Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:356

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
21/638
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

GLB, percelen

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/638

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2022 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. Landbouwbedrijf [naam 2] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: J. Bongers)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. M.M.J. Hunting).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2020 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 10 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 mei 2022 heeft appellant een afschrift aan het College gezonden van een brief die hij naar verweerder heeft gestuurd.

Bij brief van 13 mei 2022 heeft verweerder, op verzoek van het College, gereageerd op de brief van appellant van 4 mei 2022.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2022. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Met de Gecombineerde opgave 2020 heeft appellant om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020 verzocht.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt voor deze uitbetaling. Verweerder heeft hierbij van de door appellant voor uitbetaling opgegeven oppervlakte van 159,38 hectare (ha) een oppervlakte van 139,66 ha in aanmerking genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het bedrag dat appellant ontvangt voor de basis- en vergroeningsbetaling verhoogd. Voor zover in beroep van belang heeft verweerder bij het bestreden besluit perceel 150 gesplitst in de percelen 150, 186 tot en met 192, 209, 211, 213, 214 en 219, omdat deze percelen hoofdzakelijk kunnen worden aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal, maar worden gescheiden door onbeteelde grond. Enkele delen van de percelen 150, 187 tot en met 192, 211 en 213 heeft verweerder niet subsidiabel geacht.

3. Appellant is het niet eens met de door verweerder doorgevoerde splitsing van perceel 150 in de percelen 150, 186 tot en met 192, 209, 211, 213, 214 en 219. Appellant betwist daarnaast de door verweerder vastgestelde oppervlakte van de percelen 150, 187 tot en met 192, 211 en 213, omdat deze percelen volgens hem volledig zijn aan te merken als subsidiabel landbouwareaal. De percelen bestaan grotendeels uit begraasbaar, natuurlijk weiland, waar voedergewassen voorkomen die niet anders zijn dan voedergewassen die voorkomen in andere natuurlijke graslanden in de omgeving. Het gebied kent wel schommelingen in het waterpeil, maar dit veroorzaakt geen langdurige hinder. Een en ander blijkt volgens appellant uit de door hem in bezwaar overgelegde foto’s van de jaren 2019 en 2020. Ook meent appellant dat verweerder teveel betalingsrechten heeft laten vervallen aan de Nationale reserve en dat bij het bestreden besluit een te hoge korting is opgelegd.

4. Het College moet de vragen beantwoorden of verweerder perceel 150 terecht heeft gesplitst in de percelen 150, 186 tot en met 192, 209, 211, 213, 214 en 219, of verweerder de oppervlakte van een groot deel van deze percelen vervolgens juist heeft geconstateerd, of er teveel betalingsrechten zijn komen te vervallen aan de Nationale reserve en of sprake is van een te hoge korting op de uitbetaling. Het College overweegt daartoe het volgende.

Percelen algemeen

5. Voor de vaststelling van het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder subsidiabele hectare wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013)). Onder ‘landbouwareaal’ wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland en blijvend weiland (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland en blijvend weiland wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen, en, indien lidstaten daartoe besluiten, die ten minste vijf jaar niet is omgeploegd; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, en, indien lidstaten daartoe besluiten, andere soorten, zoals struiken en/of bomen die diervoeder produceren, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen blijven overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013).

Splitsen van de percelen

6.1

Verweerder heeft perceel 150 gesplitst in de percelen 150, 186 tot en met 192, 209, 211, 213, 214 en 219, omdat hij delen van het door appellant opgegeven perceel 150 subsidiabel achtte, maar van mening was dat deze delen worden gescheiden door onbeteelde, niet subsidiabele grond.

6.2

Uit de door verweerder overgelegde en ter zitting getoonde luchtfoto’s en cyclomediabeelden leidt het College af dat voornoemde percelen van elkaar worden gescheiden door bruin ogende oppervlakten, waarop geen gewassen zichtbaar zijn. Het College acht de splitsing van perceel 150 in de percelen 150, 186 tot en met 192, 209, 211, 213, 214 en 219 dan ook terecht. Het College heeft bij dit oordeel geen waarde gehecht aan de door appellant in bezwaar overgelegde foto’s ter plaatse uit het jaar 2019, omdat deze foto’s niet zien op het aanvraagjaar in kwestie en het College foto’s uit het relevante aanvraagjaar in dit geval van belang acht. De foto’s uit het relevante jaar 2020 die appellant op zitting heeft getoond, kunnen echter aan het oordeel van het College ook niet afdoen. Met de enkel en dus voor het eerst ter zitting getoonde foto’s heeft appellant namelijk onvoldoende onderbouwd dat de afgekeurde gedeeltes tussen voornoemde percelen wel subsidiabel landbouwareaal betreffen.

De percelen 150, 187 tot en met 190, 192, 211 en 213

7.1

Uit de luchtfoto’s en cyclomediabeelden heeft verweerder afgeleid dat de noordoost- en oostzijde van perceel 150, de oost- en westzijde van perceel 189, de zuidzijde van perceel 190, de noordzijde van de percelen 187, 188 en 211, de oostzijde van perceel 192 en de noordwestzijde van perceel 213 onder water staan. Verweerder heeft deze perceelsgedeelten daarom niet aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal. Voor zover deze perceelsgedeelten slechts voor een deel van het jaar onder water staan, stelt verweerder dat voor het overige deel van het jaar ook geen sprake is van subsidiabel landbouwareaal, omdat de delen van de percelen gedurende het resterende tijdsbestek onbeteeld zijn. Appellant betwist dit.

7.2

Uit de door verweerder overgelegde luchtfoto’s en cyclomediabeelden leidt het College af dat de noordoost- en oostzijde van perceel 150, de noordzijde van de percelen 187, 188 en 211, de oost- en westzijde van perceel 189, de oostzijde van perceel 192 en de noordwestzijde van perceel 213 gedurende een periode een donkere kleur hebben in vergelijking met de goedkeurde delen van deze percelen. Ook wijkt de structuur van de afgekeurde delen af, nu deze ‘gladder’ oogt. Naar het oordeel van het College duidt het verschil in kleur en structuur op de aanwezigheid van water. Op het moment dat er op deze perceelsgedeelten geen water ligt, is de zichtbare oppervlakte bruin van kleur en zijn er geen gewassen op de delen zichtbaar. Het College is met verweerder van oordeel dat in zoverre sprake is van onbeteelde grond. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder voornoemde perceelsgedeelten terecht heeft afgekeurd. De foto’s van het jaar 2020 die appellant (enkel) ter zitting heeft getoond, kunnen niet afdoen aan dit oordeel, omdat hij daarmee het tegendeel niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

7.3

Ten aanzien van de door verweerder vastgestelde subsidiabiliteit van de zuidzijde van perceel 190 stelt het College vast dat het door verweerder overgelegde beeldmateriaal dit perceelsgedeelte niet duidelijk genoeg in beeld brengt. Het College concludeert dan ook dat verweerder de afkeuring van dit perceelsgedeelte in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voldoende heeft gemotiveerd.

Perceel 191

8.1

Verweerder heeft de noordzijde van perceel 191 niet aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal, omdat hij uit de luchtfoto’s en cyclomediabeelden heeft afgeleid dat op dit perceelsgedeelte water ligt. Voor zover de noordzijde van het perceel slechts voor een deel van het jaar onder water staat, stelt verweerder dat voor het overige deel van het jaar ook geen sprake is van subsidiabel landbouwareaal, omdat het perceelsgedeelte gedurende het resterende tijdsbestek onbeteeld is. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat aan de westzijde van perceel 191 een bomenrij staat, waarvan appellant een gedeelte heeft ingetekend. Appellant betwist de standpunten van verweerder.

8.2

Naar het oordeel van het College is op de luchtfoto’s en cyclomediabeelden zichtbaar dat aan de westzijde van perceel 191, aan de rand van het perceel, een bomenrij staat die appellant heeft ingetekend. Verweerder heeft dit perceelsgedeelte dan ook terecht niet aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal. Dat, zoals verweerder stelt, zich water aan de noordzijde van perceel 191 bevindt, kan op basis van het door verweerder overgelegde en ter zitting getoonde beeldmateriaal niet worden vastgesteld, omdat het beeldmateriaal dit perceelsgedeelte niet duidelijk genoeg in beeld brengt. Verweerder heeft de afkeuring van dit perceelsgedeelte in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet voldoende gemotiveerd.

Betalingsrechten en korting

9.1

Het College gaat bij de beroepsgronden van appellant over de vervallen betalingsrechten en de hoogte van de korting uit van de volgende feiten en omstandigheden. In het aanvraagjaar 2018 had appellant betalingsrechten uit de Nationale reserve aangevraagd. Oorspronkelijk had verweerder in dit kader 2,48 betalingsrechten aan appellant toegewezen. De gevoerde (rechterlijke) procedure over dit aantal betalingsrechten heeft er uiteindelijk toe geleid dat appellant 7,71 extra betalingsrechten toegewezen heeft gekregen uit de Nationale reserve. Verweerder heeft dit vastgesteld bij besluit van 7 december 2020.

