Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:481

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-07-2022
Datum publicatie
28-07-2022
Zaaknummer
22/1071 en 22/1072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Last onder dwangsom en last onder bestuursdwang.

Artikel 1.6, eerste en derde lid van het Besluit houders van dieren.

Behuizing van cavia’s en kanaries. De indruk is dat verweerder verzoeker vooral verwijt dat een schuilmogelijkheid ontbreekt die de cavia’s de mogelijkheid biedt zich daarin terug te trekken als zij gevaar van een roofdier ervaren. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter zeer de vraag of artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren daartoe verplicht, indien en voor zover de cavia’s in hun behuizing voldoende onbereikbaar zijn voor roofdieren. Tegelijk sluit de voorzieningenrechter niet uit dat verweerder in de beslissing op bezwaar (toch) overtuigend motiveert dat de caviabehuizing niet voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. Het aanbrengen van een schuilmogelijkheid in het caviahok is een kleine ingreep en de daarmee samenhangende kosten zijn gering.

Dat maakt dat de voorzieningenrechter in dit stadium onvoldoende zwaarwegend belang ziet om de maatregel te schorsen.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 22/1071 en 22/1072

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juli 2022 in de zaak tussen

[naam 1] , verzoeker,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2022 (besluit I) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 13 juni 2022 (besluit II) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd.

Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2022. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn voor verweerder verschenen ing. [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Overwegingen

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de voorzieningenrechter in deze uitspraak een oordeel geeft over de rechtmatigheid van de primaire besluiten, is dat een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

Besluit I (last onder dwangsom)

Op 7 april 2022 hebben toezichthouders over de situatie in en bij de woning van verzoeker – voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd:

‘• verzoeker heeft de kattenbakken onvoldoende schoon gehouden en er ligt ontlasting buiten de kattenbakken. (…)

• De huisvesting van zijn katten, cavia's, kanaries en moederhond gehuisvest in de ren is vervuild met ontlasting. (…)

• De katten die verzoeker huisvest in benches hebben geen krabgelegenheden en verzoeker houdt deze in een stimulus-arme omgeving. De katten in het grote hok aan de rechterkant achter in de cattery binnen hebben een natte vloer vanwege het kapotte kozijn waardoor water naar binnen loopt en zijn cavia's beschikken niet over schuilmogelijkheden. (…)

• Verzoeker houdt zijn kanaries in tentoonstellings/beurskooitjes die niet geschikt zijn voor permanente huisvesting. In deze verblijven hebben zijn kanaries niet de mogelijkheid om te kunnen vliegen. (…)

• Het schuilhok van zijn poes in het grote buitenverblijf staat in de wind en deze poes heeft daardoor niet de mogelijkheid om uit de wind te liggen. (…)

• Het kattenverblijf in de grote ruimte waar verzoeker vijf katten huisvest heeft een gleuf die moeilijk dagelijks te reinigen en te ontsmetten is. (…)’

Verweerder ziet daarin diverse overtredingen van de Wet dieren en heeft daarom bij brief van 22 april 2022 zijn voornemen geuit een last onder dwangsom op te leggen.

Verzoeker heeft hierop bij brief van 28 april 2022 gereageerd.

Verzoeker heeft aangevoerd dat nu verweerder bij zijn besluitvorming geen acht heeft geslagen op zijn zienswijze, de last onder dwangsom zal moeten vervallen.

Verweerder heeft erkend dat de brief van 28 april 2022 als bezwaarschrift is aangemerkt in plaats van als zienswijze en daarom niet is betrokken bij het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom.

Anders dan verzoeker meent, heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter deze door verweerder gemaakte procedurele fout niet tot gevolg dat de last onder dwangsom komt te vervallen. De reden is dat verweerder deze fout in bezwaar kan herstellen en niet is gebleken dat dit verzoeker in zijn belangen schaadt.

Bij besluit I heeft verweerder de volgende zes maatregelen opgelegd, waarbij verzoeker de maatregelen 1 t/m 4 moet nemen vóór 10 mei 2022, de maatregel 5 vóór 17 mei 2022 en maatregel 6 vóór 7 juni 2022:

1. Zorg voor schone kattenbakken. Verwijder onder andere de aanwezige

ontlasting en urine.

2. Zorg dat uw katten, cavia's, kanaries en moederhond altijd een schone, droge

en hygiënische huisvesting hebben. Verwijder onder andere de aanwezige

ontlasting en urine en reinig de ruimtes goed.

3. Zorg dat de verblijven van uw katten en cavia's geschikt zijn voor de diersoort

die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden

kunnen worden en zij aan hun soort-specifieke behoefte kunnen voldoen.

4. Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw kanaries niet zodanig beperkt dat uw

kanaries hierdoor onnodig lijden en/of letsel wordt toegebracht.

5. Zorg ervoor dat u uw poes in het grote buitenverblijf een droge huisvesting

geeft waarin uw poes beschermd is tegen nadelige weersinvloeden zoals wind. Het

schuilhok dient vrij toegankelijk te zijn voor uw poes.

