Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:821

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
19/1752 en 19/1753
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Het College stelt vast dat uit de in deze zaak beschikbare stukken het beeld naar voren komt dat betrokkene in het algemeen zowel bij de voorbereiding als tijdens de uitvoering van de controle van de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekeningen van PAG voldoende controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd. Op het punt van de controle van de waardering van de immateriële vaste activa en de financiële vaste activa is gebleken dat hij zijn werkzaamheden met meer diepgang had moeten uitvoeren. Ten aanzien van de immateriële vaste activa is naar voren gekomen dat het management belangrijke informatie over de definitieve beëindiging van de dealerovereenkomst met Mercedes-Benz voor betrokkene heeft achtergehouden, terwijl niet gezegd kan worden dat betrokkene hier onvoldoende naar heeft geïnformeerd. Gelet op het vorenstaande, alsmede op het feit dat aan betrokkene niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, acht het College het passend en geboden om aan betrokkene de maatregel van waarschuwing op te leggen. Vernietiging bestreden uitspraak.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/1752 en 19/1753


Uitspraak van de meervoudige kamer van 10 augustus 2021 op de hoger beroepen van:

[naam 1] , te [plaats 1] ( [naam 1] ), curator in de faillissementen van [naam 2] B.V., [naam 3] B.V., [naam 4] B.V. en [naam 5] B.V.

(gemachtigde: mr. drs. J. van Bekkum),

en

[naam 6] RA, te [plaats 1] , ( [naam 6] )

(gemachtigden: mr. drs. J.F. Garvelink en mr. W.K. van den Berg),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 11 oktober 2019, gegeven op een klacht, door [naam 1] ingediend tegen [naam 6] .


Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
11 oktober 2019, met nummer 18/2250 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2019:68). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 19/1752.

[naam 6] heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Dit hoger beroep is geregistreerd met zaaknummer 19/1753.

[naam 1] en [naam 6] hebben een schriftelijke reactie op elkaars hogerberoepschrift gegeven.

Bij brief van 30 april 2021 heeft [naam 6] nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. [naam 1] en [naam 6] zijn verschenen, beiden bijgestaan door hun gemachtigde(n).

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 6] is sinds 9 november 1994 ingeschreven als registeraccountant in het register van (thans) de Nba. Hij is werkzaam voor [naam 7] B.V. ( [naam 7] ).

1.3

[naam 6] heeft de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekeningen 2011 en 2012 van [naam 2] B.V. ( [naam 2] ) gecontroleerd. Deze vennootschap was de topholding binnen een groep vennootschappen ( [naam 34] ) die actief waren in de verkoop, lease en schadeherstel van auto’s. [naam 2] had meerdere (klein)dochtermaatschappijen, waaronder [naam 3] B.V. ( [naam 3] ), [naam 8] B.V. ( [naam 8] ), [naam 9] B.V. ( [naam 9] ), [naam 10] B.V. ( [naam 10] ), [naam 11] West B.V. ( [naam 11] ), [naam 12] B.V. en [naam 13] B.V.

[naam 5] B.V. ( [naam 5] ) was de persoonlijke vennootschap van [naam 14] . Deze hield 62,5% van de aandelen in [naam 2] en 100% van de aandelen in [naam 15] B.V. ( [naam 15] ). De overige 37,5% van de aandelen in [naam 2] werden gehouden door [naam 16] , een holdingmaatschappij van [naam 17] .

1.4

In 2011 heeft de [naam 34] de volgende bedrijven aangekocht: [naam 4] B.V. ( [naam 4] ; deze is onderdeel van [naam 10] geworden), [naam 18] B.V. (51%), [naam 19] B.V., [naam 20] B.V. ( [naam 20] ) en [naam 21] B.V. (deze zijn alle onderdeel van [naam 8] geworden). In 2012 zijn aangekocht [naam 22] B.V. (deze is onderdeel van [naam 11] geworden), [naam 23] B.V. ( [naam 23] ) en [naam 24] B.V. (deze zijn onderdeel van [naam 8] geworden).

1.5

[naam 6] heeft de goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekeningen 2011 en 2012 van [naam 2] afgegeven op 31 oktober 2012 en 29 juni 2013. Op 11 januari 2013 heeft hij de goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2011 van [naam 5] B.V. en op 12 juni 2013 de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2012 van [naam 9] .

