Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:842

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
19/948
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Landbouw. Betalingsrechten 2015. Weigering verweerder om terug te komen op een eerder besluit, dat al vanwege de discussie over de zogenoemde N-percelen was herzien. Appellant heeft rapport ingebracht waarmee volgens hem het bewijs wordt geleverd dat een aantal door verweerder afgekeurde percelen tóch subsidiabel is. Geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Dit betekent dat het standpunt van verweerder dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is en dat dit de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit in beginsel kan dragen. Dat is slechts anders indien het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/948

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Wullink),

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellant om zijn besluit van 30 november 2017 te herzien.

Bij besluit van 20 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 17 augustus 2020 heeft appellant het College verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van door hem geleden schade.

Verweerder heeft op dat verzoek gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Vervolgens is het College tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en is partijen bij brief van 3 december 2020 meegedeeld dat het onderzoek is heropend. Bij die brief zijn tevens enkele vragen gesteld. Appellant en verweerder hebben bij brieven van respectievelijk 8 januari 2021 en 29 januari 2021 antwoord gegeven op de vragen. Bij brief van 24 juni 2021 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Vervolgens heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 6 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant heeft in de door hem ingediende Gecombineerde Opgave 2015 opgegeven over 205,46 ha ‘GLB oppervlakte’ te beschikken. Daarvan heeft appellant 87,21 ha opgegeven voor het toewijzen en het uitbetalen van betalingsrechten. Bij besluit van
21 april 2016 heeft verweerder 54,48 betalingsrechten aan appellant toegewezen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 21 juli 2016 54,48 ha voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 in aanmerking genomen. Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 11 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:212) is verweerder overgegaan tot een herbeoordeling van een aantal percelen dat eerder niet was aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Verweerder heeft vervolgens bij besluiten van 30 november 2017 en
26 maart 2018 de besluiten van respectievelijk 21 april 2016 en 21 juli 2016 herroepen. Daarbij heeft verweerder 76,43 betalingsrechten toegewezen en 76,43 ha voor de uitbetaling voor het jaar 2015 in aanmerking genomen.

2. De hiervoor onder 1. genoemde besluiten zijn onderwerp geweest van een beroepsprocedure bij het College met de zaaknummers 16/1280 en 17/463. Het beroep tegen de besluiten van 30 november 2017 en 26 maart 2018 is bij uitspraak van 11 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:476) ongegrond verklaard. Het College heeft daarin onder meer overwogen dat appellant niet had gemotiveerd op grond waarvan de door hem opgegeven percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 als subsidiabele landbouwgrond moesten worden aangemerkt. Ook heeft het College in die uitspraak overwogen dat appellant ten aanzien van de door hem opgegeven percelen 1, 18, 33, 64, 66, 86, 88, 90, 92, 94, 96 en 100, die door verweerder gedeeltelijk subsidiabel waren geacht, evenmin had onderbouwd op grond waarvan deze onjuist waren beoordeeld.

3. Bij brief van 26 maart 2018, als toegelicht in telefoongesprekken met verweerder, heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 30 november 2017 over de betalingsrechten voor 2015.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om herziening afgewezen, omdat de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden reeds in de bezwaar- en beroepsprocedures aan de orde zijn geweest. Verweerder heeft dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hierin heeft verweerder uiteengezet dat het belang van appellant, dat appellant in het geval hij gebruik zou hebben gemaakt van de beschikbare rechtsmiddelen mogelijk meer betalingsrechten zou hebben ontvangen, niet opweegt tegen het belang van verweerder om in rechte vaststaande besluiten in stand te houden. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd dat het in stand laten van de besluiten waarvan hij herziening vraagt, in dit geval evident onredelijk is.

5.1

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat wel degelijk sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant wijst erop dat hij thans over een rapport beschikt dat op 30 oktober 2018 is opgesteld door inspecteurs van de Nederlands Voedsel- en Warenautoriteit (rapport) naar aanleiding van bedrijfsinspecties op 4, 24, 25 en
26 oktober 2018. Met het beroep wenst appellant, zoals toegelicht ter zitting, te bereiken dat verweerder alsnog betalingsrechten toewijst en tot uitbetaling van betalingsrechten overgaat voor het jaar 2015. Appellant wijst erop dat de in het rapport genoemde percelen blijkens het rapport als subsidiabele landbouwgrond dienen te worden aangemerkt. Met dit rapport wordt volgens appellant dan ook alsnog het bewijs geleverd waarover hij ten tijde van de procedure bij het College, die leidde tot de uitspraak van 11 september 2018, nog niet beschikte.Bij brief van 24 juni 2021 heeft appellant ter aanvulling van zijn betoog nog gewezen op nader beschikbaar gekomen informatie in het kader van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Daaruit blijkt dat op basis van de nieuwe topografische begrenzing van de percelen de oppervlakte van de percelen minimaal 234,12 ha is.

5.2

In het verzoekschrift tot het vergoeden van schade heeft appellant erop gewezen dat hij door het handelen van verweerder schade heeft geleden. Het gaat daarbij om schade die is ontstaan als gevolg van de onterechte afwijzing van het verzoek om herziening en hem niet de betalingsrechten toe te wijzen en uit te betalen voor het jaar 2015.

