Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1987:AM9383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-1987
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
AW 1985/269
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens opheffing dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1987, 298 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens
TAR 1987/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

[X. te N.], eiser,

Het bestuur van de Stichting Onderwijs-adviesdienst te Amersfoort, gedaagde.

I. Ontstaan en loop van het geding

Gedaagde heeft onder dagtekening 23 dec. 1983 aan eiser medegedeeld te hebben besloten hem met ingang van 1 april 1984 wegens opheffing van zijn betrekking eervol ontslag te verlenen.

Het tegen dat besluit ingestelde beroep heeft geleid tot de uitspraak van het Ambtenarengerecht te Utrecht van 18 juni 1985, nr. AW 1984/21, waarbij dat beroep ongegrond is verklaard.

Namens eiser is hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 5 febr. 1987. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door M.Th. van Wel, medewerkster van het hoofdbestuur van de Algemene bond van onderwijzend personeel. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door Mr. J.M.M.B. Maes, medewerker van het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie BV te 's-Gravenhage.

II. Motivering

Voor een meer uitvoerige weergave van de ter zake van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De Raad volstaat met de volgende overwegingen.

Gedaagde heeft eiser met ingang van 15 sept. 1979 en uiterlijk tot de datum waarop het project niet-Nederlandstalige leerlingen is geeindigd c.q. het Rijk de subsidiering heeft beeindigd, aangesteld tot hoofdcommies in tijdelijke dienst.

Vervolgens is eiser ingaande 1 sept. 1980 aangesteld in vaste dienst.

Eiser was gedurende 2 dagen per week werkzaam ten behoeve van gedaagdes dienst en daarnaast twee dagen resp. een dag per week ten behoeve van de Schoolpedagogische en Psychologische Dienst te Hilversum resp. de Schoolpsychologische Dienst te Baarn, steeds als consulent anderstaligen.

In de loop van 1982 werd vanwege het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen besloten de project-subsidie ten behoeve van het consulentschap anderstaligen als additionele faciliteit van de schoolbegeleidingsdiensten met ingang van 1 jan. 1983 (later 1 aug. 1983) te beeindigen en deze onder te brengen bij de gewone subsidie voor deze diensten. Dit gewijzigde subsidie-beleid had tot gevolg dat eisers werkzaamheden ten behoeve van de genoemde diensten te Hilversum en Baarn met ingang van 1 jan. 1983 werden beeindigd en dat gedaagde besloot bij zijn dienst de begeleiding van de onderwijsgevenden aan anderstaligen niet meer centraal te doen geschieden door de speciaal daartoe aangestelde consulent anderstaligen, i.c. eiser, maar deze begeleiding te decentraliseren en onder te brengen als deeltaak bij de onderscheidene reguliere schoolbegeleiders die vanwege gedaagdes dienst werkzaam waren in de regio Amersfoort.

Dit betekende in feite — zoals eiser ter terechtzitting van de Raad heeft uiteengezet — dat eisers taak met betrekking tot de begeleiding van de onderwijsgevenden die belast waren met onderwijs aan anderstaligen, werd ondergebracht bij de reguliere begeleiders en dat het overige deel van zijn taak (o.a. het deelnemen aan intern en extern overleg specifiek gericht op het onderwijs aan anderstaligen) niet werd voortgezet. Eiser heeft in de periode van 1 jan. 1983 tot 1 aug. 1983 een werkzaam aandeel gehad in de overdracht van werkzaamheden aan bedoelde reguliere schoolbegeleiders.

De Raad is met de eerste rechter tot het oordeel gekomen dat, gezien deze feitelijke ontwikkeling, eisers betrekking als consulent anderstaligen opgeheven moet worden geacht. Eisers gemachtigde heeft in hoger beroep gesteld dat eisers betrekking niet zou zijn opgeheven omdat het werk ten behoeve van de anderstalige leerlingen is blijven voortduren. De Raad kan deze gemachtigde daarin niet volgen, immers: eisers betrekking in de zin van het samenstel van feitelijke werkzaamheden welke eiser verrichtte, heeft opgehouden te bestaan. Het feit dat die werkzaamheden zelf (deels) zijn blijven voortbestaan en voor andere personen zijn ‘uitgesmeerd’ doet daaraan niet af.

De Raad is voorts met de eerste rechter van oordeel dat niet is gebleken dat gedaagde, gegeven het feit dat eisers betrekking was opgeheven, niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om eiser eervol ontslag te verlenen. In dit verband heeft eisers gemachtigde nog gesteld dat gedaagde niet in redelijkheid de mogelijkheid heeft bezien om eiser in een andere passende functie te herplaatsen. De Raad meent echter dat gedaagde in genoegzame mate heeft aannemelijk gemaakt dat eiser niet voldeed aan de normen die gedaagde heeft aangelegd bij de aanstelling van de reguliere schoolbegeleiders. Ook het verwijt dat deze normen in de praktijk zwaarder zijn geweest dan de eisen die in de vacature-stellingen waren opgenomen, treft geen doel. Het staat eiser vrij om bij de beoordeling van de sollicitanten zwaardere normen aan te leggen om tot een uiteindelijke keuze te komen.

Het vorenstaande betekent dat — nu ook overigens niet is gebleken van strijd met enig algemeen verbindend voorschrift of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur — de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De CRvB,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.