1.6

[naam 8] is op 24 december 2013 in staat van faillissement verklaard, [naam 2] op
25 maart 2014, [naam 3] op 26 maart 2014, [naam 4] op 12 mei 2015 en [naam 5] B.V. op
2 april 2016.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer houdt de volgende verwijten in:

  1. de controlewerkzaamheden schoten tekort op het punt van de waardering door [naam 2] van de immateriële vaste activa;

  2. de controlewerkzaamheden schoten tekort op het punt van de waardering door [naam 2] van de materiële vaste activa (het onroerend goed);

  3. de controlewerkzaamheden schoten tekort op het punt van de waardering door [naam 9] van de materiële vaste activa (het onroerend goed);

  4. e controlewerkzaamheden schoten tekort op het punt van de waardering door [naam 2] van de financiële vaste activa;

  5. de controlewerkzaamheden schoten tekort op het punt van de waardering door [naam 5] B.V. van de financiële vaste activa;

  6. de controlewerkzaamheden schoten tekort ten aanzien van de continuïteitsveronderstelling van [naam 2] ;

  7. [naam 7] was op meerdere manieren betrokken bij de entiteiten van [naam 2] en [naam 6] heeft de schijn van afhankelijkheid niet voorkomen.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen a, d en e gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan [naam 6] de maatregel van berisping opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Het College zal in het navolgende eerst ingaan op het hoger beroep van
[naam 6] met betrekking tot de gegrond verklaarde klachtonderdelen a, d en e en vervolgens op het hoger beroep van [naam 1] met betrekking tot de ongegrond verklaarde klachtonderdelen b, c, f en g.

Het hoger beroep van [naam 6]

4. [naam 6] voert aan dat de weergave van de klachtonderdelen in de bestreden uitspraak afwijkt van zijn weergave in het verweerschrift. Hij stelt dat de accountantskamer de verwijten te ruim heeft omschreven. Naar het oordeel van het College blijkt uit de beoordeling van de klachtonderdelen in de uitspraak dat de accountantskamer de verwijten niet ruimer heeft opgevat dan ook [naam 6] heeft gedaan.

Klachtonderdeel a

5. [naam 6] kan zich niet verenigen met het gegrond verklaren van klachtonderdeel a. Dit betreft het verwijt dat zijn controlewerkzaamheden op het punt van de waardering door [naam 2] van de immateriële vaste activa tekortschoten. Meer bepaald ziet dit verwijt op de in de jaarrekening 2012 van [naam 2] geactiveerde goodwill en contract- en klantwaarde naar aanleiding van, ten eerste, de aankoop van [naam 4] en, ten tweede, de aankoop van [naam 23] en [naam 20] (als onderdeel van [naam 8] ).

6.1

De accountantskamer heeft over het ten eerste genoemde geoordeeld, samengevat, dat [naam 6] in zijn controle heeft vastgesteld dat sprake was van twee indicaties voor een bijzondere waardevermindering. Op grond van RJ 121.202 dient de rechtspersoon in dat geval de realiseerbare waarde van het actief te schatten. Naar het oordeel van de accountantskamer had [naam 6] geen genoegen mogen nemen met de notitie van het management, waarin werd beargumenteerd waarom een afwaardering niet aan de orde werd geacht. Hij had van het management moeten verlangen dat het de realiseerbare waarde van de goodwill en de klant- en contractwaarde zou bepalen in overeenstemming met de bepalingen van paragraaf RJ 121.3. Niet gebleken is dat [naam 6] dit heeft gedaan.

6.2

Over het ten tweede genoemde heeft de accountantskamer geoordeeld dat [naam 6] in strijd heeft gehandeld met paragraaf 41 van NV COS 700 “Het vormen van een oordeel en het rapporteren over financiële overzichten” zoals die gold ten tijde van het afgeven van de bewuste controleverklaring. Hierin is, samengevat, bepaald dat de controleverklaring niet vroeger dient te worden gedateerd dan de datum waarop de accountant voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen. [naam 6] heeft op 3 juli 2013 de impairmentanalyse met betrekking tot de immateriële vaste activa uit hoofde van de aankoop van [naam 23] van het management ontvangen en op 5 juli 2013 kreeg hij de beschikking over de door de accountant van [naam 23] beoordeelde impairmentanalyse van de goodwill. De goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening van [naam 2] - waarin de cijfers over [naam 23] waren opgenomen - had hij toen al getekend. De omstandigheid dat [naam 6] deze verklaring pas aan [naam 2] ter beschikking heeft gesteld nadat hij de nagekomen stukken had beoordeeld, maakt het vorenstaande volgens de accountantskamer niet anders.

