Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2022:149

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-03-2022
Datum publicatie
29-03-2022
Zaaknummer
20/424
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:2810, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Verordening (EG) nr. 1/2005) en de daarbij behorende Bijlage I: artikel 3 en 8

Wet dieren: artikel 2.5 en 6.2

Regeling houders van dieren: artikel 4.8

Hoger beroep. Vangletsel bij kuikens. Appellante heeft zes boetes van € 1.500,- en een van

€ 3.000,- opgelegd gekregen, omdat zij als houder van pluimvee er niet voor zorgde dat de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren nageleefd werden. Door het vangen is onnodig pijn en letsel veroorzaakt bij de dieren.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de overtredingen heeft begaan. Hierbij staat wat betreft alle overtredingen ter beoordeling of de door de toezichthouders gebruikte methode om vangletsel vast te stellen deugdelijk is. Daarnaast staat specifiek de vaststelling van de overtredingen in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252 ter discussie.

Het College is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de overtredingen in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252 heeft begaan. Verweerder was in die zaken dus niet bevoegd om een boete op te leggen. Het College verklaart de hoger beroepen in die zaken gegrond.

Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde methode voor het vaststellen van vangletsel

heeft het College eerder geoordeeld dat er geen aanknopingspunt is voor het oordeel dat deze methode voor het vaststellen van vangletsel niet deugdelijk is en het WUR-rapport is daarin betrokken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding hierover nu anders te oordelen. Het is voldoende aannemelijk dat als een bloeding donkerrood of paars is en een grootte heeft van 3 cm of meer, die bloeding is ontstaan tijdens het vangen van de kuikens en het laden in de containers. De algemene stelling van appellante dat een substantieel deel van de Nederlandse mannen kleurenblind is en dat uit niets blijkt dat dit bij toezichthoudende dierenartsen anders is, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat één of meer van de in deze zaken bij de inspecties betrokken toezichthouders in feite ook kleurenblind waren. Ook gelet op hetgeen verweerder daarover onweersproken naar voren heeft gebracht, gaat het College ervan uit dat de toezichthouders in staat waren om overeenkomstig genoemde methode mede aan de hand van de kleur van de bloeding te beoordelen of sprake was van vangletsel. Ook overigens ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders, die zijn neergelegd in de rapporten van bevindingen.

Het College verklaart de hoger beroepen in de overige boetezaken dan ook ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/424

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2022 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: F.Th.M. Peters),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2020, kenmerk ROT 18/3246, ROT 18/3247, ROT 18/3248, ROT 18/3249, ROT 18/3250, ROT 18/3252 en ROT 18/3253, in het geding tussen

appellante


en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 3 april 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:2810; de aangevallen uitspraak).

Verweerder heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2021.

Namens appellante zijn verschenen de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de kant van verweerder zijn ook verschenen [naam 4] en [naam 5]
.

Grondslag van het geschil

1.1

Het hoger beroep is niet gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep in de zaak met nummer ROT 18/3251. Dat beroep was gericht tegen het besluit van 9 mei 2018 waarbij de minister het bezwaar van appellante tegen de haar bij besluit van 28 april 2017 opgelegde boete ongegrond had verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit op bezwaar gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het boetebesluit van 28 april 2017 herroepen. Hierna laat het College die boete en het daarop betrekking hebbende onderdeel van de uitspraak van de rechtbank dus buiten beschouwing.

1.2

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.3

Op 13 januari 2017, 31 januari 2017, 3 maart 2017, 13 maart 2017, 23 maart 2017, 4 mei 2017 en 13 mei 2017 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) inspecties uitgevoerd bij de slachterijen [naam 6] B.V. en [naam 7] B.V.. De bevindingen van deze inspecties zijn neergelegd in rapporten van bevindingen. Het College verwijst voor de uitvoerige weergave van deze rapporten naar de aangevallen uitspraak onder 2.1 tot en met 2.5, 2.7 en 2.8. Niet in geschil is dat deze weergave juist is. Samenvattend is in elk van de rapporten onder meer beschreven waar de toezichthouder de inspectie in het slachthuis heeft verricht, waarom een vangletseltelling werd uitgevoerd volgens de instructie van de NVWA (onder verwijzing naar de bijlage bij het registratieformulier letseltelling pluimvee-slachthuis), hoeveel vangletselcontroles zijn uitgevoerd, welk aantal kippen bij elke telling aan de slachtlijn voorbij is gekomen en met welke bandsnelheid dit is gebeurd. Voorts is beschreven welke letsels de toezichthouder heeft gezien, onder vermelding van het aantal karkassen waarbij dit het geval was. Ook is de gemiddelde score vangletsel per telling berekend.

