Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:885

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
19/1692
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Voor het College ligt eerst ter beoordeling voor de vraag of het medicijnlogboek, waarop handmatig aantekeningen zijn aangebracht, kan worden betrokken in de beoordeling. Het College heeft al eerder overwogen (zie de uitspraak van 1 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:563), dat handgeschreven overzichten in zaken als deze als voldoende bewijs kunnen worden aangemerkt wanneer wat daarin opgemerkt aannemelijk te achten is. Temeer nu de door appellante ingediende koekaarten haar stelling onderbouwen. Wat door appellante is aangevoerd ten aanzien van de totale melkproductie acht het College aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2021 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma [naam 1] te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. A.N.M. van Bavel),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 4 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen om de melkproductie nader te onderbouwen en verweerder in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. De aanvulling op het beroepschrift is door het College op 11 februari 2021 ontvangen. Verweerder heeft op 22 februari 2021 een aanvullend verweerschrift ingediend. Appellante heeft daarop op 3 maart 2021 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 14 juni 2021. Voor appellante is [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 (de peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 66, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw (Uitvoeringsbesluit) wordt de door melkkoeien in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen bepaald op basis van het gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige melkkoeien en op basis van forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof en in kilogrammen fosfaat, per dier per jaar, onderscheiden naar de gemiddelde melkproductie per op het bedrijf aanwezige melkkoe.

1.3

Ingevolge artikel 70, eerste lid aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit worden de forfaitaire productienormen, bedoeld in artikel 66, tweede lid, bij ministeriele regeling vastgesteld.

1.4

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Msw worden, voor zover hier van belang, als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit voor de naar de gemiddelde melkproductie onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in bijlage D, tabel II.

Ingevolge het tweede lid van artikel 74 wordt de gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op de peildatum hield zij 123 melk- en kalfkoeien en 108 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.850 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op de peildatum 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was en heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, voor zover gericht tegen de bij de vaststelling van het fosfaatrecht gehanteerde melkproductie, gegrond verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. Het fosfaatrecht is, uitgaande van een hogere melkproductie (1.344.299 kg, en een excretieforfait van 47,8 kg), (hoger) vastgesteld op 6.929 kg. Verweerder heeft de op 30 maart 2018 van appellante ontvangen melding bijzondere omstandigheden (diergezondheidsproblemen) afgewezen, op de grond dat, uitgaande van de door appellante opgegeven alternatieve peildatum 30 juni 2013, de 5%-drempel niet wordt gehaald.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder de melkproductie onjuist heeft vastgesteld. Appellante heeft in 2015 een groot deel van de door haar geproduceerde melk niet kunnen leveren in verband met de toediening van medicijnen aan de koeien. Hierdoor heeft appellante 19.112 kg melk van de behandelde koeien moeten laten weglopen. Appellante stelt zich op het standpunt dat de totale melkproductie 1.345.443 kg behelst. Het excretieforfait moet worden vastgesteld op 49,3 kg, waardoor het fosfaatrecht moet worden verhoogd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een medicijnlogboek overgelegd, waarop appellante handmatig de levensnummers van de koeien op het medicijnlogboek heeft geschreven. Ter onderbouwing van het medicijnlogboek heeft appellante ook de koekaarten overgelegd waarop het medicijngebruik per koe zichtbaar is. Verder heeft appellante een overzicht overgelegd met alle diensten en medicijnen die in 2015 door de dierenarts aan haar geleverd heeft.

4.2

Omdat uit het bestreden besluit niet blijkt of en in hoeverre in de melkproductie over 2015 de melk die wegens medicijngebruik is weggegooid is meegenomen, is het bestreden besluit volgens appellante onvoldoende gemotiveerd.

4.3

Appellante verzoekt ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat appellante met de nadere stukken die zij op 11 februari 2021 heeft overgelegd onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom haar melkproductie moet worden verhoogd. Het is aan appellante om een deugdelijke administratie bij te houden. De uitdraai van het medicijnlogboek dateert van 25 januari 2018. Uit de daarop door appellante met de hand gemaakte opmerkingen blijkt niet wanneer deze er bij zijn geschreven. Voor de door appellante aangeleverde dierkaarten geldt hetzelfde, daar in het opmerkingenveld de laatste behandeldag is toegevoegd. Het is gebruikelijk dat verweerder dergelijke stukken niet meeneemt.

5.2

Voor het geval het College de door appellante ingediende stukken toch in de beoordeling betrekt, stelt verweerder zich op het standpunt dat appellante in haar berekening zoals opgenomen in het aanvullend beroepschrift van 11 februari 2021 voor 3 koeien (met de levensnummers eindigend op 1575, 1645 en 8530) ten onrechte melk heeft opgevoerd. Voor de koe met levensnummer eindigend op 1575 gaat het om 240 liter melk, voor de koe met levensnummer eindigend op 1645 om 390 kg melk en voor de koe met levensnummer eindigend op 8530 om 240 liter melk. Volgens verweerder heeft deze laatste koe op 2 juni 2015 een kalf gekregen en voert appellante ten onrechte voor deze koe 8 dagen wachttijd op. Er is dus ten hoogste 18.617,25 kg melk vanwege medicijngebruik weggelopen en de totale melkproductie van appellante is dus hoogstens 1.344.948,25 kg. De excretiefactor blijft ongewijzigd 47,8 kg.

