Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:15

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
20/546
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar en het mannelijk jongvee ouder dan 1 jaar in respectievelijk diercategorie 101 en 102 thuis horen. Anders dan appellante stelt ziet het College niet dat deze uitleg van artikel 1, onder kk, van de Msw, zich niet zou verdragen met artikel 1 van het EP. Het College verwijst naar de overwegingen in de aangehaalde uitspraken van 25 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:244) waarin is ingegaan op de diverse categorieën. Ook is er geen sprake van een schending van artikel 1 van het EP. Schadevergoeding in verband met overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante lager vastgesteld.

Bij besluit van 11 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het herzieningsbesluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante verhoogd.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2021. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 1, aanhef, onder kk, van de Msw wordt verstaan onder melkvee:

1°. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2°. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar en

3°. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een rundveehouderij. Per 1 januari 2012 heeft de eenmanszaak van [naam 3] het bedrijf overgedragen aan de maatschap [naam 1] , appellante. Zij staat in de KvK ingeschreven met onder meer de SBI-codes voor het houden van melkvee, overig vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijven en opfokken van jongvee voor de melkveehouderij.

2.2

Op 1 april 2014 heeft de eenmanszaak in de gecombineerde opgave 2014 aangegeven de volgende dieren te houden: 21 melk- en kalfkoeien, 28 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, 7 stuks mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, 35 stuks vrouwelijk jongvee ouder dan 1 jaar voor de vleesproductie, 33 stuks mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar voor de vleesproductie, 19 stuks mannelijk jongvee ouder dan 1 jaar voor de vleesproductie en 48 overige koeien.

2.3

Appellante heeft in de gecombineerde opgave 2015 aangegeven de volgende dieren te houden: 19 melk- en kalfkoeien, 21 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, 39 stuks vrouwelijk jongvee ouder dan 1 jaar voor de vleesproductie, 21 stuks mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar voor de vleesproductie, 34 stuks mannelijk jongvee ouder dan 1 jaar voor de vleesproductie en 41 overige koeien. Ook heeft zij aangegeven dat haar bedrijf onder de SBI-codes valt voor, hier van belang, het fokken en houden van melkvee, het fokken en houden van runderen (geen melkvee).

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante in het primaire besluit vastgesteld op 2.949 kg. Hij is daarbij uitgegaan van 61 melk- en kalfkoeien, 26 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 33 stuks jongvee ouder dan 1 jaar die op 2 juli 2015 zouden zijn gehouden. In het herzieningsbesluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante verlaagd naar 2.915 kg. Hij is hierbij uitgegaan van 61 melk- en kalfkoeien, 27 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 31 stuks jongvee ouder dan 1 jaar die op 2 juli 2015 zouden zijn gehouden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het herzieningsbesluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld op 2.960 kg. Hij is hierbij uitgegaan van 62 melk- en kalfkoeien, 26 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 32 stuks jongvee ouder dan 1 jaar.

Beroepsgronden

4.1

Appellante betoogt dat zij ook fosfaatrecht dient te krijgen voor 30 mannelijke kalveren tot 1 jaar en 30 mannelijke dieren vanaf 1 jaar. Zij wijst er in dat verband op dat alle stierkalveren door appellante worden aangehouden omdat zij fokt met eigen stieren welke gebruikt worden om de vrouwelijke dieren drachtig te maken. Daarmee worden de stieren gehouden voor de fokkerij en zijn zij geen vleesstieren. Volgens appellante volgt ook uit het woord “en” tussen sub 2 en sub 3 van artikel 1, onder kk, van de Msw, dat al het mannelijk jongvee (zowel sub 2 als 3) onder de definitie van melkvee valt, ongeacht of het bestemd is voor de melkveehouderij, met uitzondering van de in de laatste zinsnede sub 3 genoemde roodvleesstieren en fokstieren.

4.2

Appellante doet in dat verband ook een beroep op artikel 1 van het EP. Zij kan namelijk geen invloed uitoefenen op het aantal mannelijke en vrouwelijke dieren dat op het bedrijf wordt geboren. Ter onderbouwing van de gestelde individuele en buitensporige last heeft appellante een persoonlijke beschrijving van haar situatie overgelegd. Appellante geeft in deze beschrijving aan in een bijzondere situatie te verkeren doordat het bedrijf sinds 2001 volgens het bestemmingsplan plaats moet maken voor een waterberging. De gemeente heeft om die reden geen medewerking meer verleend voor het verlenen van vergunningen en het bedrijf van appellante is op slot komen te zitten. In 2011 is de zoon van [naam 2] tot de maatschap toegetreden en heeft appellante het voornemen gehad om van 63 melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee te groeien naar 100 melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee. Hiervoor is echter geen vergunning verleend. Appellante heeft daarom jarenlang niet kunnen uitbreiden, waardoor zij op 2 juli 2015 een lagere veebezetting had dan zij voor ogen had. Vanaf 2018 heeft zij wel een begin kunnen maken met de voorgenomen uitbreiding, maar door het fosfaatrechtenstelsel kan zij dit niet meer realiseren. Ook heeft zij geen hogere uitkoopsom van de gemeente kunnen krijgen voor de gemiste fosfaatrechten, omdat zij al in 2016 tot een overeenstemming is gekomen met de gemeente maar het fosfaatrechtenstelsel pas daarna is ingevoerd met terugwerkende kracht.