1.4

Naar aanleiding van de bevindingen in voormelde rapporten heeft verweerder appellante bij afzonderlijke besluiten zes boetes van € 1.500,- opgelegd en een van € 3.000,- (boetebesluiten), omdat zij als houder van het pluimvee er niet voor zorgde dat de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren nageleefd werden. Door het vangen is onnodig pijn en letsel veroorzaakt bij de dieren. Volgens verweerder heeft appellante daarmee overtredingen begaan van artikel 2.5 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren (Wd), gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren (Rhd) en met artikel 3, aanhef en onder d, artikel 8, eerste lid, en bijlage I, hoofdstuk III, punt 1.8, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG (de Transportverordening).

1.5

Bij afzonderlijke besluiten van 9 mei 2018, waartegen de beroepen bij de rechtbank waren gericht, heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de boetebesluiten ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers ROT 18/3246, ROT 18/3247, ROT 18/3248, ROT 18/3249, ROT 18/3250, ROT 18/3252 en ROT 18/3253.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft de beroepen in de zaken met de hiervoor in 1.5 genoemde nummers ongegrond verklaard en de boetes in deze zaken in stand gelaten. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante moet worden gelezen.

“5.1. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gehele rapport van bevindingen, dus niet alleen de bevindingen in het kader van de letseltelling maar ook de daaraan voorafgaande bevindingen bij de ante-mortem- of post-mortemkeuring, de grondslag vormen voor het vaststellen van de overtreding; de gegevens van de letseltelling zijn van belang voor de handhaving. De controles op vangletsel in de slachterij vinden plaats zoals beschreven in de “Toelichting op BIJLAGE (vang)letseltelling, hierna: Toelichting letseltelling. Als de toezichthoudend dierenarts bij de ante-mortem- en/of post-mortemkeuring aanwijzingen ziet voor een verhoogd percentage letsel door het vangen of laden, is er aanleiding voor het verrichten van een letseltelling bij de ontvederde dieren. Bij die letseltelling worden bloedingen op vleugel, poot of lichaam (alleen borstzijde) geteld die donkerrood van kleur zijn en die tevens drie centimeter of groter zijn. Er wordt maar één letsel per dier geteld.

Dit staat ook zo beschreven op het Registratieformulier letseltelling pluimveeslachthuis waarop de toezichthouder het aantal getelde letsels en berekende percentages noteert. In de Toelichting letseltelling is het beleid voor het tellen van vangletsel verder uitgewerkt en toegelicht. Daarin staat onder meer: “De grootte en kleur van de bloeding geeft informatie over de ouderdom van de bloeding. Een bloeding van één centimeter of kleiner, die helderrood van kleur is, is minder dan twee minuten oud. Dit betekent dat deze bloeding tijdens het slachtproces en nadat het dier bewusteloos of dood was is ontstaan. Dat noemen we “schade”, er is geen lijden. “Letsel” daarentegen ontstaat bij het dier vanaf vangen tot het dier bewusteloos is t.g.v. de bedwelming; er is sprake van lijden.” Ook uit deze Toelichting volgt dat alleen bloedingen worden geteld aan vleugel, poot of lichaam, vanaf drie centimeter en die tevens donkerrood zijn. In de toelichting zijn ook foto’s opgenomen die een illustratie geven van welke bloedingen wel of niet meegeteld worden bij de letseltelling.

5.2.

