Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:4

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
20/587
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Appellante houdt mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar dat bestemd is voor de vleesveehouderij (fokstiertjes). Deze dieren kwalificeren niet als melkvee in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw, terecht geen fosfaatrecht voor de fokstiertjes vastgesteld.

Dat de fokstiertjes eventueel kunnen worden ingedeeld in diercategorie 101 als bedoeld in tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling maakt dit niet anders, nu daarmee het excretieforfait wordt bepaald en daaruit niet volgt of er fosfaatrecht voor de dieren moet worden vastgesteld. Het College verklaart het beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/587

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: ing. J. Pot),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: C. Zieleman),

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.424 kg.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 1 oktober 2018 heeft verweerder het primaire besluit herzien, dit besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.476 kg.

Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft verweerder het besluit van 1 oktober 2018 herzien en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.775 kg.

Bij besluit van 6 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit – dat op grond van artikel 6:19, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede betrekking te hebben op het besluit van 10 oktober 2019 – gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 10 oktober 2019 herroepen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.797 kg.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

In verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is de Staat in de procedure betrokken.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw wordt het op het bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 door de minister vastgesteld, overeenkomstig de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 (de peildatum) op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd.

1.2

Het begrip "melkvee" is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw en omvat, voor zover hier van belang:

2°. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar.

1.3

In tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) is, voor zover hier van belang, de volgende diercategorie opgenomen:

- jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar, met diernummer 101.

Feiten

2. Appellante exploiteert een vleesvee- en zoogkoeienhouderij.

Het bestreden besluit

3. Het fosfaatrecht van appellante is in het bestreden besluit vastgesteld op 1.797 kg. Verweerder heeft daarbij op de peildatum 16 stuks (vrouwelijk) jongvee jonger dan 1 jaar en 75 stuks jongvee van 1 jaar en ouder in aanmerking genomen. De 26 stuks mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar heeft verweerder buiten beschouwing gelaten, omdat niet gebleken is dat appellante deze dieren aanhield voor de melkveehouderij.

Beroepsgronden

4. Appellante stelt dat verweerder de 26 stuks jongvee jonger dan 1 jaar die zij op de peildatum op haar bedrijf hield, ten onrechte niet heeft meegeteld bij de vaststelling van haar fosfaatrecht. Het gaat hier om fokstiertjes voor de vleesveehouderij en deze dieren vallen niet onder de term melkvee als genoemd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw. Appellante verwijst naar de toelichting bij tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling. Daar staat dat, wanneer de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie, forfaits moeten worden gehanteerd van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie. In dit geval sluit diercategorie 101 het best aan bij de situatie van de fokstiertjes, aangezien vrouwelijke opfokkalveren tot 1 jaar die bestemd voor de vleesveehouderij en mannelijke opfokstieren jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij – die voor hetzelfde doel ingezet worden, namelijk voor het opfokken – daar ook onder vallen. De indeling in categorie 101 moet ertoe leiden dat mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar dat bestemd is voor de vleesveehouderij ook onder de definitie van melkvee valt, namelijk onder artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, sub b van de Msw. Appellante concludeert dan ook dat de fokstiertjes moeten worden meegeteld bij de vaststelling van haar fosfaatrecht.

Verder merkt appellante op dat de verhouding vrouwelijk en mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar op de peildatum scheef was (respectievelijk 16 en 26 stuks) en dat zij, nu ze geen fosfaatrecht toegekend krijgt voor de fokstiertjes, moet gaan snijden in haar veebestand. Appellante wordt hierdoor onevenredig getroffen en doet daarom een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Ten slotte verzoekt appellante om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar bestemd voor de vleesveehouderij niet onder de definitie van melkvee valt en dat er daarom terecht geen fosfaatrecht aan de fokstiertjes zijn toegekend. Volgens verweerder is irrelevant in welke categorie ze vallen van tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling. Die categorieën zijn bedoeld om excretieforfaits vast te stellen en niet om te bepalen of er fosfaatrecht wordt toegekend. Wat betreft het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel, merkt verweerder op dat de verdeling ieder jaar kan verschillen, omdat de natuur zich niet laat leiden. Zelfs als wordt uitgegaan van de hypothetische situatie dat het aantal mannelijk en vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar op de peildatum binnen appellantes bedrijf evenredig was verdeeld, dan had dit geleid tot 48 kg extra fosfaatrecht. Dit is nog geen 3% van het totaal. Verweerder acht dit, mede gelet op de doelstelling van het fosfaatrechtenstelsel, niet onevenredig. Ten slotte schikt verweerder zich naar het oordeel van het College over de immateriële schadevergoeding.

Beoordeling

6.1

Het College oordeelt dat voor de 26 fokstiertjes van appellante terecht geen fosfaatrecht is toegekend. Deze fokstiertjes, jonger dan één jaar en bestemd voor de vleesveehouderij, vallen niet onder de definitie van het begrip melkvee in de Msw. Appellante heeft gelijk dat er geen direct passende categorie voor deze fokstiertjes bestaat in tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling. Een eventuele indeling van de fokstiertjes in de meest passende categorie 101 leidt echter niet tot de conclusie dat zij daarom ook als melkvee moeten worden aangemerkt op grond van de Msw. De diercategorieën van de Uitvoeringsregeling bepalen welk excretieforfait van toepassing is en schrijven niet voor of er fosfaatrecht voor deze dieren moet worden toegekend. Over laatstgenoemde gaat artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw. Zoals appellante erkent, staat jongvee jonger dan 1 jaar dat wordt gehouden voor de vleesveehouderij niet genoemd in onderdeel kk. De 26 fokstiertjes vallen daarmee niet onder de wettelijke definitie van melkvee als gevolg waarvan verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw, terecht geen fosfaatrecht voor deze dieren heeft vastgesteld. Het niet toekennen van fosfaatrecht voor de fokstiertjes leidt naar het oordeel van het College evenmin tot een evidente onredelijkheid waarvoor de wet moet worden opzijgezet. De hoeveelheid mannelijk en vrouwelijk jongvee fluctueert weliswaar op appellantes bedrijf, maar verweerder heeft daarover terecht opgemerkt dat, zelfs indien wordt uitgegaan van een evenredige verdeling, dit in appellantes geval had geleid tot 48 kg extra fosfaatrecht. Gelet op het totaal toegekende fosfaatrecht van 1.797 kg is daarmee naar het oordeel van het College geen sprake van een evidente onredelijkheid waarvoor de wet dient te worden opzijgezet.

6.2

Wat betreft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is van belang dat het hier gaat om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor immateriële schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De termijn van bezwaar en beroep is begonnen op de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen, 23 februari 2018, en is geëindigd op de datum waarop deze uitspraak is gedaan, 11 januari 2022. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) 22 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 2.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan verweerder als aan het College toe te rekenen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van 21 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant, een periode van een maand, wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom, op grond van artikel 8:88 van de Awb, verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.904,76 (20/21 x € 2.000,-) en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 95,24 (1/21 x € 2.000,-).

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 270,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, zullen verweerder en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van

€ 1.904,76;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 95,24;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 135,25;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 135,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, in aanwezigheid van mr. M.R. Broeze, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2022.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.