Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1977:BY1474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-1977
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
WAO 1976/779 + ZW 1976/168
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Feitelijk genot van uitkering beslissend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

De Centrale Raad van Beroep

(mrs. Van der Meide, Grosheide, Van der Velden)

Uitspraak in het geding tussen B.M. R. te W., eiser, en de BV voor de Bouwnijverheid, gedaagde

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 23 mei 1975 heeft gedaagde aan eiser de volgende beslissing doen toekomen:

“Het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid:

Gezien een brief d.d. 10 september 1974 van de Bouw- en Houtbond NKV blijkens welke B.M. R., K.weg … te W., in aanmerking wenst te komen voor uitkering ingevolge de WAO;

Gezien de rapporten en verdere gegevens;

Overwegende dat betrokkene van mei 1969 tot en met 19 november 1971 als timmerman werkte bij de Gebr. R. te W., als werkgever van rechtswege aangesloten bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid;

Overwegende dat betrokkene van 22 november 1971 tot en met 1 juni 1972 over de maximum termijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid ;

Overwegende dat betrokkene niet vanaf enig tijdstip vóór 2 juni 1972 bij voortduring arbeidsongeschikt gebleven is (hij ontving laatstelijk van 16 september 1971 tot en met 8 oktober 1981 uitkering ingevolge de Ziektewet wegens een geïnfecteerde vinger, en werd met ingang van 11 oktober 1971 weer geschikt verklaard.

Overwegende dat betrokkene op en na 2 juni 1972 geen arbeid in dienstverband meer verrichtte en dat voor hem, nu hij ook niet op andere gronden krachtens de Ziektewet en krachtens de WAO verzekerd was, de verzekering krachtens die wetten met ingang van 2 juni 1972 een einde nam, zodat zijn recht op ziekengelduitkering en/of uitkering krachtens de WAO getoetst moet worden aan het bepaalde in artikel 46 van de Ziektewet respectievelijk artikel 17 van de WAO;

Overwegende dat betrokkene niet binnen één van de termijnen, genoemd in artikel 46 van de Ziektewet en in artikel 17 van de WAO, arbeidsongeschikt is geworden, zodat hij geen recht heeft op ziekengelduitkering en/of uitkering ingevolgde de WAO;

Gelet op het bepaalde in de artikelen 19, 46, 73 en 73a van de Ziektewet, en de artikelen 16,17, 87 en 88 van de WAO;

Beslist dat B.M. R. geen recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet en ingevolge de WAO.”

De Raad van Beroep te Arnhem heeft eisers beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard, zulks bij uitspraak van 22 april 1976. Eiser is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van 19 april 1977. Voor eiser is daar verschenen zijn gemachtigde Mr. J.C.M.J. V., juridisch medewerkster van de Nederlandse Katholieke Bond voor de Bouw en Houtnijverheid. Gedaagde werd op die terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. H.A.G. Ra., werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.

II. Motivering

Eiser, geboren 6 september 1914, is van mei 1969 tot en met 19 november 1971 als timmerman werkzaam geweest bij de firma Gebrs. R. te W., een door twee zoons van eiser opgericht timmerbedrijf.

Van 22 november 1971 tot en met 1 juni 1982 heeft eiser vervolgens gedurende de maximumtermijn een uitkering krachtens de Werkloosheidswet genoten.

Niet gebleken is, dat eiser nadien nog arbeid heeft verricht in een verhouding op grond waarvan hij verzekerd was ingevolge de Ziektewet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Werkloosheidswet.

Bij brief van 10 september 1974 is door J.Ri., distriktsbestuurder Nederlandse Katholieke Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid (N.K.V.) voor eiser een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangevraagd aangezien eiser reeds in 1971 bij zijn huisarts zou zijn gekomen ter behandeling van een kwaal, waarvan in een later stadium zou zijn vastgesteld dat het een hartafwijking betreft.

Op 7 oktober 1974 heeft eiser zich weer bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te Doetinchem laten inschrijven.

Bij brief van 23 mei 1975 heeft gedaagde aan eiser de onder I vermelde beslissing doen toekomen.

Deze beslissing houdt, zoals bleek, in dat gedaagde van oordeel is dat eiser noch recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet noch recht heeft op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De eerste rechter heeft eisers beroep tegen de bestreden beslissing ongegrond verklaard, zulks met voorbijgaan van de gronden van die beslissing, overwegende:

“Waar klager voor 19 november 1971 niet arbeidsongeschikt was, kan van toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering respectievelijk ziekengeld slechts sprake zijn, wanneer klager toenmaals verzekerd was volgens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering respectievelijk de Ziektewet. De Raad neemt op grond van het rapport van ’s Raads plaatsvervangend griffier T.D. aan dat zulks niet het geval is, zodat het beroep, wat overigens van de gronden van de bestreden beslissing zij, ongegrond moet worden verklaard.”