7.1

[naam 6] is van mening dat hij bij de jaarrekeningcontrole op het punt van de goodwill en de contract- en klantwaarde van [naam 4] voldoende werkzaamheden heeft verricht. Die werkzaamheden hebben, samengevat, uit het volgende bestaan. Hij heeft om een impairmentanalyse gevraagd ten aanzien van de immateriële vaste activa met betrekking tot [naam 10] , en die ook van het management ontvangen. Hij heeft het management een position paper laten opstellen over de invloed van de opzegging door [naam 25] op de waardetoekenning aan de dealercontracten in de jaarrekening. Het management heeft hierop gemotiveerd gesteld uit te gaan van continuering van het dealercontract. Hij heeft deze motivering getoetst. Voorts heeft hij het management (in ieder geval) in januari en in juni 2013 opnieuw bevraagd over het dealercontract, waarbij expliciet de vraag is gesteld of er signalen zijn ontvangen dat [naam 4] géén nieuw dealercontract zou krijgen. Ook heeft hij gevraagd wat het scenario zou zijn als er geen nieuw dealercontract zou komen. Volgens het management was dan alsnog een realistisch businessmodel mogelijk. [naam 6] stelt verder dat hij de vinger aan de pols heeft gehouden ten aanzien van de onderhandelingen tussen [naam 4] en Stern over samenvoeging van de [naam 25] activiteiten door zich hierover zowel door het management als [naam 26] te laten informeren. Tevens heeft hij het management gevraagd om een additionele prognose en de resultaten voor alleen de [naam 25] activiteiten. Hij heeft de cijfers tot en met april 2013 en de prognoses getoetst en geanalyseerd. Hij heeft de dagvaarding beoordeeld die was uitgebracht tegen de verkoper van [naam 4] en vervolgens het management gevraagd om een analyse van de vraag of hetgeen in de dagvaarding was gesteld van invloed kon zijn op de waarde van de goodwill. En ten slotte heeft hij de werkzaamheden en overwegingen vastgelegd in het dossier.

[naam 6] stelt dat hij de waarde van de immateriële vaste activa van [naam 4] dan ook aan serieuze controlewerkzaamheden heeft onderworpen en niet, zoals de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld, slechts genoegen heeft genomen met de reactie van het management. Op basis van de hem beschikbare informatie kon hij redelijkerwijs tot het oordeel komen dat de door de leiding gemaakte verslaggevingskeuze een aanvaardbare was. Dat is volgens [naam 6] het relevante criterium. Dat het management ervoor heeft gekozen bepaalde stukken en informatie achter te houden en niet aan hem te verstrekken, kan hem in dit licht niet worden tegengeworpen. In dit kader verwijst [naam 6] tevens naar de bevestiging die het management in de ‘letter of representation’ (LOR) heeft gegeven. [naam 6] bestrijdt dat hij bij de controle van de immateriële vaste activa ten aanzien van [naam 4] tekort is geschoten. Uit het bovenstaande blijkt dat hij kritisch is geweest en voldoende controle-informatie heeft vergaard. Dat de samenwerking met Stern uiteindelijk onder ongunstigere voorwaarden tot stand is gekomen dan verwacht, maakt dit niet anders. Dat was op het moment van aftekenen niet te voorzien.

7.2

Volgens [naam 6] berust het oordeel van de accountantskamer over de goodwill en de contract- en klantwaarde van [naam 23] op de onjuiste veronderstelling dat er aanleiding was voor (een indicatie voor) een bijzondere waardevermindering in de jaarrekening 2012 van [naam 2] . Van een bijzondere, duurzame waardevermindering was echter al geen sprake, omdat [naam 23] net (in augustus 2012) was aangekocht, met een ‘purchase price allocation’ (PPA) per 31 december 2012. Bovendien was niet in te zien hoe een eventuele waardevermindering materieel zou kunnen zijn, nu de materialiteit voor [naam 2] voor de jaarrekening 2012 was vastgesteld op € 1.500.000,- met een uitvoeringsmaterialiteit van
€ 1.120.000,-. Verder had [naam 23] in 2012 een positief resultaat behaald van € 246.000,- (voor belastingen). Bij de controle van de jaarrekening 2012 van [naam 8] heeft [naam 6] de verslechterde markt en het verlies van [naam 23] in het eerste vier maanden van 2013 ter hoogte van € 40.000,- als indicatie voor bijzondere waardevermindering gesignaleerd. Daarbij kan men overigens de vraag stellen of een en ander wel daadwerkelijk als indicaties konden worden beschouwd, omdat de verwachting ook daar was dat deze niet daadwerkelijk tot een waardevermindering van de immateriële vaste activa zou leiden. In dit kader heeft het management van [naam 8] een impairmentanalyse opgesteld, die [naam 6] op
3 juli 2013 ontving nadat hij de controleverklaring bij de jaarrekening 2012 van [naam 2] al had ondertekend. Hij heeft deze analyse in het kader van de controle van de jaarrekening 2012 van [naam 8] beoordeeld, maar daarbij ook gekeken of deze nieuwe informatie in de weg stond aan het verstrekken van zijn goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van [naam 2] . Dat was niet het geval. Ook als een impairmentanalyse voor laatstgenoemde jaarrekening geïndiceerd zou zijn geweest, wat niet het geval was, kan worden gesteld dat hij toen hij de verklaring afgaf over alle informatie beschikte. Hooguit kan hem dan worden verweten dat hij de verklaring later had moeten dateren. Dat is echter niet de klacht.

