Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1988:AK3095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-1988
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
AW 1986/382
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij opheffing van de functie komt het samenstel van werkzaamheden als zodanig te vervallen binnen het organisatorische verband waarbij de ambtenaar werkzaam is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1988/73 met annotatie van R.M. van Male
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak in de gedingen tussen:

[M. te O.], eiser,

en

het College van bestuur van de Technische Rijksuniversiteit Enschede te Enschede, gedaagde.

I. Ontstaan en loop van de gedingen

Eiser heeft beroep ingesteld ter zake van de volgende onderwerpen:

a. de opdracht van gedaagde aan eiser van 29 juni 1984 bij een bespreking op 13 juli 1984 aanwezig te zijn;

b. het besluit van gedaagde van 22 januari 1986 een herplaatsingsonderzoek te starten;

c. de mededeling van gedaagde van 28 april 1986 dat geen herplaatsingsmogelijkheid aanwezig is;

d. de mededeling van gedaagde van 15 mei 1986 dat de voorbereidingscommissie PAO-BB heeft opgehouden te bestaan;

e. het besluit van gedaagde van 21 mei 1986 aan eiser m.i.v. 1 september 1986 eervol ontslag te verlenen wegens opheffing van zijn betrekking.

Het Ambtenarengerecht te Zwolle heeft bij uitspraak van 18 september 1986, nrs. AW 1984/153, AW 1986/36, AW 1986/99, AW 1986/104 en AW 1986/113 de namens eiser ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft Mr. A. J. H. W. M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft van contra-memorie gediend.

De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van 14 januari 1988, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door Mr. Versteeg voornoemd als zijn raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door Mr. M. van Doorn, juridisch medewerker bij de dienst personeelszaken van gedaagdes universiteit.

II. Motivering

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de ter zake van belang zijnde feiten en omstandigheden overweegt de Raad het volgende, met de aantekening dat blijkens het aanvullend beroepschrift het hoger beroep inzake de hierboven onder a genoemde opdracht is ingetrokken.

Eiser was aanvankelijk als wetenschappelijk medewerker I onderwijs nderzoek in de vakgroep onderwijskunde/vakdidactiek scheikunde bij gedaagdes universiteit werkzaam. In 1978 werd voor de oprichting van een orgaan voor postacademisch onderwijs in de bedrijfs- en bestuurswetenschappen (PAO- BB) een commissie van voorbereiding ingesteld als bedoeld in art. 30 e.v. van de Regeling postacademisch onderwijs. Eiser werd belast met de functie van secretaris/hoofd bureau van de voorbereidingscommissie. Dit ging gepaard met ontheffing uit de oude functie met o.m. de bepaling, dat eiser in geval van beeindiging van zijn functie bij de voorbereidingscommissie geen aanspraak zou hebben op terugkeer in zijn oude functie doch dat gedaagde wel zou trachten een andere voor hem passende functie te vinden. In mei 1984 kwam het bovengenoemde orgaan PAO-BB tot stand; in 1986 vond de - i.v.m. financiele verwikkelingen vertraagde - decharge van de voorbereidingscommissie plaats.

In verband met de vertogen van eisers raadsman acht de Raad vooreerst het volgende van belang.

In 1984 kwam het orgaan PAO-BB tot stand. Dit nam de taken van de voorbereidingscommissie, voor zover deze moesten worden gecontinueerd, over. Daartoe behoorden ook werkzaamheden welke eiser bij de voorbereidingscommissie had verricht.

Nu heeft de Raad reeds eerder uitgesproken (AW 1981/B92-93; AB 1982, 307), dat onder het begrip 'samenstel van werkzaamheden', waarmee de Raad in zijn jurisprudentie het begrip 'betrekking' definieert, ook vallen de betekenis hebbende omstandigheden waaronder die werkzaamheden moeten worden verricht. Als zodanige omstandigheden zijn zeker aan te merken de plaats waar het werk moet worden verricht en de organisatie of instelling waarvan dat samenstel van werkzaamheden deel uitmaakt. Dit brengt, aangezien het orgaan PAO- BB nu eenmaal een andere instelling is dan de voorbereidingscommissie, mede, dat de functie van secretaris/hoofd bureau bij de voorbereidingscommissie niet dezelfde betrekking is als de functie van secretaris (of directeur)/hoofd bureau bij het orgaan PAO-BB, zelfs niet indien, hetgeen overigens onaannemelijk is, de werkzaamheden van beide functies precies dezelfde zouden zijn.

Het gevolg hiervan is, dat eisers functie bij de voorbereidingscommissie niet geacht kan worden vanaf mei 1984 te hebben voortbestaan zij het ressorterend onder het orgaan PAO-BB.

Met het eindigen van het bestaan van de voorbereidingscommissie was ook het bestaan van eisers functie bij die voorbereidingscommissie geeindigd, waarbij in dit geding niet van belang is of dit eindigen in mei 1984 dan wel in mei 1986 heeft plaatsgevonden.

Eisers raadsman heeft betoogd, dat de stelling van gedaagde, dat de voorbereidingscommissie in mei 1986 is gedechargeerd en daarmee is opgeheven, niet houdbaar is, aangezien bij de daartoe strekkende besluitvorming een drietal later toegetreden instellingen niet betrokken geweest is; dat (ook) daardoor eisers functie bij de voorbereidingscommissie niet als opgeheven kan worden beschouwd en dat het ontslagbesluit daardoor op onvoldoende grondslag berust.