9.2

Voor het aanvraagjaar 2019 had appellant verzocht om de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling, waarbij hij een aantal van zijn beschikbare betalingsrechten niet heeft benut. Verweerder heeft, naar aanleiding van een uitspraak van het College over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling, bij besluit van 7 januari 2022 vastgesteld dat appellant op 15 mei 2019 beschikte over 142,28 betalingsrechten, waarvan hij er 11,28 niet heeft benut.

9.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat appellant op 15 mei 2020 over 150,93 betalingsrechten beschikte. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, naar aanleiding van het besluit van 7 december 2020 dat nog niet was meegenomen in het primaire besluit, vastgesteld dat appellant op 15 mei 2020 beschikte over 158,64 betalingsrechten, waarvan hij er voor de uitbetaling 11,41 niet heeft benut. Verweerder heeft – uit coulance – van dit aantal niet benutte betalingsrechten echter 7,71 betalingsrechten afgetrokken, omdat appellant deze betalingsrechten tot dusver nog niet had kunnen activeren voor het jaar 2020. Een en ander maakt uiteindelijk dat appellant 3,70 betalingsrechten in plaats van 11,41 betalingsrechten niet heeft benut in 2020. Aangezien appellant deze betalingsrechten twee opeenvolgende jaren niet heeft benut, dienen deze 3,70 betalingsrechten volgens verweerder te vervallen aan de Nationale reserve.

10. In zijn beroepschrift stelt appellant zich op het standpunt dat er bij het bestreden besluit 6,58 betalingsrechten opnieuw geactiveerd hadden moeten worden en niet 6,87 betalingsrechten. Appellant heeft deze beroepsgrond ter zitting ingetrokken, omdat hem duidelijk is geworden dat er 6,58 betalingsrechten opnieuw zijn geactiveerd. Het College zal dit dan ook verder niet bespreken.

11.1

Appellant stelt zich daarnaast op het standpunt dat er minder dan 3,70 betalingsrechten behoren te vervallen aan de Nationale reserve, omdat verweerder bij besluit van 7 januari 2022 uiteindelijk een grotere oppervlakte in aanmerking heeft genomen voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019. Dit maakt dat er in 2019 onder de streep meer betalingsrechten zijn benut, waardoor minder betalingsrechten twee opeenvolgende jaren (gerekend vanaf het jaar 2018) niet zijn benut.

11.2

Volgens verweerder doet het feit dat er in 2019 uiteindelijk minder betalingsrechten onbenut zijn gelaten, niet af aan het vervallen van 3,70 betalingsrechten in het jaar 2020. De onbenutte 3,70 betalingsrechten in het jaar 2020 waren in het jaar 2019 ook al niet benut.

11.3

Het College ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitleg van verweerder in dezen onjuist is. De beroepsgrond van appellant slaagt dan ook niet.

12.1

Tot slot voert appellant in het kader van de korting aan dat verweerder bij het bestreden besluit niet mocht uitgaan van een aantal betalingsrechten van 158,64 op 15 mei 2020, aangezien dit voor hem via de gecorrigeerde opgegeven oppervlakte op een nadelige wijze van invloed is geweest op de opgelegde korting. Verweerder betwist dit.

12.2

Bij het opleggen van de korting heeft verweerder in het bestreden besluit, op basis van artikel 19bis, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden, het verschil tussen de (bij het bestreden besluit) in aanmerking genomen oppervlakte van 146,24 ha en de gecorrigeerde opgegeven oppervlakte van 158,64 ha als uitgangspunt genomen. Naar het College begrijpt is verweerder tot een gecorrigeerde opgegeven oppervlakte van 158,64 ha gekomen op basis van het aantal betalingsrechten waarover appellant, na toewijzing van de ‘extra’ 7,71 betalingsrechten, op 15 mei 2020 uiteindelijk beschikte.

12.3

Het College stelt vast dat de opgelegde korting, doordat is uitgegaan van een aantal van 158,64 betalingsrechten hetgeen van invloed is op de gecorrigeerde opgegeven oppervlakte, voor appellant bij het bestreden besluit hoger is geworden dan bij het primaire besluit. Appellant lijkt daardoor ten gevolge van zijn bezwaar in een nadelige positie te zijn gekomen. Het College is van oordeel dat door verweerder onvoldoende is gemotiveerd op welke grondslag deze korting in het bestreden besluit hoger mocht worden vastgesteld. Verweerder heeft dit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet voldoende gemotiveerd.

Conclusie

13. Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.3, 8.2 en 12.3 is het beroep van appellant gegrond. Aangezien het College niet zelf in de zaak kan voorzien, zal het College het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. Het College zal verweerder verder veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.