5.3

Verweerder stelt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. In het bestreden besluit is voldoende ingegaan op de door appellante aangevoerde gronden. Voor zover nodig is de motivering van het bestreden besluit met het (aanvullend) verweerschrift aangevuld.

Beoordeling

6.1

Voor het College ligt eerst ter beoordeling voor de vraag of het medicijnlogboek, waarop handmatig aantekeningen zijn aangebracht, kan worden betrokken in de beoordeling. Het College heeft al eerder overwogen (zie de uitspraak van 1 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:563), dat handgeschreven overzichten in zaken als deze als voldoende bewijs kunnen worden aangemerkt wanneer wat daarin opgemerkt aannemelijk te achten is. Bovendien heeft appellante ter onderbouwing daarvan nog koekaarten overgelegd. Met appellante, en anders dan verweerder, is het College dan ook van oordeel dat de door appellante aangeleverde stukken voldoende aantonen welke koeien welke medicijnen hebben gebruikt in de betreffende periode en wat de duur van de behandelperiode is geweest zodat aannemelijk is dat deze gegevens op juistheid zijn gebaseerd.

6.2.

Nu het College de door appellante ingediende bewijsstukken in de beoordeling meeneemt, is slechts in geschil tussen partijen van welke melkproductie moet worden uitgegaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellante overgelegde berekening voor drie opgevoerde koeien een onjuistheid bevat. Verweerder heeft de door appellante gestelde wachtdagen van de andere opgevoerde koeien niet gemotiveerd betwist, zodat het geschil zich beperkt tot deze drie koeien.

6.3.1

Wat betreft de koe met het levensnummer eindigend op 1575 heeft appellante zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de opgevoerde melkproductie van deze koe in de door haar gemaakte berekening zoals opgenomen in de aanvulling op het beroepschrift van 11 februari 2021 al van de totale melkproductie is afgetrokken, zodat deze 240 kg niet nogmaals van het totaal moet worden afgetrokken. Het College gaat hierin mee.

6.3.2

Wat betreft de koe met het levensnummer eindigend op 1645 heeft appellante erkend dat, zoals verweerder heeft gesteld, de totale melkproductie met 390 kg moet worden verlaagd. Dit is in de laatste door appellante gemaakte berekening zoals opgenomen in de aanvulling op het beroep van 3 maart 2021 betrokken.

6.3.3

Wat betreft de koe met het levensnummer eindigend op 8530 heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat bij deze koe sprake is van zogenoemd ‘duurmelken’, waardoor de melkproductie voor langere tijd hoog wordt gehouden. Appellante verwijst daarbij naar koekaarten van andere koeien waar dat ook voor geldt. Dat de koe is gemolken blijkt verder uit de melkcontroleuitslagen van het dier. Verweerder heeft deze stelling van appellante niet gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het College is hetgeen door appellante is gesteld voldoende aannemelijk gemaakt, zodat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de totale melkproductie zoals door appellante berekend in haar aanvulling op het beroepschrift van 3 maart 2021 met 240 kg moet worden verlaagd.

6.4

Dat betekent dat verweerder de totale melkproductie van appellante ten onrechte heeft vastgesteld op 1.344.299. Verweerder had uit moeten gaan van de door appellante in haar laatste berekening in het aanvullend beroepschrift van 3 maart 2021

gestelde melkproductie van 1.345.443 kg. Onder 7.1 is uitgewerkt wat daarvan het gevolg is voor de vaststelling van het fosfaatrecht van appellante.

6.5

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 14 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met 1 jaar en 7 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uit de stukken blijkt niet, dat zoals verweerder op zitting heeft gesteld, appellante in de bezwaarfase meermaals om uitstel heeft verzocht. Appellante heeft recht op € 2.000,- schadevergoeding.

6.6

Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten 1 jaar en 8 maanden – in beslag heeft genomen en ook de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar – te weten 1 jaar en 11 maanden– heeft geduurd. In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding toe te rekenen aan zowel verweerder als het College. De veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade moet naar evenredigheid worden berekend. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van 14 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – 14 maanden – voor rekening van verweerder komt en het resterende deel –5 maanden – voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.473,68 (14/19e x € 2.000,-) aan appellanten en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 526,32 (5/19e x € 2.000,-) aan appellante.

Slotsom

7.1

Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en het fosfaatrecht vast te stellen op 7.098 kg. Het College gaat bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten uit van 123 melk- en kalfkoeien met een excretieforfait van 49,3 kg (=6.063,9 kg), 56 stuks jongvee jonger dan 1 jaar met een excretieforfait van 9,6 kg (=537,6 kg), 52 stuks jongvee ouder dan 1 jaar met een excretieforfait van 21,9 kg (= 1.138,7 kg) en de generieke korting van 8,3%.

7.2

Het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.870,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze op de reactie van verweerder en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Tevens ziet het College aanleiding om verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten die appellante in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden begroot op € 374,- voor het verzoekschrift hangende beroep waarbij een wegingsfactor 0,5 wordt toegepast. Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechter is toe te rekenen, zal deze vergoeding deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt van de toe te kennen bedragen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) onder 3.14.2). Dat betekent dat verweerder en de Staat worden veroordeeld voor een bedrag van € 187,-.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 7.098 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.473,68;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 526,32,;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.057,-

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 187,-;

- draagt verweerder op het door appellante betaalde griffierecht van € 345,- te

vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van

mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.