8.1

Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer in de overwegingen 4.7 tot en met 4.9 van de bestreden uitspraak dat [naam 6] van het management had moeten verlangen dat het de realiseerbare waarde van de goodwill en de klant- en contractwaarde zou bepalen en maakt dat oordeel tot de zijne. Indien in het kader van de identificatie van risico’s op een materiële afwijking in de jaarrekening indicatoren zijn geïdentificeerd, dient de accountant het bestuur een schatting te laten maken van de realiseerbare waarde van de goodwill en de klant- en contractwaarde conform RJ 121.3. Uit het controledossier (‘Risico IVA 2’) blijkt dat [naam 6] ten aanzien van zowel de goodwill als ‘overige IVA’ twee indicaties voor bijzondere waardevermindering heeft gesignaleerd, namelijk als externe indicatie belangrijke veranderingen die nadelig effect kunnen hebben op de rechtspersoon, en als interne indicatie mogelijke beëindiging van activiteiten. Gelet op deze vaststellingen had hij van het management moeten verlangen een analyse van de realiseerbare waarde uit te voeren. Indien [naam 6] (in navolging van het management van de rechtspersoon uiteindelijk) tot de beoordeling was gekomen dat er geen sprake is van een indicatie voor een bijzondere waardevermindering, dan had hij de desbetreffende vraag in het controledossier niet (twee maal) bevestigend, maar ontkennend moeten beantwoorden. Voor zover [naam 6] in dit verband over ‘mogelijke indicaties’ spreekt, betreft dit geen begrip uit de RJ. Indien [naam 6] niet het door de RJ voorgeschreven pad had willen bewandelen, dan had hij dat expliciet in het controledossier moeten beschrijven. Dit heeft hij echter niet gedaan.

8.2

Voorts is het College met de accountantskamer van oordeel dat [naam 6] kan worden verweten dat hij de controleverklaring bij de jaarrekening 2012 van [naam 2] heeft ondertekend voordat hij over voldoende en geschikte controle-informatie beschikte. Naar [naam 6] heeft gesteld, heeft hij bij de controle van de jaarrekening 2012 van [naam 8] de verslechterde markt en het verlies van [naam 23] in het eerste vier maanden van 2013 als indicatie voor bijzondere waardevermindering gesignaleerd en gelet daarop het management verzocht een impairmentanalyse op te stellen. Nog afgezien van het feit dat niet is gebleken dat hij naar aanleiding van deze signalering berekeningen van de realiseerbare waarde heeft ontvangen, moet ten aanzien van de van het management ontvangen impairmentanalyse worden geconstateerd dat [naam 6] deze voor de controle van de jaarrekening 2012 van [naam 2] relevante informatie niet tijdig heeft ontvangen. Naar het oordeel van het College kan deze informatie al om die reden niet als impairmentanalyse in aanmerking worden genomen. Hoewel als zodanig geen onderdeel van het klaagschrift, heeft de accountantskamer deze tekortkoming bij het in klachtonderdeel a geformuleerde verwijt kunnen betrekken, aangezien zij naar voren is gekomen in het debat tussen partijen, waarbij [naam 1] in reactie op het verweer van [naam 6] tegen klachtonderdeel a ter zitting van de accountantskamer heeft gesteld dat [naam 6] zich beroept op stukken die hij vóór ondertekening van de controleverklaring onmogelijk kan hebben gezien.

Klachtonderdelen d en e

9. [naam 6] kan zich er voorts niet mee verenigen dat de accountantskamer de klachtonderdelen d en e gegrond heeft verklaard. Dit betreft het verwijt dat zijn controlewerkzaamheden tekortschoten op het punt van de waardering van de financiële vaste activa door [naam 2] (klachtonderdeel d) en door [naam 5] (klachtonderdeel e). Meer bepaald ziet het verwijt voor wat betreft de jaarrekening 2012 van [naam 2] op het daarin als financiële vaste activa opgenomen bedrag van € 7.019.000,-, waarvan een bedrag van € 4.675.000,- een lening van [naam 2] aan [naam 5] betreft, en een vordering uit rekening-courant van [naam 2] op [naam 5] van € 956.000,-. Voor wat betreft de jaarrekening 2011 van [naam 5] ziet het verwijt op de vordering op [naam 15] aan wie [naam 5] de van [naam 2] ontvangen gelden heeft doorgeleend, die deze weer heeft doorgeleend aan [naam 27] (en deze weer aan haar dochter [naam 28] ).