Het rapport d.d. 19 februari 1976 van de plaatsvervangend griffier T.D., waarnaar in voorgenoemde uitspraak verwezen wordt, vermeldt als eindconclusie:

“De omstandigheden waaronder klager na zijn dienstbetrekking bij R.-bouw D. is werkzaam geweest wijzen geenszins op duidelijk werkgeversgezag van de zoon(s) over de vader. Diens verklaring wijst er op, dat de arbeidsverhouding in overwegende mate door een familieverhouding werd beheerst.”.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij tot en met 19 november 1971 als werknemer in dienstbetrekking heeft gewerkt bij de Gebrs. R. te W. Ter adstructie van zijn standpunt heeft hij in zijn beroepschrift met betrekking hiertoe onder meer aangevoerd:

“dat hij hier als werknemer op de loonlijst stond;

dat hij opdrachten kreeg van zijn zoons die hij moest uitvoeren;

dat hij nimmer bemoeienis had op de binnenkomende opdrachten;

dat hij werkte tegen een normaal weekloon;

dat hij vindt dat hij als werknemer in dienstbetrekking heeft gewerkt en er voor hem eenzelfde situatie was als ten tijde van andere dienstbetrekkingen;

dat hij door de B.V. Bouw wel als werknemer is beschouwd aangezien hij aansluitend aan zien dienstverband bij de Gebr. R., een W.W.-uitkering heeft ontvangen.”.

en voorts met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid:

“dat hij reeds in 1971 onder behandeling was van Dr. B. en dat in een later stadium sprake was van een hartafwijking;

dat hij vanwege deze hartafwijking reeds geruime tijd arbeidsongeschikt is;

Redenen waarom hij Uw Raad verzoek de uitspraak van de Raad van Beroep niet in stand te laten en te willen beslissen alsnog een ziekengeld respectievelijk W.A.O.-uitkering toe te kennen.”.

De gemachtigde van gedaagde, Mr. H.A.G. Ra., voornoemd heeft ter terechtzitting verklaard dat naar de mening van gedaagde de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen dat er ten aanzien van eiser geen sprake was van verzekeringsplicht. De werkloosheidsuitkering – op grond van de door gedaagde al dan niet terecht aangenomen verzekeringsplicht in de periode van eisers werkzaamheden voor de Gebrs. R. – die eiser vanaf 22 november 1971 tot en met 1 juni 1972 heeft ontvangen bracht naar de mening van gedaagde voor die periode verzekeringsplicht mee krachtens artikel 7 van de Ziektewet respectievelijk van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Volgens voornoemde gemachtigde bleef daarom in dit geschil slechts ter beantwoording de vraag of eiser arbeidsongeschikt is geworden in een verzekerde periode vóór 2 juni 1982 – zijnde de datum met ingang waarvan eisers uitkering krachtens de Werkloosheidswet is beëindigd – dan wel binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Ziektewet respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bedoelde maand na het einde van de zekering.

Met betrekking tot het hiervoor aangevoerde heeft de Raad het volgende overwogen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de Ziektewet respectievelijk de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt voor de toepassing van deze wetten als werknemer beschouwd degene die krachtens de Werkloosheidswet uitkering ontvangt.

Niet het aanspraak hebben op, maar het ontvangen van de W.W.-uitkering is hier dus als criterium gegeven.

Weliswaar spreekt de tekst van het ontvangen van uitkering “krachtens” de Werkloosheidswet, maar zoals de Raad reeds eerder heeft beslist (Z.W. 1975/167, RSV 1976/278) acht hij onvoldoende grond aanwezig om daaraan de conclusie te verbinden dat in gevallen waarin voor de toepassing van de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering de vraag aan de orde komt of de belanghebbende al dan niet verzekerd was uit hoofde van het ontvangen van W.W.-uitkering, onderzocht moet worden of ook inderdaad krachtens de Werkloosheidswet aanspraak op uitkering heeft bestaan.

De eerste rechter heeft derhalve ten onrechte aangenomen dat eiser op en na 19 november 1971 voor de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziektewet niet verzekerd was. Aangenomen moet worden dat eiser voor de toepassing van die wetten tot 2 juni 1972 verzekerd is gebleven. Nu de eerste rechter geen oordeel heeft gegeven omtrent eisers arbeidsongeschiktheid op en na 19 november 1971 verwijst de Raad beide zaken (Z.W. 1976/168 en W.A.O. 1976/779) terug naar die rechter ter verdere behandeling.

Beslist moet worden als onder III aangegeven.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende in naam der Koningin!

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verwijst de zaken ter verdere behandeling terug naar de Raad van Beroep te Arnhem.