6. Zorg ervoor dat u het kattenverblijf waarin u uw vijf katten houdt eenvoudig

kunt reinigen en ontsmetten.

Als verzoeker aan die maatregelen niet (tijdig) voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 250,- per overtreding.

Besluit I mist de in artikel 5:32b, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste maximering. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij het maximum van de dwangsom in de beslissing op bezwaar op € 500,- zal maximeren.

Bij de (her)controle op 12 mei 2022 heeft de toezichthouder geconstateerd dat verzoeker toen aan de maatregelen 1, 2 en 5 had voldaan. De begunstigingstermijn voor maatregel 6 was op dat moment nog niet verstreken.

Partijen zijn het er over eens dat verzoeker op 12 mei 2022 niet aan de maatregelen 3 en 4 had voldaan. Verzoeker is het met die maatregelen niet eens en hij is ook niet van plan om daaraan te (gaan) voldoen. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat, als het opgelegde dwangsombesluit (uiteindelijk) stand houdt, eiser de maximale dwangsom heeft verbeurd. De door verzoeker gevraagde schorsing van besluit I zal daarin geen verandering (kunnen) brengen. Daarmee ontbreekt voor die gevraagde voorlopige voorziening een (spoedeisend) belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt en daarom wijst de voorzieningenrechter dat verzoek (22/1071) af.

Ten aanzien van besluit II van 13 juni 2022 (last onder bestuursdwang)

Met het besluit II heeft verweerder aan verzoeker de volgende drie maatregelen opgelegd, waarbij verzoeker maatregel 1 in stand dient te houden en de maatregelen 2 en 3 moet nemen vóór 21 juni 2022:

1. hij moet zorgen dat de katten, cavia’s, kanaries en moederhond altijd een schone,

droge en hygiënische huisvesting hebben.

2. hij moet zorgen dat de verblijven van zijn cavia’s geschikt zijn voor de diersoort die hij hierin houdt. Zo zorgt hij ervoor dat zijn dieren op de juiste wijze gehouden

kunnen worden en zij aan hun soort-specifieke behoefte kunnen voldoen.

3. hij moet zorgen dat hij de bewegingsvrijheid van zijn kanaries niet zodanig beperkt dat zijn kanaries hierdoor onnodig lijden en/of letsel wordt toegebracht.

Partijen zijn het er over eens dat verzoeker bij de controle op 12 mei 2022 had voldaan aan maatregel 1 en daarom ontbreekt thans een belang tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Wel zal verweerder in de beslissing op bezwaar nader dienen te motiveren waarom hij desondanks maatregel 1 als een last onder bestuursdwang oplegt.

Maatregel 3 heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht aan verzoeker opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.6, eerste lid van het Besluit houders van dieren, omdat de (tentoonstellings)kooitjes waarin verzoeker zijn kanaries houdt, als permanente behuizing te klein zijn. De vogels kunnen daardoor in de kooi niet vliegen.

Maatregel 2 heeft verweerder opgelegd, omdat in het hok van de door verzoeker (buiten) gehouden cavia’s een schuilmogelijkheid ontbreekt. Daardoor beschikken zij niet over een overdekte schuilplaats. Dat het buitenverblijf onder een afdak staat, is daartoe niet voldoende. Omdat cavia’s prooidieren zijn, is het voor hen belangrijk buiten bij (verondersteld) gevaar in een overdekte schuilplaats te kunnen schuilen.

Verweerder baseert maatregel 2 op overtreding van artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren. Daarin staat voor buiten gehouden dieren de norm dat zij

zijn beschermd tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.

De voorzieningenrechter heeft de nodige twijfel aan de houdbaarheid van dat standpunt. Verzoeker heeft namelijk aangevoerd dat het caviahok onder een afdak is geplaatst en in de toezichtsrapporten valt niet te lezen dat dit ontoereikend is om de cavia’s tegen weersomstandigheden te beschermen. De indruk is dat verweerder verzoeker vooral verwijt dat een schuilmogelijkheid ontbreekt die de cavia’s de mogelijkheid biedt zich daarin terug te trekken als zij gevaar van een roofdier ervaren. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter zeer de vraag of artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren daartoe verplicht, indien en voor zover de cavia’s in hun behuizing voldoende onbereikbaar zijn voor roofdieren.

Maatregel 2 behoeft dus bepaald een nadere motivering. Tegelijk sluit de voorzieningenrechter niet uit dat verweerder in de beslissing op bezwaar (toch) overtuigend motiveert dat de caviabehuizing niet voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. Het aanbrengen van een schuilmogelijkheid in het caviahok is een kleine ingreep en de daarmee samenhangende kosten zijn gering. Dat maakt dat de voorzieningenrechter in dit stadium onvoldoende zwaarwegend belang ziet om maatregel 2 te schorsen.

De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de last onder bestuursdwang ten aanzien van de maatregelen 2 en 3 te schorsen en zal daarom ook dit verzoek om een voorlopige voorziening (22/1072) afwijzen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2022.

De voorzieningenrechter is verhinderd w.g. Egter van Wissekerke

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: