Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:835

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
21-578
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Als van een geding bij de rechter in hoger beroep van rechtswege deel uitmaakt een besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en tegen dat besluit beroep wordt ingesteld door een entiteit die geen partij is bij het geding in hoger beroep, is de rechter in hoger beroep (ook) bevoegd om kennis te nemen van dat beroep.

Wetsbepalingen: artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht

Wetsverwijzingen
Mededingingswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/578

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 augustus 2021 op het beroep van:

Kiesjefolders B.V., te Haarlem (Kiesjefolders)

(gemachtigde: mr. drs. C.C.J. Hartendorf),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. J. Bootsma),

met als derde-partij

PostNL N.V., te Den Haag (PostNL)

(gemachtigde: mr. T.D.O. van der Vijver)

Procesverloop

Kiesjefolders heeft bij de rechtbank Rotterdam beroep ingesteld tegen het besluit van

9 april 2021 waarbij de staatssecretaris op grond van artikel 47, eerste lid, van de Mededingingswet heeft besloten tot verlening van een vergunning aan PostNL voor het tot stand brengen van de concentratie tussen PostNL en Sandd Beheer B.V. (Sandd).

De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan het College.

Kiesjefolders heeft een door het College gestelde vraag beantwoord en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Daarnaast zijn verschenen: namens Kiesjefolders [naam 1] , namens de staatssecretaris J.H. Keinemans en R.J. Dantuma en namens PostNL [naam 2] .

Overwegingen

1.1

Voor de voorgeschiedenis verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:349).

1.2

Het besluit van 9 april 2021 strekt tot uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:5122).

2. Het College acht zich op grond van de volgende overwegingen bevoegd om kennis te nemen van het beroep van Kiesjefolders. Bij het College zijn aanhangig de door de staatssecretaris en PostNL ingestelde hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2020 voor zover daarbij is beslist op de beroepen van [naam 3] B.V. en RM (Netherlands) B.V. tegen het (eerdere) besluit van de staatssecretaris van 27 september 20219. Op grond van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt het (latere) besluit van de staatssecretaris van

9 april 2021 van rechtswege deel uit van die gedingen. Aan de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb en de rechtspraak daarover van de hoogste bestuursrechters ligt mede ten grondslag de opvatting dat het niet wenselijk is dat tegelijkertijd bij twee rechterlijke instanties - in dit geval de rechtbank Rotterdam en het College - procedures aanhangig zijn met betrekking tot één en hetzelfde besluit. Om die reden is niet de rechtbank Rotterdam maar het College bevoegd.

3. Het College moet vervolgens beoordelen of het beroep van Kiesjefolders ontvankelijk is. Met de staatssecretaris en PostNL beantwoordt het College die vraag ontkennend. Het College stelt voorop dat het besluit van 9 april 2021 dient ter vervanging van het vernietigde besluit van 27 september 2019. Het College heeft in zijn uitspraak van 30 maart 2021, kort gezegd, geoordeeld dat het beroep van Kiesjefolders tegen het besluit van 27 september 2019 niet-ontvankelijk is bij gebrek aan een actueel en voldoende zeker belang. Het beroep van Kiesjefolders tegen het besluit van 9 april 2021 is eveneens niet-ontvankelijk, tenzij ten tijde van de beroepstermijn op dit punt sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat Kiesjefolders nu wel een actueel en voldoende zeker belang heeft. Kiesjefolders heeft aangevoerd dat bij het bepalen of sprake is van een actueel en voldoende zeker belang een termijn van acht jaar in plaats van vijf jaar in ogenschouw moet worden genomen, omdat in het besluit van 9 april 2021 een termijn van acht jaar is opgenomen voor de gelding van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Dit betoog ziet eraan voorbij dat de termijn van acht jaar ook al in het besluit van 27 september 2019 stond. Dit is dan ook geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid. Kiesjefolders heeft verder aangevoerd dat, als toch een termijn van slechts vijf jaar in ogenschouw moet worden genomen, deze ingaat op de dag na de datum van het besluit van 9 april 2021 en daarmee eindigt na de afloop van de voorafgaand aan de concentratie tussen Sandd en Kiesjefolders gesloten overeenkomsten (op 31 december 2024). Dit betoog slaagt alleen al niet, omdat in het besluit van 9 april 2021 is opgenomen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften gelden vanaf het tot stand brengen van de concentratie (op 22 oktober 2019).

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep van Kiesjefolders niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. J.H. de Wildt en

mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. P.E.A. Chao, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2021.

w.g. T.G.M. Simons w.g. P.E.A. Chao