Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1970:1

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-1970
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
IW/2 1968/2
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Met name gelet op de beschouwingen en de conclusie uit het rapport van Prof. Bastiaans komt de Raad tot de slotsom dat de mate van de invaliditeit behoort te worden gesteld op 70%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PENSIOENWET VOOR DE LANDMACHT 1922 (Stb. 240)

1968/2

DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP heeft de volgende uitspraak gegeven inzake:

Mw. [A.], weduwe van [B.], wonende te [woonplaats], klaagster, voor wie ter openbare terechtzitting van 24 december 1968 als gemachtigde is opgetreden J.W. Offermans, wonende te Heesch, en ter openbare terechtzitting van 5 maart 1970 Mr. D.J.M. Noordijk, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen:

de Minister van Defensie, verweerder, voor wie op de openbare terechtzittingen als gemachtigde is opgetreden G.L. Koops, referendaris bij verweerders ministerie.

DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP,

Gezien de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter 's Raads terechtzitting van 24 december 1968, toen de raadkamer anders was samengesteld dan ter terechtzitting van 5 maart 1970;


Gehoord bovengenoemde op laatstgenoemde terechtzitting verschenen personen;

WAT AANGAAT DE FEITEN VAN HET TWISTGEDING:

Overwegende dat bij Koninklijk besluit van 17 maart 1966 het aan nu wijlen [B.] bij Koninklijk besluit van·31 mei 1965 met ingang van 19 september 1959 met toepassing van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 (Stb. 24-0) toegekende levenslang invaliditeitspensioen met ingang van 13 augustus 1964 is verhoogd tot f 1425,-per jaar, berekend naar een pensioengrondslag van f 2850, en een invaliditeitspercentage van 50; waarbij als motivering werd vermeld:

"Bij Koninklijk besluit van 31 mei 1965, nr. 24, werden de met betrekking tot de pensioenaanspraken van belanghebbende genomen beslissingen ambtshalve herzien in dier voege, dat hem nader te rekenen van 19 september 1959 een levenslang invaliditeitspensioen werd toegekend, onder meer berekend naar een invaliditeitspercentage van 20.

"Indien het aan belanghebbende toegekende pensioen niet bij hogeraangehaald besluit zou zijn herzien, zou hem eerst met ingang van 1 oktober 1964 een levenslang invaliditeitspensioen zijn toegekend, zulks naar aanleiding van zijn onder dagtekening van 13 augustus 1964-daartoe gedaan verzoek.

"Betrokkene werd in verband met zijn verzoek aan een commissoriaal geneeskundig onderzoek onderworpen door de commissie voor het geneeskundig onderzoek te 's-Gravenhage.

"Uit het terzake door evengenoemde commissie onder dagtekening van 22 februari 1965 uitgebrachte rapport blijkt dat de toestand, wat betreft de aandoening waarvoor verband met de uitoefening van de militaire dienst werd aanvaard, is achteruitgegaan, zodat de invaliditeit van betrokkene te rekenen van 1 oktober 1964 wordt geschat op 50%.

"In verband met het vorenstaande wordt aan het onder dagtekening van 13 augustus 1964 door belanghebbende ingediend rekest de strekking toegekend van een verzoek om op grond van toegenomen invaliditeit in het genot te worden gesteld van een hoger pensioen.

"De te rekenen van 1 oktober 1964 geschatte invaliditeit word geacht in dezelfde mate aanwezig te zijn geweest op 13 augustus 1964, zijnde de datum waarop het desbetreffende rekest is ontvangen.

“Het aan belanghebbende met ingang van 19 september 1959 toegekend levenslang invaliditeitspensioen kan derhalve te rekenen van 13 augustus 1964 nader worden vastgesteld, rekening houdende met een invaliditeitspercentage van 50%”;

Overwegende dat bij Koninklijk besluit van 30 januari 1968 afwijzend is beschikt op het door wijlen [B.], voornoemd, ingediende verzoek om herziening van de met betrekking tot zijn pensioenaanspraken bij het Koninklijk besluit van 17 maart 1966 genomen beslissing; waarbij onder meer is overwogen:

“dat adressant in zijn rekest aanvoert, dat hij naar zijn mening meer dan 50% invalide is;

dat betrokkene ter staving van zijn mening een medische verklaring bijvoegt van de artsen dr. J.L.M. Sinnige en O.F.N. van 't Hullenaar, beiden woonachtig te Tilburg;

“dat adressant, in verband met zijn rekest, op 26 oktober 1966 aan een herhaald geneeskundig onderzoek werd onderworpen door de commissie voor het geneeskundig onderzoek te Utrecht;

“dat ter zake onder dagtekening van 13 september 1967 door evengenoemde commissie een rapport werd uitgebracht, van welk rapport een uittreksel door de inspecteur van de militair geneeskundige dienst, voorzien van diens visum van 6 oktober 1967, aan de Minister van Defensie werd toegezonden;

“dat uit dit uittreksel onder meer blijkt, dat de commissie de invaliditeit van betrokkene, wat betreft de darmaandoening, waarvoor verband met de uitoefening van de militaire dienst werd aanvaard, op 13 augustus 1964 schat op 50%, van welk percentage verandering voor de toekomst aannemelijk wordt geacht;

“dat de Kroon zich met deze invaliditeitsschatting kan vereniging;

“dat twee commissies, samengesteld uit verschillende geneeskundigen, tot eenzelfde conclusie zijn gekomen ten aanzien van de mate der bij betrokkene op 13 augustus 1964 aanwezig geachte invaliditeit;

“dat derhalve niet is gebleken, dat de bestreden beslissing op onjuiste gronden werd genomen, zodat er geen termen aanwezig zijn het Koninklijk besluit van 17 maart 1966 te herzien”;

Overwegende dat klaagster tegen de beslissing, genomen bij het laatst weergegeven Koninklijk besluit, bij de Raad in beroep is gekomen en bij klaagschrift op de daarin aangevoerde gronden heeft verzocht de beslissing genomen bij dit Koninklijk besluit te vernietigen en te bepalen dat de invaliditeit van [B.] per 15 september 1965 op 75% wordt gesteld en dat klaagster per 22 maart 1967 in het genot wordt gesteld van weduwen- en wezenpensioen, of zodanige beslissing te nemen als de Raad meent dat behoort te worden genomen;

Overwegende dat het bestuur der Sociale Verzekeringsbank desgevraagd bij schrijven van 8 januari 1969 de Raad in afschrift heeft doen toekomen bescheiden betrekking hebbende op een aanvrage van nu wijlen [B.] om toekenning van een invaliditeitsrente en -bijslag ingevolge de Invaliditeitswet c.q. Interimwet invaliditeitsrentetrekkers;

Overwegende dat ten verzoeke van 's Raads fungerend-voorzitter, en zulks ingevolge 's Raads bevel d.d. 31 december 1968, door Prof. Dr. J. Bastiaans, hoogleraar in de psychiatrie aan de Rijksuniversiteit te Leiden, onder dagtekening van 10 januari 1970 een rapport inzake wijlen [B.] is uitgebracht;

Overwegende dat Prof. Bastiaans, voornoemd, bij schrijven van 2 februari 1970 een aanvulling op zijn conclusie, neergelegd in het rapport van 10 januari 1970, heeft gegeven;

Overwegende dat verweerder bij schrijven van 25 februari 1970 de Raad in fotocopie heeft ingezonden het van de inspecteur van de geneeskundige dienst der Koninklijke landmacht ontvangen advies d.d. 16 februari 1970, gegeven naar aanleiding van het rapport van Prof. Bastiaans;

IN RECHTE:

Overwegende dat de Raad op grond van de inhoud der gedingstukken als vaststaande aanneemt:

dat nu wijlen de echtgenoot van klaagster - verder te noemen [B.] - geboren 4 mei 1924, van 26 februari 1945 tot 8 december 1948 als oorlogsvrijwilliger in militaire dienst is geweest;

dat hij van maart 1946 tot mei 1948 heeft gediend in het voormalig Nederlands-Indië;

dat [B.] aldaar ziek is geworden met buikverschijnselen, waarvoor hij enige malen in een hospitaal is opgenomen;

dat hij na ongeschikt te zijn verklaard voor militaire dienst in de tropen in mei 1948 naar Nederland is teruggezonden;