Ter zitting is door [de senior toezichthoudend dierenarts] nader toegelicht waarom verweerder ervan uitgaat dat het letsel dat bij de letseltelling geteld wordt geen letsel is dat bij het transport of bij de slacht kan zijn ontstaan. De toezichthoudend dierenarts heeft toegelicht dat letsel dat bij transport zou kunnen ontstaan voornamelijk andersoortig letsel betreft dan vangletsel en dat als zich bij het transport iets heeft voorgedaan een aanzienlijk groter deel van de kuikens (30-40 %) daardoor letsel heeft opgelopen dan de percentages die bij vangletseltellingen naar voren komen. Daarnaast gaat de toezichthouder na of zich bij het transport calamiteiten hebben voorgedaan die tot letsel zouden kunnen leiden door te bezien of de laad- of transportbon daarvan melding maakt en dit mondeling na te vragen bij de transporteur. In het algemeen kan dus, in het geval dat zich geen calamiteiten bij het transport hebben voorgedaan en een relatief kleiner deel van de kuikens letsel heeft, worden uitgesloten dat het door de toezichthouder vastgestelde letsel door het transport is ontstaan. Ook is op de zitting toegelicht dat het door de toezichthouder getelde letsel niet kan zijn ontstaan op het slachthuis. Toegelicht is dat het proces op de slachterij in het algemeen niet meer dan een uur duurt en dat de kuikens op de betreffende slachterij aan het begin van het slachtproces, voorafgaand aan het kantelen van de containers, onomkeerbaar worden bedwelmd. Ter zitting heeft verweerder een filmpje getoond waarop is te zien dat het uitladen geautomatiseerd plaatsvindt waarbij de kuikens in de containers worden bedwelmd en pas daarna gekanteld. De toezichthoudend dierenarts heeft verder op de zitting toegelicht dat bedwelmde kuikens een zeer lage hartslag hebben wat betekent dat eventuele in de slachterij ontstane bloedingen onderhuids nauwelijks uitbreiden en er dus alleen sprake zal zijn van kleine bloedingen als het letsel op het slachthuis is ontstaan. Bovendien heeft een bloeding van drie centimeter tijd nodig om zich tot dat formaat te ontwikkelen en daarvoor is volgens verweerder het proces op het slachthuis te kort. Daarnaast is ook het type letsel dat bij het slachtproces zou kunnen ontstaan anders dan het letsel dat over het algemeen bij het vangen kan ontstaan en is er een verschil in kleur. Letsel dat is ontstaan op de slachterij is vers en dus lichtrood van kleur. De toezichthoudende dierenartsen zijn er op getraind om eventueel vers letsel uit te sluiten. Schade die is ontstaan verderop in het slachtproces (dus na het kantelen) tijdens of na het aansnijden en leegbloeden, zal bovendien niet tot een grote bloeding leiden, omdat het bloed de weg van de minste weerstand kiest en zich dus niet onderhuids zal verspreiden maar via de snede het lichaam zal verlaten. Er is dan ook geen of nauwelijks hartslag meer om het bloed in het lichaam te verspreiden, aldus de toezichthoudend dierenarts op de zitting.

5.3.

Voorts overweegt de rechtbank dat de vaststelling van de kleur van het letsel weliswaar een subjectief element kent maar dat de toezichthoudend dierenartsen van de NVWA erop zijn getraind om dit te herkennen. De rechtbank vindt het voldoende aannemelijk, mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting, dat er een aanzienlijk verschil zit tussen de kleur van een verse bloeding en die van een oudere bloeding waarvan het bloed al (deels) gestold is of onderhuids verkleurd en dat dit verschil door een deskundig dierenarts goed kan worden vastgesteld. De toezichthoudend dierenarts heeft ter zitting toegelicht dat een verse wond goed herkenbaar is en dat een bloeding na twee uur echt donkerrood van kleur is en eventueel gestold. Daarbij is ook toegelicht dat het proces op de slachterij over het algemeen niet meer dan een uur in beslag neemt. Op het ter zitting bekeken filmpje is door verweerder de situatie getoond zoals de toezichthouder bij een letseltelling de karkassen voorbij ziet komen aan de slachtlijn met een bandsnelheid van 7500 kuikens per uur. Dat was ook de bandsnelheid bij de controles hier aan de orde. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen en leidt uit het getoonde filmpje af dat bij die snelheid het letsel aan de karkassen voldoende kan worden beoordeeld door een deskundig dierenarts. Daar komt bij dat vangletsel niet enkel op basis van de kleur van een bloeding wordt vastgesteld. De toezichthouder kijkt ook naar de grootte en het type letsel. Bovendien laat de kleur zich ook niet altijd goed vastleggen op foto’s, zoals ter zitting ook is vastgesteld; de afdrukkwaliteit van de foto’s kan bepalend zijn voor hoe donker het rood oogt. Ten aanzien van de foto’s die bij de rapporten van bevindingen worden gevoegd is bovendien ter zitting gebleken dat dit geen foto’s zijn van de kuikens die zijn geteld bij de letseltelling. De foto’s die bij de rapporten zitten worden door de toezichthouder genomen tussen de eerste en tweede vangletseltelling en dienen ter illustratie van hoe het er in het betreffende koppel in het algemeen uitzag. De foto’s die bij de rapporten zijn gevoegd onderbouwen dus niet de overtreding, maar naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet nodig indien de rapporten zelf (en de daarbij gevoegde stukken) voldoende duidelijkheid geven over hetgeen is geconstateerd, namelijk donkerrode bloedingen van drie centimeter of meer.

