Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:863

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
20/752
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Artikel 23, derde en vijfde lid, Meststoffenwet. Artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

Het College acht wel aannemelijk dat appellant dieren heeft ingeschaard en dat het daarbij om kalveren ging, maar verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door appellant overgelegde stukken niet blijkt welke dieren er op welk moment op het bedrijf van appellant stonden. Dat betekent ook dat niet kan worden vastgesteld of het ging om 44 kalveren, in categorie 101 of categorie 102, waardoor een berekening van fosfaatrecht niet mogelijk is. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/752

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2021 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. H. Sikkema),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 22 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Bakker, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, vijfde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Besluiten van verweerder

2. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 0 kg. Uit het I&R-systeem blijkt dat appellant op de peildatum 2 juli 2015 geen dieren hield. Appellant heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de I&R-registratie onjuist is.

Beroepsgronden

3.1

Appellant stelt dat verweerder hem ten onrechte geen fosfaatrecht heeft toegekend.
Op 2 juli 2015 waren er 44 stuks jongvee ouder dan één jaar (en één fokstier) aanwezig op zijn bedrijf. Deze veestapel had hij ingeschaard in de periode van 1 mei 2015 tot het najaar van 2015, zoals blijkt uit zijn aantekeningen. De vergoeding voor het inscharen bedroeg in totaal € 6.500,- en dit bedrag is in drie termijnen betaald door de uitschaarder, zoals blijkt uit de overgelegde bankafschriften. Appellant was in 2015 niet in het bezit van een computer en had daarom met de uitschaarder afgesproken dat deze de I&R-meldingen zou verzorgen. Dat blijkt echter niet te zijn gebeurd en daarom stond het ingeschaarde vee in 2015 niet geregistreerd op het bedrijf van appellant. Appellant wijst nog op zijn mestboekhouding, waaruit ook blijkt dat hij rekening heeft gehouden met de mestproductie van de ingeschaarde dieren. Appellant was op 2 juli 2015 houder van de genoemde dieren en heeft daarom, gelet op artikel 23, vijfde lid, van de Msw, recht op fosfaatrecht voor deze dieren. Hij wijst er daarbij op dat zijn bedrijf grondgebonden is en de generieke korting dus niet van toepassing is.

3.2

Appellant stelt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Hij heeft niet alleen in 2015 vee ingeschaard, maar ook in de jaren daarvoor (2010 t/m 2014) en daarna (2016). Op het moment dat appellant zijn bedrijf wil voortzetten, uitgaande van een productie van 482 kg fosfaat per jaar, zal hij een investering in fosfaatrechten moeten doen van € 60.250,-. Appellant verdient met het inscharen van vee ongeveer € 6.500,- (bruto) per jaar (het grootste deel van zijn inkomen is zijn pensioen), wat betekent dat een dergelijke investering niet realistisch is. Daar staat tegenover dat het bedrijf van appellant zonder fosfaatrecht geen bestaansrecht heeft, terwijl een bedrag van € 6.500,- per jaar wel een substantieel onderdeel is van zijn totale jaarinkomen. Daarbij wijst appellant er nog op dat het fosfaatrechtenstelsel voor hem niet voorzienbaar was.

3.3

Tot slot stelt appellant dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Verweerder is geheel voorbij gegaan aan de feitelijke situatie zoals die op zijn bedrijf speelt en heeft alleen gekeken naar de I&R-registratie. Alleen al daarom kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Standpunt van verweerder

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht geen fosfaatrecht voor het bedrijf van appellant heeft vastgesteld. Uit het I&R-systeem blijkt dat er op de peildatum geen dieren gehouden werden op het bedrijf. De bankafschriften en handgeschreven aantekeningen die appellant heeft overgelegd, bewijzen niet wanneer welke dieren bij hem gestald zouden zijn geweest. Dit is daarom onvoldoende bewijs om aan te nemen dat appellant op de peildatum dieren hield. Daarbij merkt verweerder nog op dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren de houder van de dieren verplicht is de dieren te melden. Het was dus aan appellant om te zorgen dat de dieren juist geregistreerd waren.

