Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:511

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
09-08-2022
Zaaknummer
21/315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:21, eerste en tweede lid, van de Awb; artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van het Handelsregisterbesluit 2008.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de inschrijving van de opgave door haar bewindvoerder tot uitschrijving van haar onderneming. Appellante is niet ter zitting verschenen en uit de stukken in het dossier blijkt niet dat appellante in dit geding tot redelijke waardering van haar belangen - als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb - in staat kan worden geacht. Het beroep van appellante is niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 2007
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/315

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , appellante

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerster de opgave van mevrouw [naam 2] (bewindvoerder), handelend als bewindvoerder van appellante, tot uitschrijving van de onderneming van appellante ingeschreven in het handelsregister vanaf 24 januari 2021.

Bij besluit van 19 februari 2021(het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Per brieven van 21 juli 2021, 31 maart 2022 en 4 mei 2022 heeft het College inlichtingen verzocht van de bewindvoerder. Per brieven van 27 juli 2021, 22 april 2022 en 2 juni 2022 heeft de bewindvoerder hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2022. Appellante en de bewindvoerder zijn niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op verzoek van de GGD heeft de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland (kantonrechter) bij beschikking van 3 november 2020 de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan appellante - op grond van artikel 431, eerste lid, aanhef en onder a, van Boek 1, Titel 19, van het Burgerlijk Wetboek (BW) - onder bewind gesteld wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van appellante, en de bewindvoerder benoemd (de rechterlijke beschikking tot onderbewindstelling).

1.2

Op 22 januari 2021 heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder aangaande een wijziging van haar beschikkingshandeling tot opheffing van de onderneming van appellante wegens problematische schulden toegewezen (de rechterlijke toestemming tot uitschrijving van de onderneming van appellante).

1.3

Op 24 januari 2021 heeft de bewindvoerder aan het handelsregister opgave gedaan tot registratie van de onderbewindstelling van appellante en uitschrijving van de onderneming van appellante (de opgave).

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerster de opgave in het handelsregister ingeschreven. Tevens heeft verweerster de bewindvoerder op 4 februari 2021 als bewindvoerder van de onderneming van appellante ingeschreven in het handelsregister.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Beoordeling

3. Appellante voert in beroep aan dat verweerster de opgave tot uitschrijving van haar onderneming ten onrechte heeft ingeschreven en verzoekt om herinschrijving van haar onderneming in het handelsregister. Zij voert daartoe aan dat de rechterlijke beschikking tot onderbewindstelling op onwaarheden is gebaseerd, omdat zij volledig gezond is en haar administratie naar behoren kan uitvoeren. Daarnaast voert zij aan dat zij een bestaande productverkoopovereenkomst heeft en een aantal actieve online webshops in de detailhandel. Haar onderneming is de enige bron van inkomsten waarmee zij uitstaande schulden kan voldoen.

4. Verweerster stelt zich in haar verweerschrift op het standpunt dat zij niet verplicht is tot (her)inschrijving van de onderneming van appellante, omdat uit het primaire besluit blijkt dat de onderneming van appellante is uitgeschreven en niet blijkt dat het bewind van de bewindvoerder is opgeheven of dat er een volop actieve onderneming is. Daarnaast voert verweerster aan dat de bewindvoerder de onderneming van appellante, met toestemming van de kantonrechter, heeft laten uitschrijven op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb), zodat appellante haar schuldenlast niet zou vergoten.

5.1

Het College dient allereerst – ambtshalve – de vraag te beantwoorden of het beroep van appellante ontvankelijk is.

5.2

Artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover hier van belang, dat natuurlijke personen, die onbekwaam zijn om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. Het tweede lid bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.

5.3

Omdat bij de rechterlijke beschikking tot onderbewindstelling de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan appellante, onder bewind zijn gesteld en haar bewindvoerder haar niet vertegenwoordigt, is appellante onbekwaam om deze procedure te voeren, tenzij zij tot redelijke waardering van haar belangen in staat kan worden geacht. Appellante is niet ter zitting verschenen en uit de stukken in het dossier blijkt niet dat appellante in dit geding tot redelijke waardering van haar belangen in staat kan worden geacht. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat appellante in beroep de noodzaak tot bewindvoering betwist en dat zij opkomt tegen de uitschrijving van haar onderneming, terwijl die uitschrijving juist op verzoek van haar bewindvoerder, die in haar belang geacht wordt te handelen, en na toestemming van de kantonrechter heeft plaatsgevonden. Zonder nadere toelichting van appellante, die ontbreekt, ziet het College in deze omstandigheden een belemmering voor het aannemen van procesbekwaamheid.

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het College niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van appellante.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. A. Venekamp en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 augustus 2022.

w.g. M. van Duuren w.g. L. ten Hove