5.4.

Het voorgaande vindt ook deels een onderbouwing in het hiervoor genoemde rapport van WUR waarin staat dat de methode van verweerder, namelijk het scoren van grote bloedingen in de slachtlijn, een valide methode lijkt voor het vaststellen van vangletsel. Ook volgt uit dit rapport dat niet aannemelijk is dat het transport de oorzaak is voor het ontstaan van letsel. Voor zover uit dit rapport ook blijkt dat bepaald letsel eerst na het vangen is toegenomen, is gelet op het voorgaande niet aannemelijk dat verweerder dat soort letsel, waaronder vleugeldislocaties en verse (kleine) bloedingen, meetelt bij de vangletseltellingen.

5.5.

Gelet op de toelichting en onderbouwing van het beleid die in deze zaken is gegeven van de zijde van verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:392) te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de rapporten van bevindingen en daarbij behorende stukken, de bestreden besluiten, het verweerschrift en de gegeven toelichting ter zitting voldoende gemotiveerd dat bij kuikens van eiseres vangletsel is vastgesteld.

5.6. (…)

Ten aanzien van de gestelde overtreden norm overweegt de rechtbank dat, anders dan eiseres stelt, deze een resultaatsverplichting inhoudt en geen inspanningsnorm. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Transportverordening moet eiseres, als houder van de dieren, ervoor zorgen dat bepaalde voorschriften worden nageleefd, waaronder het in bijlage I, hoofdstuk III, paragraaf 1.8, onder d, neergelegde voorschrift dat het verboden is dieren zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent. Indien vaststaat dat dieren van eiseres bij het vangen onnodig pijn of lijden is berokkend kan worden geconcludeerd dat eiseres de overtreding heeft begaan. Eerst voor de vervolgvraag of die overtreding mag worden beboet is relevant of de overtreding ook aan eiseres kan worden verweten, zoals volgt uit artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat eiseres de zeven overtredingen heeft begaan. (…) Nu voldoende vaststaat dat eiseres de overtredingen heeft begaan en deze haar verweten kunnen worden is verweerder bevoegd om eiseres daarvoor boetes op te leggen.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Standpunt van appellante
3.1 Appellante betwist dat zij de gestelde overtredingen heeft begaan. Appellante stelt dat de rechtbank de overtredingen ten onrechte bewezen heeft verklaard, omdat aan de hand van de bij de kuikens geconstateerde bloedingen niet kan worden vastgesteld dat het om vangletsel gaat waarvoor appellante aansprakelijk zou zijn. De methode die verweerder hanteert om de ouderdom van het letsel bij kuikens vast te stellen deugt niet. Er is immers sprake van een glijdende schaal van verkleuring van lichtrood naar donkerrood-paars, waardoor de ouderdom van de bloedingen niet met zekerheid kan worden bepaald op basis van een specifieke kleur. Appellante wijst er verder op dat het verschil tussen rood en donkerrood niet eenduidig is; dit betreft een subjectieve kwalificatie van het door de toezichthouder waargenomen letsel. Door het gebruik van een glijdende kleurschaal, een kleurvaststelling die niet eenduidig is en onduidelijke foto’s is er te veel onzekerheid over de ouderdom van de geconstateerde bloedingen om vast te stellen dat sprake is van overtredingen. Daarnaast wordt in het rapport “Letsel en schade bij vleeskuikens als gevolg van vangen, transport en handelingen aan de slachtlijn” van Wageningen University & Research uit januari 2019 (het WUR-rapport) alleen gesteld dat het scoren van bloedingen in de slachtlijn na plukken een valide methode lijkt voor het vaststellen van vleugelbloedingen veroorzaakt door het vang- en laadproces, maar is in het rapport geen aandacht besteed aan de bepaling van de ouderdom van bloedingen op basis van de kleur, zoals verweerder doet. Uit hetzelfde rapport blijkt bovendien dat ook tijdens het slachtproces bloedingen kunnen ontstaan of toenemen. Appellante wijst erop dat het letsel dat bij de kuikens is geconstateerd ook na het vangen kan zijn ontstaan, bijvoorbeeld bij het kantelen van de transportcontainers, waarbij de kippen op een carrousel vallen en vervolgens bij het optillen aan hun poten om ze in de slachtlijn te hangen. De verklaring van de dierenarts ter zitting bij de rechtbank dat bloedingen die bij het kantelen en inhangen zijn ontstaan altijd lichtrood zouden zijn, klopt niet. Bloedingen verkleuren blijkens de tellinginstructie immers al na twee minuten van lichtrood naar donkerrood en de toezichthouder ziet de kuikens pas 12 tot 17 minuten na het kantelen. Dat chauffeurs bij aankomst altijd wordt gevraagd naar calamiteiten onderweg klopt evenmin. Uit navraag is gebleken dat chauffeurs geen instructie hierover hebben gekregen, dat zij een en ander nooit invullen op de documenten en dat maar sporadisch naar calamiteiten onderweg wordt gevraagd.

