Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:894

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
20/709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Randvoorwaardenkorting van 20% wegens niet-emissiearm aanwenden van mest. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een opzettelijke niet-naleving. De medewerker, die in opdracht van appellante de mest op haar percelen heeft uitgereden, heeft de mogelijkheid van een niet-naleving van de randvoorwaarden aanvaard door niet direct te stoppen met de werkzaamheden en maatregelen te treffen om de mest die op de grond was aangebracht onder te werken.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/709

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

Firma [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 20% op de aan appellante voor het jaar 2019 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante is een vennootschap onder firma. Zij heeft in de Gecombineerde opgave 2019 onder meer verzocht om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling. Appellante heeft daarbij onder meer perceel 158 (beteeld bouwland) met een oppervlakte van 2,45 hectare (ha) opgegeven.

1.2

Op 24 april 2019 is appellante door een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gecontroleerd op naleving van de randvoorwaarden in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Tijdens deze controle is geconstateerd dat op perceel 158 de rundveedrijfmest deels niet-emissiearm was aangewend. In het Rapport Nalevingspecificatie van 16 augustus 2019 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…) Drijfmest was deels in de grond en deels op de grond uitgereden. Plaatselijk waren de toegediende stroken mest in elkaar overgelopen. Mestaanwending is door medewerker uitgevoerd. De medewerker was al 7 jaar op het bedrijf werkzaam en was bekend met de regelgeving inzake mestaanwending. (…) De medewerker verklaarde desgevraagd dat hij tijdens de aanwending wel de indruk had dat de grond door de droogte plaatselijk hard was en dat op de kopeinden en plaatselijk in de sporen er een minder werkresultaat was maar deze in de veronderstelling was dat dit binnen de geldende regelgeving viel. Volgens de grondsoortenkaart is het betreffende perceel zandgrond, waarneming op zicht heeft gelijkenis met kleigrond. Kleigrond is een hardere grondsoort dan zandgrond. (…)”

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de steun die appellante in het kader van het GLB ontvangt in 2019 gekort met 20%, omdat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting de dierlijke mest emissiearm aan te wenden. Volgens verweerder is sprake geweest van opzettelijk handelen, omdat de medewerker van appellante ondanks het zichtbare, niet goede bemestingsresultaat, is doorgegaan met bemesten.

3. Appellante voert primair aan dat niet is gebleken dat de overtreding van de randvoorwaarde het gevolg is van opzettelijk handelen. Evenmin is gebleken dat appellante zich zodanig heeft gedragen dat zij de mogelijkheid heeft aanvaard dat zich een toestand van niet-naleving van de randvoorwaarden voordoet, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 27 februari 2014, nr. C-396/12, Van der Ham (ECLI:EU:C:2014:98). In dat verband stelt appellante dat zij de werkzaamheden heeft laten uitvoeren door een deskundig en ervaren medewerker en daarbij duidelijke instructies zijn verstrekt. De randvoorwaarde is volgens appellante op z’n hoogst in zeer beperkte mate niet nageleefd, namelijk plaatselijk in de sporen. Subsidiair meent appellante dan ook dat de randvoorwaardekorting niet in verhouding staat tot de ernst, omvang en verwijtbaarheid van de overtreding. Het gaat hier namelijk om een klein en niet-representatief deel van een perceel dat minder dan 2,5 ha is. Verweerder had het kortingspercentage daarom moeten matigen, aldus appellante.

4. Verweerder stelt, samengevat weergeven, dat hij in beginsel ervan mag uitgaan dat hier sprake is van opzet, omdat de verplichting om mest emissiearm aan te wenden sinds 1998 geldt en hier dus sprake is van langdurig bestendig beleid. Appellante heeft niet aangetoond dat van opzet geen sprake is. Volgens verweerder heeft appellante onvoldoende (duidelijke) instructies gegeven aan haar medewerker én geen toezicht uitgeoefend, waardoor zij het risico op niet-naleving van de randvoorwaarden op de koop toe heeft genomen. Verweerder is dan

