Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:924

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
20/936
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster verzoekt het College verweerder te veroordelen in de bedoelde, door haar geleden schade. In het geval van verzoekster is komen vast te staan dat het besluit waarin haar een last onder bestuursdwang is opgelegd rechtmatig is voor zover dit het Friese paard betreft. Nu op dit punt geen sprake is van onrechtmatig handelen van verweerder, biedt artikel 8:88 van de Awb geen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding hiervoor. Voor zover verzoekster zich op het standpunt stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het optreden van de inspecteur(s) tijdens de bedrijfscontrole, oordeelt het College dat verzoekster niet heeft toegelicht waarom dit handelen onrechtmatig zou zijn. Verder staat weliswaar vast dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld voor zover de last onder bestuursdwang is opgelegd voor de andere door verzoekster gehouden dieren, maar verzoekster heeft geen enkel verband gelegd met eventueel daardoor geleden schade.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/936

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoekster,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Somer).

Procesverloop

Bij verzoekschrift van 11 oktober 2020 heeft verzoekster het College verzocht om verweerder te veroordelen in door haar geleden schade.

Verweerder heeft bij brief van 22 maart 2021 op het verzoek van verzoekster gereageerd.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2021. Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst het College naar zijn uitspraak van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:429). In die uitspraak heeft het College – kort samengevat – geoordeeld dat de aan verzoekster opgelegde last onder bestuursdwang onrechtmatig is voor zover die last is opgelegd ten aanzien van de katten en paarden/pony’s van verzoekster, behalve ten aanzien van het Friese paard. Ten aanzien van het Friese paard is uitdrukkelijk overwogen dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden ten aanzien van dit paard. Bij uitspraak van 23 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:455) heeft het College het bedrag dat verzoekster voor de toepassing van de bestuursdwang aan verweerder verschuldigd is, vastgesteld op € 1.082,27.

1.2

Bij brief van 11 februari 2020 heeft verzoekster verweerder verzocht om vergoeding van de door haar in verband met de hierboven bedoelde kwestie geleden schade. Bij brief van 2 september 2020 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat hij van verzoekster niet (tijdig) bewijsstukken had ontvangen die het door haar gestelde schadebedrag van € 20.000,- onderbouwen.

2. Verzoekster verzoekt het College verweerder te veroordelen in de bedoelde, door haar geleden schade. Er is sprake van een onrechtmatige daad en de door haar geleden schade komt voor vergoeding in aanmerking. Verzoekster heeft verweerder meermaals verzocht om het onderzoeksrapport dat aan het besluit tot bestuursdwang ten grondslag ligt, maar deze heeft zij niet mogen ontvangen. Dit onderzoeksrapport bevat volgens verzoekster meerdere onjuistheden. De toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (de toezichthouder) heeft valsheid in geschrifte gepleegd. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de last onder bestuursdwang met betrekking tot het Friese Paard, anders dan in de uitspraak van 3 oktober 2017 is geoordeeld, ten onrechte is opgelegd. Verzoekster heeft verder kostenspecificaties van verweerder ontvangen die zij niet kan plaatsen, omdat zij reeds afstand had gedaan van het Friese paard. Bovendien heeft verzoekster nooit de mogelijkheid gehad haar zienswijze naar voren te brengen.

3. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat uit de onder 1.1 genoemde uitspraak van het College van 3 oktober 2017 volgt dat van een onrechtmatige daad ten aanzien van het Friese paard geen sprake is. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat de toezichthouder tijdens de inspectie onrechtmatig heeft gehandeld, merkt verweerder op dat deze stelling niet met enig bewijs is onderbouwd. Om voor vergoeding van schade in aanmerking te komen, moet naast een onrechtmatige daad, ook sprake zijn van schade en van causaal verband tussen de schade en het (gestelde) onrechtmatige besluit. Verzoekster heeft – ondanks dat zij daartoe meerdere malen in de gelegenheid is gesteld – geen stukken overgelegd om de schadevergoeding en het causale verband aan te tonen. Om die reden bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding, aldus verweerder.

4.1

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, voor zover hier van belang, een onrechtmatig besluit.

4.2

Bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoekt het College zoveel mogelijk aansluiting bij het schadevergoedingsrecht in het Burgerlijk Wetboek. Om voor schadevergoeding in aanmerking te komen dient in elk geval aannemelijk te worden gemaakt dat schade is geleden door onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan. De stelplicht en bewijslast van de schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan en de schade liggen bij verzoekster.

4.3

In het geval van verzoekster is, gelet op de in 1.1 genoemde uitspraak, komen vast te staan dat het besluit waarin haar een last onder bestuursdwang is opgelegd rechtmatig is voor zover dit het Friese paard betreft. Nu op dit punt geen sprake is van onrechtmatig handelen van verweerder, biedt artikel 8:88 van de Awb geen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding hiervoor. Voor zover verzoekster zich op het standpunt stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het optreden van de inspecteur(s) tijdens de bedrijfscontrole, oordeelt het College dat verzoekster niet heeft toegelicht waarom dit handelen onrechtmatig zou zijn. Verzoekster heeft haar stellingen omtrent het aan de last voorafgegane onderzoeksrapport, de beweerde valsheid in geschrifte van de toezichthouder en de mogelijk daardoor geleden schade evenmin toegelicht, laat staan onderbouwd. Verder staat weliswaar vast dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld voor zover de last onder bestuursdwang is opgelegd voor de andere door verzoekster gehouden dieren, maar verzoekster heeft geen enkel verband gelegd met eventueel daardoor geleden schade. Gelet op het vorenstaande zal het College het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

4.5

Het College stelt vast dat verzoekster in de aanhef van het verzoekschrift heeft vermeld dat verweerder heeft geweigerd een dwangsom toe te kennen. In de tekst van het verzoekschrift komt zij hier evenwel niet op terug, zodat het College geen aanleiding ziet om hierop in te gaan.

Beslissing

Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.