3.2

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat de ouderdom van de geconstateerde vangletsels niet op betrouwbare wijze is vast te stellen, omdat in zes van zeven boeterapporten geen kleur van de bloedingen is vermeld en in één van de zeven zaken geen letselgrootte is vermeld. Voorts kan verkleuring van het letsel van rood naar donkerrood sneller plaatsvinden dan tot nu toe is aangenomen. Dit kan ook optreden bij letsel dat is opgelopen tijdens de wachttijd in de slachterij en gedurende het slachtproces en dus na het vangen. De rechtbank is in haar uitspraak ten onrechte uitgegaan van de deskundigheid van en de kleurwaarneming door de toezichthoudende dierenarts die de letsels heeft geconstateerd. Volgens appellante staat vast dat een substantieel deel van de Nederlandse mannen kleurenblind is en dat uit niets blijkt dat dit bij toezichthoudende dierenartsen anders is.

Verder heeft appellante met betrekking tot zaak ROT 18/3247 aangevoerd dat de tellingen door de toezichthouder (om 13.30 en 13.40 uur) geen betrekking kunnen hebben op haar kippen uit hok 2, die blijkens de laadbon immers pas om 14.00 uur bij de slachterij zijn aangekomen.

Ten slotte heeft appellante met betrekking tot zaak ROT 18/3252 gesteld dat op 28 april 2017 - anders dan is vermeld in het rapport van bevindingen van 4 mei 2017 (134702/101963) - geen kippen uit stal 3 van appellante zijn geslacht in Kornhorn. De kippen uit stal 3 zijn immers geslacht in Putten. Een klein gedeelte van stal 1 is wel geslacht in Kornhorn, maar gelet op de tijdspanne van 32 minuten tussen de tellingen kan hooguit één telmoment ook daadwerkelijk deze kippen betreffen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante een aantal bewijzen van afkeuring overgelegd.

Standpunt van verweerder

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het College en de rechtbank Rotterdam de door hem gehanteerde methode voor het vaststellen van vangletsel hebben bevestigd. Vangletsel wordt niet alleen op basis van de kleur van een bloeding vastgesteld. De toezichthouder kijkt ook naar de grootte en het type letsel. Wat betreft de glijdende schaal van verkleuring heeft verweerder toegelicht dat bloedingen niet al na twee minuten donkerrood worden, maar na een aantal uren. Verweerder verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:1673, onder 6.5).

4.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het geconstateerde letsel niet kan zijn ontstaan tijdens de wachttijden. Verweerder erkent dat bloedingen ook na het vangen van de kuikens kunnen ontstaan, maar de tijdspanne is dan te kort voor het ontstaan van bloedingen van drie centimeter of groter. Voorts heeft verweerder gesteld dat toezichthoudend dierenartsen weliswaar niet worden getest op kleurenblindheid, maar dat zij gedurende negen maanden worden getraind in letseltelling en dat de tellingen in die periode door twee dierenartsen gezamenlijk worden gedaan. Afwijkende tellingen zouden dus snel worden opgemerkt. Verweerder heeft bovendien aangegeven dat er ook veel vrouwelijke dierenartsen in dienst zijn bij de NVWA.