dat hij op 8 december 1948 is ontheven van zijn verbintenis als oorlogsvrijwilliger en als buitengewoon dienstplichtig soldaat met groot verlof is gezonden;

dat hem per 1 oktober 1959 wegens diensteindiging ontslag uit de dienst werd verleend;

dat [B.] kort daarvoor een verzoek had ingediend om in verband met de bij hem bestaande darmaandoening te worden gekeurd;

dat hem bij Koninklijk besluit van 31 mei 1965 ingaande 19 september 1959 een levenslang militair invaliditeitspensioen krachtens de Pensioenwet voor de landmacht 1922 werd toegekend, berekend naar een invaliditeitspercentage van 20;

dat dit pensioen naar aanleiding van een daartoe strekkend rekest d.d. 13 augustus 1964 van [B.] per laatstgenoemde datum nader is vastgesteld met inachtneming van een invaliditeitspercentage van 50;

dat de bezwaren van [B.] tegen dit percentage bij de thans bestreden beslissing, vervat in het onder de feiten weergegeven Koninklijk besluit van 30 januari 1968, zijn afgewezen;

dat [B.], bij wie zich in de loop der jaren steeds duidelijker symptomen van psychische onevenwichtigheid hadden afgetekend, op 22 maart 1967 door verdrinking om het leven is gekomen;

Overwegende dat in het onderhavige geding op grondslag van de beslissing vervat in het aangevochten Koninklijk besluit uitsluitend aan de orde komt de vraag of, en zo ja, in hoeverre het percentage van de bij nu wijlen [B.] op 13 augustus 1964 bestaande invaliditeit, verband houdende met de uitoefening van de militaire dienst, met 50% is onderschat;

Overwegende hieromtrent:

dat Prof. Dr. J. Bastiaans voornoemd in zijn voormeld rapport van 10 januari 1970 na een omvangrijk onderzoek en uitvoerige beschouwingen gewijd aan het ziektebeeld van [B.], onder meer als zijn mening heeft weergegeven:

“Volgens de rapporteur is de samenhang tussen militaire dienst en de depressieve reactiewijze evenzeer evident als de samenhang tussen de militaire dienst en de besproken aandoeningen van het maagdarmkanaal. Van neuropsychiatrisch standpunt gezien heeft er tussen de verschillende geconstateerde pathologische reactievormen ook een onderlinge relatie bestaan, hetgeen ook in de hiernavolgende samenvatting blijkt:

“1. Vóór de oorlog en vóór het gaan naar Indonesië was betrokkene een lichamelijk gezonde, redelijk stabiele, alhoewel enigszins gevoelige, persoonlijkheid.

2. In 1947 is onder invloed van de beschreven oorlogsomstandigheden een traumatisch-neurotische toestand ingetreden als gevolg van overmatige psychische en lichamelijke belasting c.q. traumatisering.

3. Na terugkomst uit Indonesië is de medische behandeling veel meer gericht geweest op de bestrijding van de somatische symptomen dan op de psychische onevenwichtigheid. Deze onevenwichtigheid ging ook een tijdlang schuil achter een krampachtig pogen van betrokkene tot aanpassing aan de realiteit.

4. De lichamelijke en psychische reactievormen waren in belangrijke mate uitdrukking van de blijvende traumatisch-neurotische toestand. Deze reactievormen versterkten elkaar.

5. In de latere jaren na 1948, in het bijzonder in de laatste 11 maanden voorafgaande aan het overlijden, heeft het falen van de aanpassing zich in toenemende mate gemanifesteerd in een depressieve en hypochondrisch gekleurde reactiewijze, waarbij van medische zijde té weinig werd ingezien dat de lichamelijke klachten en afwijkingen niet uitsluitend psychogeen waren, doch ook somatogeen, onder meer als gevolg van de beschreven instabiliteit van de wervelkolom.

6. Deze depressieve toestand leidde naar alle waarschijnlijkheid tot een suïcide. Tegen deze achtergrond mag worden gesteld dat toestand en omstandigheden ten tijde van het overlijden van betrokkene in belangrijke mate gezien moeten worden als late gevolgen van onverwerkte oorlogsstress”;

“dat Prof. Bastiaans voorts tot de navolgende eindconclusie is gekomen:

"Op grond van de voorafgaande analyse stelt de rapporteur dat de omstandigheden waaronder het overlijden van betrokkene, [B.], geboren 4 mei 1924, plaatsvond, geacht kunnen worden in overwegende mate verband te houden met de aandoening waarvoor verband met de uitoefening van de militaire dienst werd aangenomen.