6. Ter zitting van 6 juli 2021 heeft verweerder zich in aanvulling op het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden omdat de percelen waarvan appellant thans stelt dat deze als subsidiabele landbouwgrond dienen te worden aangemerkt, door appellant destijds in de Gecombineerde Opgave 2015 met gewascode 332 zijn opgegeven, wat staat voor “Grasland, natuurlijk. Hoofdfunctie natuur”. Daarmee heeft appellant zelf aangegeven dat die percelen niet subsidiabel zijn. De informatie uit het rapport brengt derhalve, aldus verweerder, geen wijziging in het feit dat appellant voor de percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 geen uitbetaling heeft aangevraagd.

7. Het College overweegt het volgende.

7.1

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

7.2

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van
15 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:20).

7.3.1

Het College stelt vast dat verweerder in deze zaak in overeenstemming met zijn bestuurspraktijk toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

7.3.2

Uit vaste jurisprudentie volgt dat een uitspraak van een rechterlijke instantie, voor zover daarin een (nadere) uitleg van het toepasselijke recht wordt gegeven, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De uitspraak van het College van 11 juli 2017 is, zoals verweerder terecht in het bestreden besluit heeft overwogen, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in die zin. Verweerder heeft overigens bij de besluiten van 30 november 2017 en 26 maart 2018 reeds rekening gehouden met de genoemde uitspraak van het College van 11 juli 2017 door een aantal opgegeven zogenoemde N-percelen alsnog subsidiabel te achten. Het beroep tegen die besluiten is vervolgens door het College ongegrond verklaard.

7.3.3

Het geschil spitst zich allereerst toe op de percelen die in de Gecombineerde Opgave 2015 zijn genummerd als 3, 34, 41, 43, 44, en 45 en in het rapport zijn genummerd als respectievelijk 42, 39, 32, 38, 41 en 37. Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van deze percelen voor het aanvraagjaar 2015 vastgesteld op 0 ha, omdat geen sprake is van subsidiabele landbouwgrond. Het College onderschrijft niet het standpunt van appellant dat uit het rapport – dat dateert uit oktober 2018 – volgt dat die percelen ook voor het aanvraagjaar 2015 als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt dienen te worden, reeds omdat dit niet wegneemt dat appellant deze percelen in de Gecombineerde Opgave 2015 zelf met een niet subsidiabele gewascode heeft opgegeven. Appellant heeft die percelen immers opgegeven met de gewascode 332 (Grasland, natuurlijk. Hoofdfunctie natuur), terwijl appellant ermee bekend was of had moeten zijn dat die code geen aanspraak gaf op toewijzing van betalingsrechten en/of uitbetaling ervan. Appellant heeft in de eerdere procedure ook niet aangevoerd dat de opgave van die gewascode 332 dient te worden aangemerkt als een kennelijke fout.

7.3.4

Wat betreft de percelen 26 en 62 heeft appellant ter zitting van het College van
6 juli 2021 verklaard dat deze niet langer in geschil zijn. Wat betreft de percelen 40, 64 en 65, moet worden vastgesteld dat verweerder die percelen voor het aanvraagjaar 2015 al grotendeels had goedgekeurd en dat in het rapport voor die percelen in 2018 juist mínder oppervlakte is goedgekeurd, zodat reeds daarom niet valt in te zien dat het rapport voor appellant tot een gunstiger resultaat kan leiden. Wat betreft perceel 33 heeft verweerder in diens brief van 29 januari 2021 niet, althans onvoldoende weersproken uiteengezet dat de door hem in het aanvraagjaar 2015 geconstateerde subsidiabele oppervlakte groter is dan die in het rapport ten aanzien van de percelen 16, 23 en 43 tezamen is vastgesteld. Verweerder leidt daaruit af dat perceel 33 niet geheel is gecontroleerd door de NVWA. Ook voor dit perceel ziet het College niet in dat het rapport voor appellant tot een gunstiger resultaat kan leiden.

7.3.5

De door appellant bij brief van 24 juni 2021 overgelegde nadere informatie in het kader van de BGT, werpt geen ander licht op het voorgaande, reeds omdat die informatie vooral betrekking heeft op de situatie in 2021.

7.3.6

Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb die tot heroverweging van het besluit van 30 november 2017 noopten, is dan ook geen sprake.

7.4

Dit betekent dat het standpunt van verweerder dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan, gelet op het in 7.2 weergegeven toetsingskader, de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 30 november 2017 in beginsel dragen. Dat is slechts anders indien het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is.

slotsom

8. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

9. Het College zal het verzoek tot het vergoeden van schade die appellant stelt te hebben geleden als gevolg van het handelen van verweerder afwijzen. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, voor zover hier van belang, een onrechtmatig besluit. Daarvan is hier geen sprake.

redelijke termijn

10.1

Appellant heeft ter zitting een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College overweegt hierover als volgt.

10.2

In een niet-punitieve procedure, die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014, geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag voor de toedeling van de schadevergoedingsplicht de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Het bezwaarschrift van appellant is door verweerder ontvangen op 24 januari 2019. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar (eindigend op 24 januari 2021) met ruim zeven maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

10.3

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, betekent dit dat appellant recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan appellant.

10.4

Het College ziet aanleiding de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot vergoeding van de door appellant gemaakte kosten voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,- te betalen;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 374,-;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. B. Bastein en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.