te wijzen naar de Raad van Beroep te Rotterdam.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende in naam der Koninging!

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de Raad van Beroep te Rotterdam.

Rechters: Cras, Hugenholtz, Spaas