Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:859

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
20/518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het verzoek van appellante om deelname aan de Vrijstellingsregeling afgewezen omdat appellante na de verkoop van een deel van haar fosfaatrechten niet in staat is deze te laten vervallen, ze voldoet dus niet aan de gestelde voorwaarden. Het besluit waarin aan appellante fosfaatrechten zijn toegekend, staat in rechte vast. De rechtmatigheid van dat besluit is in deze procedure niet aan de orde. Ook ligt in deze procedure niet voor of het bedrijf van appellante zich wel leent voor de toekenning van fosfaatrechten, noch welk eventueel nadeel zij ondervindt van de toekenning van deze fosfaatrechten. Voor zover appellante daarmee beoogt te betogen dat de Vrijstellingsregeling inbreuk maakt op haar eigendomsrecht volgt het College haar daarin niet. Appellante heeft vrijwillig een gedeelte van haar fosfaatrechten verkocht. Dat zij dat niet gedaan zou hebben als zij geweten had van de komst van de Vrijstellingsregeling maakt niet dat er sprake is van een inbreuk op haar eigendomsrecht. Appellante is niet gedwongen om deel te nemen aan de Vrijstellingsregeling en de verkochte fosfaatrechten terug te kopen. Appellante kan haar bedrijf voortzetten op de wijze die zij beoogde ten tijd van de verkoop van haar fosfaatrechten. Niet is gesteld of gebleken is dat appellante enig nadeel ondervindt van het niet kunnen deelnemen aan dan wel het bestaan van de Vrijstellingsregeling.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/518

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog).

Procesverloop

Op 12 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om deelname aan de Vrijstellingsregeling zoogkoeienhouderij (Vrijstellingsregeling) in 2018 en 2019 afgekeurd.

Bij besluit van 17 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.

1.2

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.3

Op basis van artikel 2 van de Vrijstellingsregeling is een landbouwer vrijgesteld van het verbod in artikel 21b van de Msw, voor zover hij op zijn bedrijf dierlijke meststoffen produceert met jongvee voor de zoogkoeienhouderij, indien:

a. in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf niet tevens melk- of

kalfkoeien of vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij worden gehouden;

b. hij ervoor zorgt dat met in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf

gehouden vrouwelijke runderen nadien geen dierlijke meststoffen worden

geproduceerd op een bedrijf dat melk bestemd voor consumptie of verwerking

produceert;

c. in het geval de minister ten aanzien van het bedrijf een fosfaatrecht heeft

vastgesteld overeenkomstig artikel 23, derde tot en met zesde en negende lid,

van de wet, een kennisgeving van het vervallen van dit fosfaatrecht met ingang

van het kalenderjaar waarin voor het eerst met het bedrijf gebruik wordt gemaakt

van de vrijstelling, is geregistreerd overeenkomstig artikel 31, tweede lid, van de

wet voorafgaand aan dat kalenderjaar, en

d. hij in het desbetreffende kalenderjaar geen vrouwelijke runderen inschaart van,

of uitschaart naar, een landbouwer die niet is vrijgesteld.

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een zoogkoeienhouderij. Appellante levert haar vee, al dan niet via een tussenpersoon, aan slachthuizen.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het verzoek van appellante om deelname aan de Vrijstellingsregeling bij het primaire besluit afgewezen omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 2, eerste lid, sub c, van de Vrijstellingsregeling. Appellante is na de verkoop van 222,22 kg fosfaatrecht niet in staat deze te laten vervallen.

Beroepsgronden

4.1

Appellante verzoekt in haar beroepschrift al hetgeen eerder in de bezwaarfase is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen.

4.2

Appellante voert verder aan dat zij op het moment van de verkoop van haar fosfaatrechten op 15 februari 2018 niet wist van de Vrijstellingsregeling, nu deze regeling pas op 9 maart 2018 is besproken met de sectorpartijen en op 24 oktober 2018 in werking is getreden. Als appellante had geweten van het bestaan van de regeling, dan had zij haar fosfaatrechten niet verkocht. Appellante kan geen geld lenen van de bank om de al verkochte rechten weer terug te kunnen kopen en moet dan ook weer afromingskosten betalen. De Vrijstellingsregeling heeft met terugwerkende kracht inbreuk gemaakt op een absoluut recht van appellante en is in strijd met artikel 1 EP. Op appellante rust daarom een individuele buitensporige last.

4.3

Dat het jongvee van appellante is meegenomen in het fosfaatrechtenstelsel is niet terecht. De kalveren zijn voor het vlees bedoeld en zijn geen melkkoeien.

4.4

Als appellante in aanmerking wil komen voor de Vrijstellingsregeling lijdt zij schade omdat zij dan het verkochte fosfaatrecht moet terugkopen. Voor deze schade moet zij gecompenseerd worden.

