Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:543

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-08-2022
Datum publicatie
16-08-2022
Zaaknummer
20/1088
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Verweerder heeft de aanvraag van appellante afgewezen, omdat deze niet voldoet aan de in de Regeling gestelde voorwaarden. Appellante beschikt namelijk niet over een omgevingsvergunning milieu of een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, die voldoet aan de vereisten die het Besluit emissiearme huisvesting tot 1 januari 2020 stelde. Evenmin voldoen de huisvestingssystemen op de varkenshouderij aan dat besluit. Het beroep is daarom ongegrond.

Wetsverwijzingen
Subsidieregeling sanering varkenshouderijen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/1088

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 augustus 2022 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. L. Pronk),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M.W. Schilperoort en drs. D. van Steen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie op grond van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2021. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Vervolgens hebben partijen nadere reacties ingediend.

Met instemming van partijen is een tweede zitting achterwege gebleven. Het College heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het College het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op grond van de Regeling. Verweerder heeft de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de in de Regeling gestelde voorwaarden. Het College is het eens met verweerder. Hieronder licht het College zijn oordeel toe.

Het beoordelingskader

De subsidievoorwaarden

2.1

Verweerder moet de subsidieaanvraag van een varkenshouder afwijzen als de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets niet voldoet aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting (Beh), die gelden tot 1 januari 2020. Verweerder moet de subsidieaanvraag ook afwijzen als de huisvestingssystemen die op de varkenshouderij worden gebruikt niet voldoen aan de vereisten van het Beh, die gelden tot 1 januari 2020. Deze twee afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling.

Interne saldering

2.2

Uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Beh volgt dat een varkenshouder ervoor moet zorgen dat de emissie van ammoniak uit de door de varkens gebruikte huisvestingssystemen, die uiterlijk op 30 juni 2015 zijn gebouwd, niet hoger is dan de daarvoor in bijlage 1 bepaalde maximale emissiewaarde voor ammoniak. Deze voorwaarde geldt niet als deze huisvestingssystemen zijn gebouwd voor 1 januari 2007 en de totale ammoniakemissie uit de huisvestingssystemen niet hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak. Dit volgt uit het tweede lid van artikel 5 van het Beh en wordt interne saldering genoemd.

Standpunt appellante

3.1

Appellante stelt dat haar varkenshouderij voldoet aan de vereisten van het Beh, omdat sprake is van interne saldering. Op de varkenshouderij worden structureel minder dieren gehouden dan voorheen, waardoor de maximale emissiewaarden niet worden overschreden. Door deze interne saldering voldoet de aanvraag aan de subsidievoorwaarden, aldus appellante. Immers, uit artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling volgt dat ook aan de hand van de daadwerkelijke behaalde emissiereductie kan worden beoordeeld of aan de vereisten van het Beh wordt voldaan. Daarnaast verwijst appellante naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:689). Volgens appellante blijkt uit deze uitspraak dat aan het Beh wordt voldaan als met concrete en recente gegevens wordt aangetoond dat er minder dieren worden gehouden, omdat de ammoniakemissie dan lager is dan vergund. Bovendien is volgens appellante ter zitting vastgesteld dat zij op basis van interne saldering voldoet aan het Beh.

3.2

Appellante betwist dat zij heeft deelgenomen aan de stoppersregeling, dan wel onder een gedoogbeleid viel dat vergelijkbaar is met de stoppersregeling, waardoor zij niet onder de Regeling zou vallen. Om een emissiearm stalsysteem te realiseren, heeft appellante op 30 juni 2011 een omgevingsvergunning milieu aangevraagd voor het plaatsen van een luchtwasser. Zonder duidelijke reden is deze vergunningsaanvraag op meerdere momenten blijven liggen bij de gemeente [gemeente] en nog steeds is het vergunningstraject niet afgerond. Als tussenoplossing voor de periode waarin de aanvraag in behandeling is, heeft appellante in samenspraak met de gemeente in januari 2014 een kennisgeving stoppersmaatregelen ingediend. Op deze manier voldoet de varkenshouderij van appellante toch aan de normen van het Beh.

3.3

Appellante meent ten slotte dat zij op de zitting met verweerder is overeengekomen dat zij aan het Beh voldoet door de interne saldering en dat verweerder daarom een voor de beoordeling van de aanvraag benodigde berekening van de geurscore laat uitvoeren om te bepalen of de varkenshouderij aan de in de Regeling vereiste minimale geurscore van 0,4 voldoet. Dat verweerder na de zitting een ander standpunt heeft ingenomen, is volgens appellante te laat en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Standpunt verweer

4.1

Verweerder voert aan dat appellante niet voldoet aan de subsidievoorwaarden, zoals bepaald in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Regeling. Op 1 januari 2020 was de omgevingsvergunning milieu nog niet verleend en was de luchtwasser evenmin geïnstalleerd. Dit betekent, volgens verweerder, dat de huisvestingssystemen op de varkenshouderij evenmin voldoen aan de tot 1 januari 2020 geldende vereisten van het Beh.