10.1

De accountantskamer heeft, samengevat, geoordeeld dat sprake was van objectieve aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen van de financiële vaste activa bij zowel [naam 2] als [naam 5] zodat [naam 6] van het respectieve management van deze entiteiten had moeten verlangen een schatting te maken van de realiseerbare waarde van de financiële vaste activa en op basis daarvan de waardering in de respectieve jaarrekeningen te beoordelen. Hierbij heeft de accountantskamer in aanmerking genomen dat [naam 5] de schuld aan [naam 2] , anders dan [naam 6] heeft gesteld, (vooralsnog) niet met behulp van een dividenduitkering door [naam 2] zal kunnen aflossen. Verder was de lening van [naam 2] aan [naam 5] niet schriftelijk vastgelegd en was geen looptijd bepaald. Reeds op de grond dat niet duidelijk is op welke termijn zal worden terugbetaald, is onvoldoende onderbouwd waarom de boekwaarde van de lening aanvaardbaar was.

10.2

De accountantskamer heeft verder geconstateerd dat [naam 5] de lening van [naam 2] heeft geïnvesteerd in twee ondernemingen die actief zijn in de gaming industry ( [naam 27] en [naam 28] ) en dat [naam 6] deze investeringen ter zitting als riskant en speculatief heeft gekwalificeerd. Volgens de accountantskamer is [naam 6] bij zijn onderzoek naar de waarde van de investeringen van [naam 5] voornamelijk afgegaan op de informatie die het management van [naam 2] hem verstrekte. Hoewel hij daarnaast enig aanvullend onderzoek heeft gedaan, was de reikwijdte daarvan volgens de accountantskamer vrij beperkt. Gezien zijn eerdere constatering dat investeringen in de gaming industry risicovol waren, het feit dat de lening aan [naam 5] niet schriftelijk was vastgelegd, van materiële omvang was en bovendien uit dividenduitkeringen zou moeten worden afgelost, was het naar het oordeel van de accountantskamer aangewezen geweest om diepgravend onderzoek te doen naar de liquiditeit en solvabiliteit van de bedrijven ( [naam 27] en [naam 28] ) waarin door [naam 5] werd geïnvesteerd.

11.1

[naam 6] is van mening dat hij op basis van de toen geldende omstandigheden de inschatting van het management, dat de vorderingen volwaardig waren, aanvaardbaar mocht achten en niet om een schatting van de realiseerbare waarde van de financiële vaste activa hoefde te vragen. Het management van [naam 2] ging uit van continuïteit. De werkzaamheden en afwegingen van [naam 6] met betrekking tot de aanvaardbaarheid van die veronderstelling van continuïteit hebben de toets der kritiek doorstaan. De verwachting was dat de markt zou aantrekken en dat in de toekomst voldoende dividenden beschikbaar zouden komen om de vorderingen terug te betalen. [naam 2] zou de vordering ook niet opeisen als de continuïteit van [naam 5] daarmee in gevaar zou komen. Beide hadden dezelfde enig bestuurder, [naam 14] . Het zou volgens [naam 6] tegenstrijdig zijn geweest om uit te gaan van de continuïteit van [naam 2] , maar de vorderingen op [naam 5] toch als oninbaar te kwalificeren. Ze zijn terecht als volwaardig opgenomen. Dat de volwaardigheid van de vordering samenhangt met de continuïteit is zo evident dat dit niet apart (of expliciet) hoeft te worden vastgelegd. Hij heeft ook nooit gesteld dat de vordering op [naam 5] reeds in 2013 uit dividend over 2012 zou kunnen worden terugbetaald. Overigens heeft [naam 6] ook uitgebreid aandacht besteed aan de vordering van [naam 15] op [naam 27] en van [naam 27] op [naam 28] . Voor zover de accountantskamer heeft geoordeeld dat reeds op de grond dat niet duidelijk is op welke termijn de vordering zal worden terugbetaald onvoldoende is onderbouwd waarom de boekwaarde van de lening aanvaardbaar was, is zij volgens [naam 6] buiten de klacht getreden. De klacht zag op de inbaarheid van de vordering en de vraag of deze wel als volwaardig kon worden opgenomen, maar niet op de vraag of de vordering wel op de juiste wijze was gewaardeerd in de jaarrekening. De grondslag voor waardering van de leningen moet overigens blijkens RJ 222.202 de geamortiseerde kostprijs zijn. In overeenstemming hiermee is in de jaarrekening de vordering tegen nominale waarde in de jaarrekening verantwoord en is vermeld dat beide in dit geval gelijk zijn.