"Het ziekzijn van betrokkene en diens invaliditeit moeten worden beschouwd als in hoofdzaak te zijn geweest het gevolg van de door betrokkene niet verwerkte oorlogsstress;

"Aannemelijk is gemaakt dat op grond van een complex van psychische en lichamelijke afwijkingen de "militaire" invaliditeit per 13 juni 1960 reeds 50% bedroeg en dat deze per 1 augustus 1966 op 80% moet worden gesteld”;

“dat Prof. Bastiaans hieraan in zijn schrijven van 2 februari 1970 nog heeft toegevoegd:

“In antwoord op Uw gewaardeerd schrijven van 27-1-1970 inzake ons rapport nr. 136 betreffende wijlen [B.] kan ondergetekende U berichten dat naar zijn mening het invaliditeitspercentage van betrokkene, voorzover in verband staande met de uitoefening van de militaire dienst, per 13 augustus 1964 in retrospectieve benadering op 70% moet worden gesteld.

"Deze vaststelling is gefundeerd in de opvatting van ondergetekende dat, zoals vermeld op bladzijde 41 en 42 van het "bovengenoemde rapport, de ter discussie staande invaliditeit "per 13 juni 1960 reeds 50% bedroeg en dat deze daarna geleidelijk is toegenomen en wel in die zin dat op 1 augustus "1966 dit percentage het niveau van 80 had bereikt”.

“dat de inspecteur van de geneeskundige dienst der Koninklijke landmacht in zijn vorengenoemd schrijven van 16 februari 1970 onder meer het navolgende heeft opgemerkt:

“betreffende [B.], moge ik U berichten, dat ik - in overleg met het hoofd van de sectie geestelijke gezondheidszorg - achteraf van mening ben, dat een verband tussen het overlijden van betrokkene en de uitoefening van de militaire dienst niet kan worden ontkend.

“Tegen de achtergrond van de gegevens van het rapport van Prof. Bastiaans, gezien de gegevens van het C.G.O. gedateerd 13 september 1967, kan ik instemmen met een invaliditeitspercentage van 80% per 1 augustus 1966, en 50% per 13 juni 1960.

"Voor wat betreft de invaliditeit op 13 augustus 1964 kan ik instemmen met het door Prof. Bastiaans genoemde percentage van 70%”.

Overwegende nu dat de Raad, met name gelet op de beschouwingen en conclusie uit het rapport van Prof. Bastiaans, tot de slotsom is gekomen dat de mate van de invaliditeit, welke in dit geding in geschil is, op 13 augustus 1964 behoort te worden gesteld op 70%;

Overwegende dat het ingestelde beroep mitsdien gegrond is, althans voorzover daarbij gevorderd werd een invaliditeitspensioen naar een hoger invaliditeitspercentage dan 50;

dat klaagster evenwel niet kan worden ontvangen in haar vordering omtrent een weduwen- en wezenpensioen, gaande immers deze vordering buiten de bestreden beslissing om;

Overwegende dat het vorenoverwogene leidt tot de navolgende beslissing;

RECHT DOENDE IN NAAM DER KONINGIN!

Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar vordering betreffende een weduwen- en wezenpensioen;

Vernietigt de Koninklijke besluiten van 17 maart 1966 en 30 januari1968;

Bepaalt dat in plaats daarvan een nader besluit zal worden genomen met inachtneming van het hiervoren overwogene.

Aldus gewezen in raadkamer door de Heren Meesters:

A. Blom, voorzitter, B.S. Tigchelaar en H.D. Vleesch Dubois, leden, in tegenwoordigheid van Mevrouw Mr. N.M. Graafstal-Lankester, plaatsvervangend-griffier, en uitgesproken door de voorzitter ter openbare terechtzitting van 26 maart 1970.

(get.) BLOM, VOORZITTER.

(get.) N.M. GRAAFSTAL-LANKESTER, PLV.-GRIFFIER.