4.2

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat van een individuele en buitensporige last geen sprake is. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van appellant liggen, nu hij zelf verantwoordelijk is voor een correcte registratie in het I&R-systeem. Bovendien heeft hij geen inzage gegeven in zijn financiële situatie. Appellant heeft slechts de aangifte inkomstenbelasting 2015 overgelegd, waaruit blijkt dat de inkomsten uit overige werkzaamheden (vee inscharen) netto € 3.888,- per jaar bedragen. Uit deze aangifte blijkt eveneens dat de waarde van de grond die appellant bezit € 90.100,- bedraagt. Dat betekent dat appellant bij verkoop van de grond de gederfde inkomsten voor een periode van 23 jaar zou kunnen opvangen.

4.3

Verweerder is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Er is voldoende ingegaan op de door appellant aangevoerde gronden en voor zover nodig is de motivering met het verweerschrift aangevuld.

Beoordeling

5.1

Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:545) volgt uit het systeem van de Msw dat de I&R-registratie in beginsel leidend is voor het vaststellen van het fosfaatrecht. Wel kan er aanleiding zijn om nader onderzoek te doen naar de juistheid van die registratie als die juistheid onderbouwd wordt betwist. In het geval van appellant stonden er op de peildatum 2 juli 2015 in het I&R-systeem geen dieren op zijn bedrijf geregistreerd. Het College acht het, mede gelet op de overgelegde bankafschriften en de verklaring van de transporteur, wel aannemelijk dat appellant dieren heeft ingeschaard van [naam 2] en dat het daarbij om kalveren ging, maar verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door appellant overgelegde stukken niet blijkt welke dieren er op welk moment op het bedrijf van appellant stonden. Dat betekent ook dat niet kan worden vastgesteld of het ging om 44 kalveren, in categorie 101 of categorie 102, waardoor een berekening van fosfaatrecht niet mogelijk is. Appellant heeft wisselend verklaard over de verdeling van de dieren over deze categorieën. Aangezien de bewijslast van de dieraantallen en -categorieën op de peildatum bij appellant rust, draagt hij ook het risico als het fosfaatrecht niet kan worden vastgesteld omdat deze gegevens ontbreken. Daarbij heeft verweerder terecht opgemerkt dat het de verantwoordelijkheid van appellant is om te zorgen dat de I&R-registratie juist is. Er bestaat in dit geval daarom geen aanleiding om van de I&R-registratie af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet.

5.2.1

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt.

5.2.2

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last.

5.2.3

Naar ter zitting is gebleken heeft appellant landbouwgrond geërfd en is hij ongeveer 15 jaar geleden begonnen met het inscharen van vee op die grond. Hij heeft geen achtergrond als agrarisch ondernemer. Appellant is inmiddels met pensioen en ontvangt AOW met aanvullend pensioen. Daarnaast heeft hij (bescheiden) inkomsten uit het inscharen van vee. Niet gebleken is dat appellant voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van deze neveninkomsten. Het is een ondernemerskeuze van appellant om met de door hem geërfde weidegronden een inschaarbedrijfje te voeren. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer van appellant waardoor hij geen fosfaatrecht heeft gekregen. Appellant is zelf verantwoordelijk voor een juiste I&R-registratie en het komt daarom voor zijn risico dat er geen fosfaatrecht is vastgesteld voor zijn bedrijf. Het College erkent dat deze bedrijfsvoering zonder fosfaatrecht geen bestaansrecht heeft. Of het aankopen van fosfaatrecht voor appellant mogelijk is kan het College niet vaststellen aan de hand van de overgelegde financiële gegevens. Verweerder hoefde daarom geen aanleiding te zien voor een compensatie.

5.3

Tot slot is het College van oordeel dat van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geen sprake is. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat en waarom hij geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van de I&R-registratie. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

6.1

Het beroep is ongegrond.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.