Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:907

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
19/1324
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB; bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard; besloten vennootschap met twee directeuren; al aanwezige ziekte van een van de twee directeuren maakt termijnoverschrijding niet verschoonbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2022/263 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1324

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. M.N.J. Hunting).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat de haar op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) toegewezen betalingsrechten zijn vervallen aan de nationale reserve.

Bij besluit van 18 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 mei 2021 heeft het College het verzet van appellante daartegen gegrond verklaard, waardoor de uitspraak van 28 april 2020 is vervallen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2021. Van de kant van appellante is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het geschil in deze procedure gaat over de vraag of verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De argumenten die appellante heeft aangevoerd over het verval van de betalingsrechten kunnen daarom in deze procedure niet worden besproken. Aan de inhoud wordt namelijk pas toegekomen, als het bezwaarschrift ontvankelijk is.

2. Vaststaat dat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de bezwaartermijn van zes weken. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, zo staat in artikel 6:11 van de Awb. Het College moet dus beoordelen of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er geen verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.

3. Uit het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat appellante gedurende de bezwaartermijn twee bestuurders had, namelijk vader [naam 2] en zoon [naam 3] . Wat appellante aanvoert is dat de vader al sinds het jaar 2017 dementerend was, wat niet door de zoon en evenmin door zijn andere kinderen is opgemerkt. Als gevolg van zijn ziekte heeft de vader vanaf het jaar 2017 fouten gemaakt bij het invullen van de Gecombineerde opgaven. Ook heeft de vader zijn zoon niet meer betrokken bij de dagelijkse gang van zaken van het bedrijf. In het bezwaarschrift heeft appellante erop gewezen dat de vader in december 2018 is opgenomen in een verzorgingshuis; in afwachting van zijn herstel is de post blijven liggen.

4. Het College stelt vast dat wat appellante heeft aangevoerd, niet is toegespitst op de periode van zes weken na het primaire besluit. Nu de vader al geruime tijd ziek was en al vóór het primaire besluit in een verzorgingshuis was opgenomen, had het op de weg van de andere bestuurder gelegen om voorzieningen te treffen zodat tijdig op belangrijke post kon worden gereageerd. Dat het niet in de aard van de vader lag om werkzaamheden aan anderen over te laten, zoals appellante ter zitting heeft toegelicht, kan voor een professionele marktdeelnemer als appellante geen reden vormen om dit achterwege te laten. Ook de ter zitting naar voren gebrachte stelling van appellante dat de ziekte van de vader voor de andere bestuurder heel emotioneel was, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Niet is gebleken dat ook de andere bestuurder gedurende de gehele bezwaartermijn niet in staat was om bezwaar te maken, dan wel om een ander daarvoor in te schakelen. Gelet hierop komt het niet tijdig reageren op het primaire besluit voor rekening van appellante. Verweerder heeft dus op goede gronden de termijnoverschrijding niet-verschoonbaar geoordeeld en het bezwaarschrift terecht nietontvankelijk verklaard.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.

De voorzitter is niet in de gelegenheid De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen. deze uitspraak te ondertekenen.