4.3

Daarnaast stelt appellante dat de redelijke termijn is overschreden.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht geen fosfaatrecht is toegekend voor de stieren. Zij wijst erop dat uit de definitie van diercategorie 101 duidelijk blijkt dat voor stierkalveren alleen fosfaatrecht wordt toegekend indien die dieren bestemd zijn voor de melkveehouderij. Verweerder wijst op diverse uitspraken waaruit volgt dat de registratie van het dier op de peildatum als uitgangspunt wordt gehanteerd, tenzij voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het dier in een andere diercategorie hoort te vallen. In dat verband wijst verweerder erop dat appellante de bedrijfsnaam [naam 1] hanteert, een vleesveeras (dikbilkoe) houdt, de mannelijke dieren in haar gecombineerde opgaves als (rood)vleesvee heeft ingedeeld en heeft aangegeven stalruimte te hebben voor roodvleesstieren en dat het houden van 60 stuks mannelijk jongvee zeer ongebruikelijk is in melkveebedrijven nu deze in het algemeen alleen maar geld kosten. Tot slot volgt ook uit het I&R-systeem dat het mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar de bestemming vleesvee had en nooit zijn gebruikt in de melkveehouderij. Tot slot is geen sprake van een schending van artikel 1 van het EP.

5.2

Verweerder erkent dat de redelijke termijn is overschreden.

Beoordeling

6. De beroepsgronden van appellante over het niet meetellen van het mannelijk jongvee slagen niet.

6.1

Het College wijst in dat verband op zijn uitspraak van 1 september 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:594). Daarin heeft het al geoordeeld dat stierkalveren jonger dan één jaar die niet worden gehouden voor de melkveehouderij niet vallen onder de definitie sub 2 van artikel 1, onder kk, van de Msw. De uitzondering voor roodvleesstieren en fokstieren waarop appellante zich beroept ziet alleen op de categorie sub 3 van artikel 1, onder kk, van de Msw. Dat blijkt niet alleen uit de precieze tekst van dit artikel, maar ook uit het gegeven dat de uitzondering in de laatste zinsnede sub 3 evident alleen betrekking kan hebben op de sub 3 bedoelde categorie en niet ook op de sub 2 omschreven categorie, omdat zij daar sowieso al niet onder vallen.

6.2

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar en het mannelijk jongvee ouder dan 1 jaar in respectievelijk diercategorie 101 en 102 thuis horen. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven dat deze dieren niet voor de melkveehouderij worden gehouden, onder verwijzing naar de door appellante ingevulde gecombineerde opgaves, haar stalinrichting en de registratie in het I&R-systeem. Het ligt vervolgens op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat deze registratie onjuist is. Zij heeft een beschrijving gegeven over haar bedrijfsvoering, maar dat is niet voldoende om af te kunnen wijken van de registraties waar verweerder op wijst.

6.3

Anders dan appellante stelt ziet het College niet dat deze uitleg van artikel 1, onder kk, van de Msw, zich niet zou verdragen met artikel 1 van het EP. Het College verwijst naar de overwegingen in de aangehaalde uitspraken van 25 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:244) waarin is ingegaan op de diverse categorieën. Daarbij merkt het College nog op dat geen fosfaatrechten nodig zijn voor stierkalveren op een vleesveebedrijf. Van enige inbreuk op het in artikel 1 van het EP bedoelde eigendomsrecht is daarom geen sprake.

6.4

Ook de persoonlijke toelichting die appellante heeft gegeven, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP. Zij verkeerde in de situatie dat zij vanaf 2001 haar bedrijf al niet meer kon uitbreiden vanwege het vanaf dat moment geldende bestemmingsplan, waardoor de gemeente geen vergunningen meer wilde afgeven voor het uitbreiden van het bedrijf. Uiteindelijk is appellante in 2016 tot overeenstemming gekomen met de gemeente voor een uitkoopsom en heeft zij haar bedrijf verplaatst. Dat appellante jarenlang niet heeft kunnen uitbreiden en daardoor uiteindelijk minder fosfaatrecht heeft gekregen, is in zoverre eerder toe te rekenen aan de situatie dat appellante al vanaf 2001 haar bedrijf niet meer kon uitbreiden omdat het bestemmingsplan dit niet toestond, dan dat dit is toe te rekenen aan het fosfaatrechtenstelsel. Voor zover appellante betoogt dat zij al in 2016 tot een overeenstemming is gekomen met de gemeente en daarbij geen rekening kon houden met de komst van het fosfaatrechtenstelsel, is van belang dat dit stelsel al op 2 juli 2015 is aangekondigd. Het College ziet in dit voorgaande dan ook geen reden om de belangen van appellante zwaarder te laten wegen dan de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zodat ook op dit punt geen sprake is van een schending van artikel 1 van het EP.

7.1

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Voor de verdeling van de schadevergoedingsplicht geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 21 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met 1 jaar en 10 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 2.000,- schadevergoeding.

7.2

Omdat de behandeling van het bezwaar de termijn van een half jaar met ruim 1 jaar en 9 maanden heeft overschreden, komt de vergoeding voor de overschrijding volledig voor rekening van verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan appellante.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellante in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 379,50,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 2.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 379,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2022.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.