ook van mening dat appellante terecht (voorwaardelijk) opzet wordt verweten.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat de toegepaste korting gematigd dient te worden, stelt verweerder zich op het standpunt dat, gelet op de ernst, de omvang en het permanente karakter van de niet-naleving, een korting van 20% gerechtvaardigd is.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II verwijst naar de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen (Nitraatrichtlijn). Deze tot de randvoorwaarden behorende beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, en bijlage 3, punt 1.8, bij de Uitvoeringsregeling, waarin wordt verwezen naar artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm). Voor het uitrijden van dierlijke mest op een perceel beteeld bouwland geldt de randvoorwaarde zoals uitgewerkt in artikel 5, eerste en vierde lid, van het Bgm in samenhang met artikel 4d van de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen.

5.2

Ingevolge artikel 97, eerste lid, eerste alinea, van Verordening 1306/2013 wordt de in artikel 91 bedoelde administratieve sanctie opgelegd wanneer voorschriften betreffende de randvoorwaarden op enig moment in een bepaald kalenderjaar ("betrokken kalenderjaar") niet worden nageleefd en de niet-naleving in kwestie rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de begunstigde die de steunaanvraag of de betalingsaanvraag in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend.

5.3

Niet in geschil is, en ook het College gaat daarvan uit, dat de medewerker van appellante de dierlijke mest niet emissiearm heeft aangewend. Ter beoordeling staat of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de geconstateerde niet-naleving met opzet is begaan en om die reden terecht aan appellante een randvoorwaardenkorting van 20% heeft opgelegd.

5.4

Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een opzettelijke niet-naleving. Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 7 april 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:122), is, gelet op het bovengenoemde arrest Van der Ham ook sprake van een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden indien de steunontvanger zich zodanig gedraagt dat hij de mogelijkheid aanvaardt dat zich daardoor een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden voordoet. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat de medewerker van appellante is doorgegaan met het uitrijden van de mest over het hele perceel, terwijl direct zichtbaar was dat het werkresultaat op het perceel (op plaatsen) onvoldoende was en de dierlijke meststoffen niet (volledig) in de grond werden aangewend. Door niet direct te stoppen met de werkzaamheden en maatregelen te treffen om de mest die op de grond was aangebracht onder te werken, heeft de medewerker de mogelijkheid van een niet-naleving van de randvoorwaarden aanvaard. De stelling van appellante dat zij de werkzaamheden heeft laten uitvoeren door een deskundig en ervaren medewerker en daarbij duidelijke instructies heeft verstrekt, maakt dat niet anders. Overigens heeft de medewerker in opdracht van appellante de mest op haar percelen uitgereden, zodat de niet-naleving redelijkerwijs aan appellante kan worden toegerekend.

5.5

De hoogte van de randvoorwaardenkorting bedraagt in de regel 20% wanneer een begunstigde de geconstateerde niet-naleving met opzet heeft begaan, zo volgt uit artikel 40 van Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden. Wat betreft de stelling van appellante dat de randvoorwaardenkorting te hoog is in verhouding tot de overtreding, moet worden geoordeeld dat de belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden op grond van het eerste lid van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt beperkt voor zover het besluit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. In dit geval is de belangenafweging beperkt door het bepaalde in artikel 97, eerste lid, van Verordening 1306/2013, in samenhang met de artikelen 38, tweede, derde en vierde lid, en 40, van Verordening 640/2014, op basis waarvan verweerder de mogelijkheid heeft om de korting te verlagen tot niet minder dan 15% of te verhogen tot maximaal 100% van dat totale bedrag indien de ernst, omvang en/of het (permanente) karakter van de niet-naleving daartoe aanleiding geeft. Verweerder heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de korting van 20% te verlagen. Dat het hier, zoals appellante stelt, gaat om een oppervlakte van 2,45 ha, wat een klein niet representatief deel van het bemeste perceel betreft, maakt de ernst van de niet-naleving niet zodanig beperkt dat verweerder de hoogte van de randvoorwaardenkorting al om die reden lager had moeten stellen (vergelijk de uitspraak van het College van 14 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:22).

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. B.J. van de Griend, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.