Dit betoog kan eiser niet baten. Onderwerp van het beroep is het ontslagbesluit. Eventuele gebreken van het besluit tot opheffing van de voorbereidingscommissie en daarmee van de betreffende functie kunnen bij de toetsing van het ontslagbesluit alleen dan een doorslaggevende rol spelen, wanneer moet worden gezegd, dat die gebreken een zodanige schending van enige regel van geschreven of ongeschreven recht inhouden dat het opheffingsbesluit in redelijkheid niet meer als grondslag van een ontslagbesluit kan dienen. In casu bevat het besluit tot instelling van de voorbereidingscommissie geen voorschriften m.b.t. de opheffing. Mogelijk zou kunnen worden gezegd, dat het correcter of zorgvuldiger zou zijn geweest wanneer ook de drie later toegetreden instellingen bij het besluit tot decharge en opheffing van de voorbereidingscommissie betrokken zouden zijn geweest, doch de Raad kan hierin niet een schending van enige rechtsregel zien van een ernst als bovenbedoeld.

Eisers raadsman heeft voorts veel aandacht geschonken aan de stelling dat, zijns inziens, het orgaan PAO-BB eiser in dienst had behoren te nemen. Behalve met het - hierboven verworpen - voortbestaan van de betreffende functie is deze stelling o.m. gemotiveerd met een verwijzing naar gewekte verwachtingen of zelfs toezeggingen.

De Raad kan hieraan voor dit geding geen betekenis toekennen. Eiser heeft tegen het besluit van het orgaan PAO-BB hem niet in dienst te nemen geen actie in rechte ondernomen: alles wat dit niet in dienst nemen betreft valt derhalve buiten het thans gevoerde geding. Het feit, dat gedaagde in het orgaan PAO- BB participeert en mogelijk bij het totstandkomen van dat besluit een actieve rol heeft gespeeld, kan er niet toe leiden dat de in dit geding bestreden besluiten op die grond zouden kunnen worden aangetast.

De Raad is op grond van de feitelijke gegevens en gelet op het hierboven overwogene tot de conclusie gekomen, dat gedaagde zich in mei 1986 op het standpunt mocht stellen dat eisers functie bij de voorbereidingscommissie, die overigens blijkens eisers ter terechtzitting gedane mededeling sinds mei 1984 feitelijk geen inhoud meer had, was opgeheven en dat deze opheffing op zakelijke en objectieve gronden berustte. Verder is voor de Raad niet komen vast te staan, dat gedaagde niet of onvoldoende zou hebben voldaan aan zijn verplichting te onderzoeken of binnen gedaagdes gezagsbereik een andere passende betrekking voor eiser beschikbaar was, noch, dat er in of omstreeks mei 1986 een vacature bestond voor de vervulling waarvan gedaagde eiser redelijkerwijze niet had mogen passeren.

Vorenstaande overwegingen hebben de Raad tot de slotsom geleid, dat het in rubriek I onder e genoemde besluit niet voor nietigverklaring in aanmerking komt.

Wat de in rubriek I onder b, c en d genoemde besluiten nderwerpen betreft onderschrijft de Raad eveneens de conclusie van de eerste rechter. Het besluit sub b tot het instellen van een herplaatsingsonderzoek past in de procedure die aan een ontslagbesluit als in casu vooraf dient te gaan en vormt geen zelfstandig besluit waartegen ingevolge de Ambtenarenwet 1929 beroep kan worden ingesteld. De onder c en d genoemde onderwerpen betreffen mededelingen, althans geen jegens eiser als ambtenaar genomen besluiten die hem rechtstreeks in zijn belang troffen. De eerste rechter heeft deze beroepen derhalve terecht niet-ontvankelijk geacht.

De Raad tekent hierbij aan, dat het dictum van de aangevallen uitspraak onvolledig is doordat is verzuimd daar een niet-ontvankelijkverklaring uit te spreken.

Aangezien evenwel het oordeel van de eerste rechter te dien aanzien met volstrekte duidelijkheid kenbaar is uit de overwegingen van de uitspraak en niemand gebaat is bij nodeloze verlenging van de procedure, heeft de Raad gemeend aan deze omissie geen processuele gevolgen te moeten verbinden.

Tenslotte overweegt de Raad, dat eiser heeft gevorderd gedaagde tot betaling van schadevergoeding te veroordelen.

Voor zover eiser hier toepassing van art. 47 of art. 48 van de Ambtenarenwet 1929 heeft beoogd, kan deze vordering reeds daarom niet worden ingewilligd, omdat noch van een nietig verklaarde handeling noch van een nietigverklaring gevolgd door een gedektverklaring sprake is. Voor zover eiser een zelfstandige vordering beoogt, kan deze niet worden ontvangen aangezien geen der bestreden beslissingen over schadevergoeding handelt.

Op grond van vorenstaande overwegingen dient te worden beslist als volgt:

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en met dien verstande, dat de beroepen inzake de in rubriek I onder b, c en d genoemde onderwerpen alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard;

Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.