Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:361

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
20/894
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZK- en LNV-subsidies: artikel 2. Kaderbesluit nationale EZ-subsidies: artikel 22. Regeling nationale EZ-subsidies: artikel 4.5.12.

Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:143), is in artikel 4.5.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling dwingend voorgeschreven dat een te laat ingediende aanvraag om subsidie moet worden afgewezen. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt verweerder daarom geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De omstandigheid dat appellant pas in april 2020 de voor de aanvraag benodigde documenten van de aannemer heeft ontvangen, kan geen rol spelen. Verweerder was gehouden de aanvraag van appellant af te wijzen. Het beroep dat appellante heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZK- en LNV-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/894

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2022 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een subsidie voor een warmtepomp op grond van Titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie van de Regeling nationale EZ-subsidies (de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2022. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant heeft subsidie aangevraagd voor de warmtepomp in zijn nieuwbouw woning. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat in de Regeling is bepaald dat de aanvraag binnen zes maanden na installatie van de waterpomp moet worden ingediend en appellant zijn aanvraag pas na die zes maanden heeft gedaan. Appellant is het daar niet mee eens. Hij heeft de aanvraag niet binnen de termijn ingediend omdat hij lang heeft moeten wachten op de voor de aanvraag benodigde documenten die zijn aannemer had. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn beide buren de subsidie wel hebben gekregen. Appellant vindt dat niet eerlijk en vindt dat verweerder zijn aanvraag dan ook moet toewijzen.

2. Volgens verweerder is het appellants eigen verantwoordelijkheid om de aanvraag tijdig in te dienen. Daarom houdt hij er geen rekening mee dat appellant pas na afloop van de wettelijke termijn van zijn aannemer de voor de subsidieaanvraag benodigde documenten heeft ontvangen. Verweerder vindt ook niet dat hij appellante subsidie moet verlenen omdat de buren van appellant de subsidie wel gekregen hebben. Die buren hebben gelet op de opgegeven datum van oplevering van hun woningen hun subsidieaanvragen wel binnen de wettelijke termijn gedaan. En als die datum niet juist zou zijn en de andere aanvragers ten onrechte subsidie zouden hebben gekregen, is dat voor verweerder geen reden om ook aan appellant ten onrechte subsidie te verlenen.

3. De tekst van het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Verweerder gaat bij de beoordeling of een aanvraag voor subsidie voor een warmtepomp in een nieuwbouw woningen tijdig is ingediend uit van de datum van oplevering van de woning. De warmtepomp is weliswaar eerder geïnstalleerd, maar de installatiedatum is niet altijd bij de aanvragers bekend en zij kunnen pas vanaf het moment van oplevering over de warmtepomp beschikken.

5. De woning van appellant is op 2 oktober 2019 opgeleverd. De termijn om de aanvraag in te dienen liep in dit geval dus tot 2 april 2020. Appellant heeft de subsidieaanvraag pas daarna, namelijk op 22 april 2020 ingediend.

6. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:143), is in artikel 4.5.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling dwingend voorgeschreven dat een te laat ingediende aanvraag om subsidie moet worden afgewezen. De Regeling bevat geen hardheidsclausule en biedt verweerder daarom geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De omstandigheid dat appellant pas in april 2020 de voor de aanvraag benodigde documenten van de aannemer heeft ontvangen, kan geen rol spelen. Verweerder was gehouden de aanvraag van appellant af te wijzen.

7. Het beroep dat appellante heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Voor zover moet worden aangenomen dat de stelling van appellant dat de buren hun woning net als appellante op 2 oktober 2019 opgeleverd hebben gekregen, juist is, volgt daaruit niet zonder meer dat ook die aanvragen te laat zijn ingediend. Volgens verweerder zijn in de aanvragen van de betreffende buren latere data van oplevering vermeld, zodat de aanvragen tijdig zijn gedaan en er dus geen sprake is van dezelfde gevallen als die van appellant. Voor zover die toewijzingen onterecht zijn geweest omdat de aanvragers een latere datum dan de opleverdatum van de woning hebben vermeld, kan dat niet leiden tot toewijzing van de aanvraag van appellant. En zelfs als die aanvragen, net zoals de aanvraag van appellante, buiten de zes maandentermijn zouden zijn gedaan, kan een toewijzing daarvan niet leiden tot toewijzing van de aanvraag van appellante. Het is vaste jurisprudentie van het College dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een bestuursorgaan is gehouden een eerder in een beperkt aantal gevallen gemaakte fout te herhalen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:491 en de uitspraak van 13 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:215).

8. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de subsidieaanvraag van appellant terecht heeft afgewezen.

9. Het beroep van appellant is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. M. van Duuren en mr. O.L.H.W.I. Korte, in aanwezigheid van mr. M. Khababi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
5 juli 2022.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies is bepaald dat verweerder subsidies verstrekt voor activiteiten die passen in het beleid inzake energie en duurzaamheid.

In artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies is bepaald dat de Minister afwijzend beslist op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

In artikel 4.5.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling is bepaald dat de Minister afwijzend beslist op een aanvraag van een natuurlijke persoon ten behoeve van een installatie voor de productie van duurzame energie bestemd voor de eigen woning, indien de aanvraag later dan zes maanden na het installeren ervan is ingediend.