Verweerder heeft ten aanzien van zaak ROT 18/3247 gesteld dat de toezichthouder wel kippen van appellante uit hok 2 heeft geteld. Bij het rapport van bevindingen was alleen de laadbon van de vierde lading uit hok 2 gevoegd en niet van de drie eerdere ladingen die dag. Verweerder heeft ter zitting de andere laadbonnen overgelegd. Daaruit blijkt volgens hem dat eerdere ladingen uit hok 2 vóór de controle door de toezichthouder bij de slachterij zijn aangekomen.

Verder heeft verweerder ten aanzien van zaak ROT 18/3252 gesteld dat er wel degelijk kippen van appellante uit stal 3 zijn geslacht en geteld in Kornhorn. Ter onderbouwing heeft verweerder een e-mailbericht van het slachthuis van 28 april 2017 overgelegd, waaruit blijkt dat een wagen met kuikens van appellante uit stal 3 vanuit Putten is doorgestuurd naar Kornhorn.

Wettelijk kader

5.1

Voor de beoordeling gaat het College uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Omvang geding

5.2

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de zeven overtredingen heeft begaan. Hierbij staat wat betreft alle overtredingen ter beoordeling of de door de toezichthouders gebruikte methode om vangletsel vast te stellen deugdelijk is. Daarnaast staat specifiek de vaststelling van de overtredingen in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252 ter discussie.

Beoordeling overtredingen

5.3

Het College stelt voorop dat in de gevallen als de onderhavige waarin boetes zijn opgelegd, de bewijslast dat sprake is van overtredingen, gelet op het vermoeden van onschuld, rust op het bestuursorgaan dat de boetes heeft opgelegd. In beginsel mag een bestuursorgaan uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.

Zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252

5.4

Het College ziet aanleiding om eerst te beoordelen of de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellante de overtredingen in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252 heeft begaan. Naar het oordeel van het College is dat om de volgende redenen niet het geval.

5.4.1

In de zaak ROT 18/3247 heeft verweerder niet het overtuigende bewijs geleverd dat de toezichthouder bij de inspectie op 31 januari 2017 kuikens uit hok 2 van appellante heeft gecontroleerd. Verweerder heeft aan de overtreding het rapport van bevindingen van 31 januari 2017 (131763/99190) en de daarbij gevoegde foto’s 1 en 4 van de door het slachthuis op het keurbordes vermelde gegevens over de koppelwisseltijden ten grondslag gelegd. Het College constateert echter dat de tekst op deze onscherpe foto’s onleesbaar is, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat kuikens uit hok 2 van appellante zijn geteld. Dat kan ook niet worden vastgesteld op basis van andere gegevens in en andere bijlagen bij het rapport. Bij het rapport is een laadbon met nummer 201702071 met betrekking tot een koppel kuikens uit hok 2 als bijlage gevoegd, waarop is vermeld dat de lading om 11.55 uur bij de mester is vertrokken en om 14.00 uur bij de slachterij is aangekomen. Op het ‘registratieformulier letseltelling pluimveeslachthuis’, dat eveneens als bijlage bij het rapport is gevoegd, is onder “Datum + vertrektijd van houderij” aangegeven “31-01-2017 11.55 uur”. Gelet op de in het rapport van bevindingen genoemde controletijden (13.20, 13.30 en 13.40 uur) acht het College niet aannemelijk dat deze controles betrekking kunnen hebben gehad op de lading kuikens die om 14.00 uur bij de slachterij is aangekomen. Pas ter zitting heeft verweerder toegelicht dat die dag ook drie eerdere ladingen uit hok 2 naar de slachterij zijn vervoerd en heeft hij laadbonnen van deze drie ladingen overgelegd. Op basis van het rapport van bevindingen en de bijlagen daarbij kan echter niet worden vastgesteld dat de (drie) controles betrekking zouden hebben gehad op een (van die) eerdere lading(en) uit hok 2 van appellante. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de in zaak ROT 18/3247 in geding zijnde overtreding heeft begaan en verweerder niet bevoegd was een boete op te leggen. Het hoger beroep in boetezaak ROT 18/3247 is dan ook gegrond.