11.2

[naam 6] vindt het oordeel van de accountantskamer dat hij bij zijn onderzoek naar de waarde van de investeringen van [naam 5] voornamelijk is afgegaan op de informatie van het management van [naam 2] en beperkt aanvullend onderzoek heeft gedaan, onbegrijpelijk. Bij de controle van de jaarrekening 2011 van [naam 5] heeft diepgravend onderzoek plaatsgevonden naar de financiële positie van [naam 27] en [naam 28] . Het management heeft hem in oktober 2012 uitgebreid geïnformeerd over de verschillende participaties die [naam 5] in portefeuille had, haar deelneming in [naam 15] en de mogelijkheid om hieruit opbrengsten te genereren om de schuld aan [naam 2] terug te betalen. In dit kader heeft het management ook een notitie van 27 november 2012 verstrekt over de volwaardigheid van de vordering op [naam 27] (en haar dochter [naam 28] ). De waarde van [naam 28] was op basis van de ‘discounted cashflow methode’ berekend op € 44.300.000,- en het management achtte de vordering inbaar. Ter beoordeling van de inschatting heeft [naam 6] de jaarrekening 2011 van [naam 27] van 25 september 2012 beoordeeld alsmede ontwikkelings- en/of distributieovereenkomsten uit 2012 met [naam 29] en [naam 30] , een overzicht van ontvangen betalingen van [naam 30] in 2012 en een prognose 2013-2015 van [naam 28] . Voorts is eind november 2012 de CFO van [naam 2] nader bevraagd. Op grond hiervan was het professioneel oordeel van [naam 6] bij het afgeven van de controleverklaring op 11 januari 2013 dat de inschatting van het management, dat de vordering van [naam 5] op [naam 27] op termijn zou kunnen worden terugbetaald, aanvaardbaar was. Overigens dateren veel van de documenten die [naam 1] heeft overgelegd om aan te tonen dat [naam 27] / [naam 28] liquiditeitsproblemen hadden van na deze goedkeurende verklaring. Dat investeringen in de gaming industry risicovol zijn heeft [naam 6] verdisconteerd in de gehanteerde WACC (Weighted average cost of capital) bij de berekening van de waarde van de investering. [naam 6] is van mening dat hij bij de controle van de jaarrekening 2012 van [naam 2] met betrekking tot de vordering op (indirect) [naam 27] kon volstaan met het vragen van een update (en het toetsen daarvan). Voor de waardering van de vordering in die jaarrekening was immers doorslaggevend dat uitgegaan werd van de continuïteit van [naam 2] , zodat de vordering op [naam 5] op termijn zou kunnen worden terugbetaald uit ontvangen dividenden. De terugbetaling van de vordering op [naam 27] was slechts een extra mogelijkheid waarop [naam 5] geld zou kunnen genereren om de schuld aan [naam 2] terug te betalen.

12. Het College stelt vast dat [naam 6] in het controledossier als aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen van de financiële vaste activa heeft geïdentificeerd het feit dat [naam 2] diverse langlopende en kortlopende leningen had uitstaan ten behoeve van groepsmaatschappijen en verbonden maatschappijen, waarbij het risico bestaat dat de leningen oninbaar zijn en derhalve ‘overstated’. Volgens [naam 6] waren er twee stromen langs welke [naam 5] over de middelen kon beschikken om de schuld aan [naam 2] af te lossen: ten eerste door uitbetaling van dividend aan [naam 5] door [naam 2] en ten tweede door uitbetaling van dividend aan [naam 5] door [naam 15] . Ten aanzien van eerstgenoemde stroom onderschrijft het College de overwegingen onder 4.26 van de bestreden uitspraak op grond waarvan de accountantskamer heeft geconcludeerd dat een dividenduitkering van de benodigde omvang (ook volgens [naam 7] ) (nog) niet mogelijk was. Met betrekking tot de tweede stroom constateert het College dat niet gebleken is dat ten tijde van belang ook maar enige zekerheid bestond over de vraag of deze - oplopende - (durf)investering zich zou kunnen terugverdienen in de periode van twee jaar dat [naam 15] zich vooralsnog (financieel) bij [naam 27] / [naam 28] betrokken zag. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat [naam 6] van het management van [naam 2] en van [naam 5] had moeten verlangen een schatting te maken van de realiseerbare waarde van de financiële vaste activa en op basis daarvan de waardering in de respectieve jaarrekeningen had moeten beoordelen. [naam 6] heeft zich te zeer verlaten op de inschattingen van het management van de mogelijkheden om de leningen terug te betalen.