4.2

Wat betreft de beroepsgrond dat op de varkenshouderij sprake is van interne saldering, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Beh, wijst verweerder erop dat appellante niet beschikt over een geldige omgevingsvergunning milieu. Deze subsidievoorwaarde kan volgens verweerder niet opzij worden geschoven door de mogelijkheid van interne saldering. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat pas wordt voldaan aan interne saldering als het aantal beschikbare dierplaatsen in teruggebracht en niet als alleen het aantal gehouden dieren is teruggebracht.

4.3

Omdat appellante niet beschikt over een omgevingsvergunning milieu en omdat geen sprake is van interne saldering, moet verweerder de aanvraag afwijzen en komt hij niet toe aan de berekening van de geurscore.

Beoordeling door het College

5.1

Het College stelt voorop dat, anders dan appellante stelt, partijen niet ter zitting zijn overeengekomen dat appellante voldoet aan de regels voor interne saldering. Op de zitting heeft verweerder enkel ingestemd met het doen van nader onderzoek naar de situatie op de varkenshouderij van appellante. Er is dan ook geen sprake van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

5.2

Verder stelt het College vast dat appellante niet beschikt over een omgevingsvergunning milieu of een omgevingsvergunning beperkte milieutoets die voldoet aan de vereisten die het Beh tot 1 januari 2020 stelde. Dat is door appellante ook niet betwist. Dit betekent dat de eerstgenoemde afwijzingsgrond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling van toepassing is. Daar komt bij dat in het geval van appellante ook de tweede afwijzingsgrond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling van toepassing is. De huisvestingssystemen op de varkenshouderij van appellante voldoen namelijk ook niet aan de vereisten, die het Beh tot 1 januari 2020 stelde. Verweerder heeft, mede aan de hand van een verklaring van de Omgevingsdienst Brabant Noord, terecht vastgesteld dat appellante niet aan de regels van interne saldering voldoet, omdat zij het aantal varkensplaatsen niet heeft teruggebracht. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, tweede lid, van het Beh, waarin wordt uitgegaan van huisvestingssystemen, en niet van het aantal gehouden dieren. Het College verwijst in dit verband ook naar de toelichting op deze bepaling (Stb. 2015, 266), waaruit eveneens blijkt dat niet het aantal gehouden dieren bepalend is voor de interne saldering, maar de emissiewaarden van de huisvestingssystemen van de dierenverblijven:

“In dit lid is de bepaling over intern salderen opgenomen. Interne saldering betekent dat wanneer in één of meerdere huisvestingssystemen binnen de inrichting een techniek wordt toegepast die een lagere emissie tot gevolg heeft dan wettelijk vereist is, de overige huisvestingssystemen niet behoeven te worden aangepast, op voorwaarde dat tenminste dezelfde reductie wordt bereikt als wanneer de huisvestingssystemen afzonderlijk zouden voldoen aan de maximale emissiewaarden. In de praktijk is er met name in de varkenshouderij uit kostenoverwegingen voor gekozen om de bestaande huisvestingssystemen niet aan te passen, maar in plaats daarvan in een nieuw huisvestingssysteem (en gelijktijdige uitbreiding van de veestapel) een verdergaande emissiereducerende techniek toe te passen en op die wijze te voldoen aan de maximale emissiewaarden. Dit intern salderen is alleen mogelijk bij huisvestingssystemen die deel uitmaken van een dierenverblijf dat vóór 1 januari 2007 is opgericht.

In dit artikellid is, in afwijking van de regeling in het ingetrokken Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (artikel 2, tweede lid) bepaald dat de maximale emissiewaarde niet van toepassing is voor een dierenverblijf dat voor 1 januari 2007 is opgericht als wordt voldaan aan de eis van intern salderen. Deze formulering sluit beter aan op het eerste lid en het effect is hetzelfde.

Daarnaast is in tegenstelling tot het ingetrokken besluit de eis van opgericht (aanwezig) gekoppeld aan dierenverblijf en niet aan huisvestingssysteem. Hiermee wordt de inhoud van deze bepaling in overeenstemming gebracht met de oorspronkelijke bedoeling ervan. De mogelijkheid van intern salderen (ingevoerd bij de wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij in 2007, Stb. 2007, 103), is namelijk specifiek bedoeld om te voorkomen dat kostbare investeringen zouden moeten worden gedaan in bestaande dierenverblijven.”

In de door appellante genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016 heeft de Afdeling alleen maar vastgesteld dat niet gebleken is dat er daadwerkelijk minder dieren werden gehouden en is de Afdeling niet toegekomen aan de betekenis van het (alleen) houden van minder dieren. Deze uitspraak ondersteunt het standpunt van appellante dus niet.

5.3

Gezien het voorgaande was verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehouden de aanvraag van appellante af te wijzen. De overige beroepsgronden van appellante maken deze conclusie niet anders. Om die reden bespreekt het College deze gronden niet.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat appellante geen gelijk krijgt. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. H.O. Kerkmeester en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2022.

w.g. J.H. de Wildt w.g. C.M.J. Rouwers