5.4.2.1 Met betrekking tot de overtreding in de zaak ROT 18/3252 stelt het College vast dat in het rapport van bevindingen ten aanzien van de controle op 28 april 2017 is vermeld dat uit de aanvoerplanning en verificatie bij de “chef panklaar” blijkt dat de toezichthouder kuikens uit stal 3 en 5 van appellante heeft gecontroleerd. Deze aanvoerplanning en verificatie zijn in het rapport echter niet nader onderbouwd.

Verder zijn bij het rapport van bevindingen twee ‘registratieformulieren letseltelling pluimveeslachthuis’ gevoegd. Eén daarvan heeft betrekking op stal 5 en koppelidentificatienummer K1711818. Op het andere formulier is stalnummer 3 genoemd en koppelidentificatienummer K1711819. Dat nummer komt echter overeen met het koppelidentificatienummer dat is genoemd op het afkeuringsbewijs van 28 april 2017 ten aanzien van stal 1 van appellante.

Het College stelt verder vast dat weliswaar op één van de laadbonnen van 28 april 2017 (met nummer 201707790) bij het invulveld ‘hok’ het nummer ‘3’ is geschreven, maar op de laadbon wordt verder gesproken over hok/stal 1 en hok/stal 5. Deze laadbon ziet op lotnummer P1711808 en volgnummer 17. Dit komt dus niet overeen met het koppelindentificatienummer K1711819 dat is vermeld op het ‘registratieformulier letseltelling pluimveeslachthuis’ ten aanzien van stal 3.

De twee andere laadbonnen van 28 april 2017 (201707742 en 201707743) zien op ‘hok 5’ en lotnummer K1711818, volgnummers 18 respectievelijk 19.

Voorts is in de door verweerder overgelegde e-mail van de slachterij van 28 april 2017 vermeld dat er een extra auto vanuit appellante zou komen ‘met lot 18 en 19 (…) stal 3’. Deze lotnummers komen echter overeen met de volgnummers op de laadbonnen 201707742 en 201707743 ten aanzien van stal 5 (en dus niet stal 3).

5.4.2.2 Het College is gelet op het voorgaande van oordeel dat appellante voldoende twijfel heeft gezaaid ten aanzien van de vaststelling in het rapport van bevindingen dat kuikens uit (onder andere) stal 3 zijn gecontroleerd. Op basis van het door verweerder aangedragen bewijs kan niet worden vastgesteld dat alle gecontroleerde kuikens afkomstig waren van appellante en dat appellante dus de geconstateerde overtreding heeft begaan. Verweerder was dus niet bevoegd om een boete op te leggen. Dit betekent dat het hoger beroep ook op dit punt gegrond is.

Zaken ROT 18/3246, ROT 18/3248, ROT 18/3249, ROT 18/3250 en ROT 18/3253

5.5

Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde methode voor het vaststellen van vangletsel, stelt het College vast dat uit de rapporten van bevindingen in deze zaken volgt dat de vangletseltellingen zijn uitgevoerd overeenkomstig de beschreven werkwijze in bijlage 2 van het destijds van toepassing zijnde werkvoorschrift met code WLZVL-030 (Toelichting vangletseltelling). Zoals appellante stelt, is de kleur respectievelijk grootte van de getelde bloedingen inderdaad niet in de hoofdtekst van alle rapporten van bevindingen vermeld. Op de door de toezichthouders ingevulde ‘Registratieformulieren letseltelling pluimveeslachthuis’, die als bijlagen bij deze rapporten zijn gevoegd, is echter vermeld dat alleen donkerrode, grote (diffuse) bloedingen vanaf 3 cm als vangletsel worden meegeteld, zoals in de Toelichting vangletseltelling ook is vastgelegd.