Het hoger beroep van [naam 1]

13. Het hoger beroep van [naam 1] is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer over de klachtonderdelen b, c, f en g. Volgens [naam 1] is de bestreden uitspraak in strijd met artikel 38, tweede lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), omdat de accountantskamer haar oordeel niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. De uitspraak bevat daardoor niet de gronden waarop zij berust. De accountantskamer had de klachtonderdelen b, c, f en g gegrond moeten verklaren.

Klachtonderdelen b en c

14. De accountantskamer heeft over de klachtonderdelen b en c - die het verwijt inhouden dat de controlewerkzaamheden van [naam 6] tekortschoten op het punt van de waardering van de materiële vaste activa (het onroerend goed) door zowel [naam 2] als [naam 9] - geoordeeld dat [naam 1] in het licht van hetgeen [naam 6] heeft aangevoerd de klacht onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de accountantskamer heeft [naam 6] met de door hem uitgevoerde werkzaamheden voldaan aan de vereisten van NV COS 500, Controle-informatie. en heeft hij voldoende controlewerkzaamheden verricht ten aanzien van de materiële vaste activa in de jaarrekeningen 2012 van [naam 2] en [naam 9] .

15.1

[naam 1] stelt dat de accountantskamer een onvolledige samenvatting heeft gegeven van zijn stellingen ten aanzien van de klachtonderdelen b en c. Voor hem is niet na te gaan op basis van welke afwegingen de accountantskamer de klachtonderdelen b en c ongegrond heeft verklaard. De accountantskamer heeft zonder enige toelichting gesteld dat hij zijn klachten op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft geen inzicht gegeven in de wijze waarop zij de standpunten van partijen tegen elkaar heeft afgewogen en in hoeverre zij de standpunten van [naam 6] op juistheid heeft getoetst in het licht van de weerspreking daarvan door [naam 1] . Voor het oordeel dat [naam 6] aan Standaard 500 heeft voldaan en voldoende controlewerkzaamheden heeft verricht geldt dit evenzeer. Naar de mening van [naam 1] kan de bestreden uitspraak bij deze stand van zaken wegens strijd met artikel 38, tweede lid, van de Wtra niet in stand blijven.

15.2

Volgens [naam 1] kan het oordeel dat de klachtonderdelen b en c ongegrond zijn ook op inhoudelijke gronden niet in stand blijven. Dit volgt uit het partijdebat dat uit de processtukken blijkt. [naam 1] vindt dat het weinig zin heeft om al zijn standpunten, waarvan er geen kenbaar door de accountantskamer is gewogen, in het hogerberoepschrift te herhalen. Hij verwijst derhalve naar het partijdebat in eerste aanleg. Wel merkt [naam 1] op dat de accountantskamer niet is ingegaan op zijn feitelijke stellingen in reactie op [naam 6] stelling dat uit een memo van 3 april 2013 blijkt dat hij is nagegaan of taxateur [naam 31] over de juiste kwalificaties en ervaring beschikte en dat hij de objectiviteit van deze taxateur heeft beoordeeld. Verder heeft de accountantskamer genegeerd dat hij in reactie op [naam 6] stelling, dat hij een van het management verkregen memo over de waardering van het pand te [plaats 2] aan bij [naam 7] werkzame vastgoedexperts heeft voorgelegd, heeft gesteld dat daarvan niets vastligt in het controledossier. Ook heeft de accountantskamer zijn stelling genegeerd dat ten aanzien van het memo een concreet (fraude)risico bestond en dat [naam 6] daarop niet professioneel-kritisch heeft geacteerd. Bovendien heeft de accountantskamer genegeerd dat hij naar aanleiding van de stelling van [naam 6] , dat bij de evaluatie van de waardering van het vastgoed het huurrendement, de winstgevendheid van de locatie en de ontwikkelingen in de automotive markt zijn getoetst, gemotiveerd uiteen heeft gezet dat [naam 6] in het verweerschrift niet of nauwelijks is ingegaan op de 13 in het klaagschrift aangedragen concrete punten die ieder voor zich en in onderlinge samenhang een sterke indicatie vormden voor een (significante) waardevermindering van de relevante onroerende zaken en op het feit dat die 13 punten niet of nauwelijks door [naam 6] zijn onderzocht.

16.1

Het College leest de bestreden uitspraak aldus dat de accountantskamer het daarin weergegeven verweer van [naam 6] tegen het door [naam 1] geformuleerde verwijt heeft gevolgd, anders gezegd, dat zij van oordeel is dat [naam 6] dit verwijt voldoende heeft weersproken. Voor het oordeel dat de accountantskamer, door haar beslissing op deze manier te motiveren, artikel 38, tweede lid, van de Wtra heeft geschonden bestaat geen grond. Overigens merkt het College op dat een enkele verwijzing in hoger beroep naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld in het algemeen niet kan gelden als een (gemotiveerde) betwisting van het oordeel van de accountantskamer.