Standpunt van verweerder

5.1

Voor zover appellante haar beroepsgronden heeft herhaald en ingelast, verwijst verweerder naar het bestreden besluit.

5.2

Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat zij ten onrechte fosfaatrechten heeft ontvangen voor het bij haar aanwezige jongvee, stelt verweerder zich op het standpunt dat zij niet in beroep is gegaan tegen het besluit van 3 april 2019, waarin haar 347 kg fosfaat is toegekend. Daarmee staat het aantal fosfaatrechten van appellante onherroepelijk vast.

5.3

Dat appellante niet wist van de Vrijstellingsregeling en daarop niet kon anticiperen, betwist verweerder. Appellante heeft op 15 februari 2018 de koopovereenkomst getekend en bijna een maand later, op 14 maart 2018 een melding overdracht fosfaatrechten ingediend bij verweerder. Verder is appellante in een brief van 18 mei 2018 de mogelijkheid geboden om de melding overdracht fosfaatrechten in te trekken. Nu appellante hiervan geen gebruik heeft gemaakt en bovendien een ingebrekestelling aan verweerder heeft gestuurd, is verweerder van mening dat de overdracht terecht is verwerkt. Uit de door appellante overgelegde koopovereenkomst blijkt dat betaling aan verkoper binnen tien dagen na overschrijving van de fosfaatrechten door verweerder zal geschieden. Tevens blijkt uit de overeenkomst dat de overeenkomst van rechtswege wordt ontbonden indien van overheidswege de gekochte fosfaatrechten niet uiterlijk 1 juli 2018 kunnen worden overgedragen. Nu verweerder de overdracht van fosfaatrechten op 28 september 2018 had verwerkt had appellante mogelijk op deze basis de overdracht terug kunnen draaien.

5.4

Over het verzoek om vergoeding van schade stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

Beoordeling

6.1

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, overweegt het College dat appellante daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht verweerders motivering in het bestreden besluit ontoereikend is, zodat het College daaraan voorbij gaat.

6.2

Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat zij voor haar (jong)vee geen fosfaatrechten had moeten krijgen, overweegt het College als volgt. Verweerder heeft bij het besluit van 3 april 2019 het fosfaatrecht van appellante (laatstelijk) vastgesteld. Appellante is tegen dit besluit niet (binnen de daarvoor geldende termijn) in beroep gegaan, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtmatigheid van dat besluit is in deze procedure niet aan de orde. Het besluit tot toekenning van fosfaatrechten en het besluit waarin het verzoek om deel te nemen aan de Vrijstellingsregeling is afgewezen zijn twee afzonderlijke besluiten, waartegen afzonderlijk bezwaar openstond. Appellante kan in deze procedure de vaststelling van het aantal fosfaatrechten dus niet meer aanvechten. Ook ligt in deze procedure niet voor of het bedrijf van appellante zich wel leent voor de toekenning van fosfaatrechten, noch welk eventueel nadeel zij ondervindt van de toekenning van deze fosfaatrechten. Die door appellante aangevoerde beroepsgronden vallen buiten de omvang van het geschil. In deze zaak kan het College zich uitsluitend buigen over de vraag of de verzoek van appellante om vrijstelling van de verbodsbepaling uit artikel 21b van de Msw door verweerder mocht worden afgewezen, met andere woorden of het bestreden besluit inhoudelijk juist is.

6.3.1

Appellante betwist niet dat zij niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Vrijstellingsregeling, maar heeft gesteld dat de Vrijstellingsregeling inbreuk maakt op een absoluut recht en in strijd is met artikel 1 EP omdat de komst daarvan voor haar niet voorzienbaar was. Voor zover appellante daarmee beoogt te betogen dat de Vrijstellingsregeling inbreuk maakt op haar eigendomsrecht volgt het College haar daarin niet. Appellante heeft vrijwillig een gedeelte van haar fosfaatrechten verkocht. Dat zij dat niet gedaan zou hebben als zij geweten had van de komst van de Vrijstellingsregeling maakt niet dat er sprake is van een inbreuk op haar eigendomsrecht. Appellante is niet gedwongen om deel te nemen aan de Vrijstellingsregeling en de verkochte fosfaatrechten terug te kopen. Appellante kan haar bedrijf immers voortzetten op de wijze die zij beoogde ten tijd van de verkoop van haar fosfaatrechten. Niet is gesteld of gebleken is dat appellante enig nadeel ondervindt van het niet kunnen deelnemen aan dan wel het bestaan van de Vrijstellingsregeling. Van een individuele buitensporige last is en van strijd met artikel 1 van het EP is dan ook geen sprake. De beroepsgrond faalt.

6.4

Nu het College tot het oordeel is gekomen dat het beroep van appellante ongegrond is, is er in deze procedure geen grondslag voor vergoeding van schade wegens onrechtmatige besluitvorming.

Slotsom

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.