Het College heeft eerder geoordeeld dat er geen aanknopingspunt is voor het oordeel dat deze methode voor het vaststellen van vangletsel niet deugdelijk is en het WUR-rapport is daarin betrokken (zie onder andere de uitspraken van het College van 17 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:688 en 4 mei 2021, ECLI:NL:CBB:2021:470). In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding hierover nu anders te oordelen. Het is voldoende aannemelijk dat als een bloeding donkerrood of paars is en een grootte heeft van 3 cm of meer, die bloeding is ontstaan tijdens het vangen van de kuikens en het laden in de containers. De algemene stelling van appellante dat een substantieel deel van de Nederlandse mannen kleurenblind is en dat uit niets blijkt dat dit bij toezichthoudende dierenartsen anders is, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat één of meer van de in deze zaken bij de inspecties betrokken toezichthouders in feite ook kleurenblind waren. Ook gelet op hetgeen verweerder daarover onweersproken naar voren heeft gebracht, gaat het College ervan uit dat de toezichthouders in staat waren om overeenkomstig genoemde methode mede aan de hand van de kleur van de bloeding te beoordelen of sprake was van vangletsel. Ook overigens ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders, die zijn neergelegd in de rapporten van bevindingen.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep in de zaken ROT 18/3246, ROT 18/3248, ROT 18/3249, ROT 18/3250 en ROT 18/3253 ongegrond is.

Conclusie

6. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover daarin is beslist op het beroep van appellante in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252. Het College zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten van 9 mei 2018 met de kenmerken 494-2497 (overtreding van 31 januari 2017) en 494-4538 (overtreding van 28 april 2017) alsnog gegrond verklaren, deze bestreden besluiten vernietigen en de primaire besluiten van 26 mei 2017 met nummer 201701095 en van 21 juli 2017 met nummer 201704189 herroepen. Daarbij zal worden bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Het College zal de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten met betrekking tot de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep bij de rechtbank en bezwaar in elk van deze zaken afzonderlijk vast op € 2.600,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 541,-, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank met een waarde per punt van € 759,-). Voor beide zaken tezamen worden de kosten voor genoemde procesfasen dus vastgesteld op € 5.200,-.

Voor het hoger beroep stelt het College de proceskosten vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Voor alle procesfasen tezamen bedraagt de vergoeding voor de proceskosten dus € 6.718,-.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is beslist op de beroepen van appellante in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252;

- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen van appellante tegen respectievelijk het bestreden besluit van 9 mei 2018 met kenmerk 494-2497 en het bestreden besluit van 9 mei 2018 met kenmerk 494-4538 gegrond en vernietigt deze besluiten;

- herroept de primaire besluiten van 26 mei 2017 met nummer 201701095 en van 21 juli 2017 met nummer 201704189;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.208,- (twee keer € 338,- in eerste aanleg bij de rechtbank voor ROT 18/3247 en ROT 18/3252, en € 532,- in hoger beroep) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.718,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. T. Pavićević en mr. S.W. van Kasbergen, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022.

De voorzitter is verhinderd w.g. I.S. Post

de uitspraak te ondertekenen.

Bijlage

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Verordening (EG) nr. 1/2005) en de daarbij behorende Bijlage I luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 3 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

(…)

d) de laad- en losvoorzieningen zijn zodanig ontworpen en geconstrueerd, en worden op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat de dieren letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is gegarandeerd;

(…)

Artikel 8

Houders

1. De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden.

(…)

BIJLAGE I

(…)

HOOFDSTUK III

(…)

1.8.

Het is verboden:

(…)

d) de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent;

(…)”

De Wet dieren luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Artikel 2.5 Vervoer van dieren

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het vervoer van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:

a. een verbod op het vervoeren van bepaalde dieren;

b. de bij de te vervoeren dieren te verrichten onderzoeken;

c. het bijeenbrengen, aanvoeren en afvoeren van dieren;

d. de bewijsstukken die de dieren tijdens het vervoer vergezellen;

e. de wijze van vervoer;

f. de duur en de afstand van het vervoer, met inbegrip van rustpauzes;

g. het in-, bij-, uit- en overladen van dieren;

h. de beladingsdichtheid van vervoermiddelen;

i. het verzegelen of merken van vervoermiddelen;

j. voorwerpen die ten behoeve van het vervoer van dieren worden gebruikt;

k. de verzorging, voedering en drenking van dieren tijdens het vervoer;

l. de over het vervoer bij te houden gegevens;

m. de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen, en de plaatsen of inrichtingen waar dit plaatsvindt;

n. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers, en

o. de vakbekwaamheid van degene die de dieren vervoert of die bij het vervoer betrokken is.

Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

(…)”

De Regeling houders van dieren luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 4.8. Verbodsbepalingen

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:

– 3 tot en met 9 (…), van verordening (EG) nr. 1/2005;

(…)”