16.2

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat niet is gebleken dat [naam 6] met betrekking tot de materiële vaste activa in de jaarrekeningen 2012 van [naam 2] en [naam 9] onvoldoende controlewerkzaamheden heeft verricht en deze werkzaamheden onvoldoende heeft gedocumenteerd. [naam 6] heeft zich er voldoende van verzekerd dat de taxaties waren opgesteld door professionele taxateurs die voldeden aan eisen van deskundigheid en objectiviteit. Niet valt in te zien waarom [naam 6] aan de juistheid van de taxaties en van de op zijn verzoek vervaardigde update met betrekking tot het pand te [plaats 2] had moeten twijfelen. De waardebepaling is in deze taxaties gemotiveerd uiteengezet, waarbij in het geval van het pand te [plaats 2] is gemotiveerd waarom zowel de locatie als het object als courant zijn te kwalificeren. Voorts heeft [naam 6] het management de waarde vanuit het huurrendement laten benaderen en de daarover opgestelde notitie door experts van [naam 32] laten beoordelen. Voor zover [naam 1] heeft gewezen op NBA-handreiking 1117, Risicoanalyse accountantscontrole vastgoed van 8 december 2011 en heeft gesteld dat sprake was van een significant risico gezien het belang dat [naam 2] erbij had
- gezien de solvabiliteitseisen - dat dit vermogensbestanddeel in ieder geval niet lager werd ingeschat, heeft [naam 6] naar het oordeel van het College voldoende uiteengezet waarom hij deze post, gezien de aard van de onderneming en de beperkte gevoeligheid van het pand te [plaats 2] voor waardedalingen als gevolg van marktomstandigheden, niet als (significant) risico heeft aangemerkt. De omstandigheid dat latere taxaties een lagere waarde vermelden en dat het onroerend goed in het kader van het faillissement voor een (aanzienlijk) lager bedrag is verkocht dan het bedrag dat in de jaarrekeningen was verantwoord, vormen op zichzelf geen indicatie voor een gebrek in de door [naam 6] verrichte controlewerkzaamheden.

Klachtonderdeel f

17. Over klachtonderdeel f - het verwijt dat de controlewerkzaamheden ten aanzien van de continuïteitsveronderstelling van [naam 2] tekortschoten - heeft de accountantskamer geoordeeld dat [naam 1] in het licht van het met stukken onderbouwde verweer van [naam 6] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 6] onvoldoende aandacht heeft besteed aan de continuïteit en daarmee niet heeft voldaan aan de eisen opgenomen in NV COS 570 en NV COS 706.

18. [naam 1] heeft ook ten aanzien van dit oordeel gesteld dat de bestreden uitspraak wegens strijd met artikel 38, tweede lid, van de Wtra niet in stand kan blijven. Tevens is hij van mening dat de ongegrondverklaring van klachtonderdeel f ook op inhoudelijke gronden niet in stand kan blijven. Dit volgt volgens hem uit het partijdebat in eerste aanleg zoals dat blijkt uit de processtukken. [naam 1] verwijst hiernaar. [naam 1] vraagt voorts nog aandacht voor hetgeen hij in reactie op het verweer van [naam 6] heeft gesteld in hoofdstuk 5 van zijn schriftelijke pleitnota, bijvoorbeeld zijn weerspreking van de stelling van [naam 6] (gebaseerd op productie 23) dat hij heeft onderzocht of sprake is van schending van financiële convenanten. Dat is niet zo en dat blijkt ook niet uit genoemde productie. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat de accountantskamer deze stellingen heeft meegewogen. Had zij dat wel gedaan, dan had klachtonderdeel f gegrond moeten worden verklaard.

19. [naam 6] heeft naar het oordeel van het College voldoende onderbouwd dat er ten tijde van het afgeven van de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2012 van [naam 2] (op 29 juni 2013) geen sprake was van een situatie van onontkoombare discontinuïteit als bedoeld in RJ 2011/170.202 of van ernstige onzekerheid over de continuïteit van het geheel van de werkzaamheden van de rechtspersoon als bedoeld in RJ 2011/170.302. Er waren op dat moment serieuze onderhandelingen gaande over een alternatief voor het wegvallen van het contract met [naam 25] en er waren voorts geen signalen dat in de nabije toekomst niet meer of onvoldoende op aanvullende medewerking van belanghebbenden (kredietverleners) kon worden gerekend. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 6] geen voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen met betrekking tot de geschiktheid van het hanteren door het management van [naam 2] van de continuïteitsveronderstelling bij het opstellen en presenteren van de jaarrekening. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat [naam 6] ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen onzekerheid van materieel belang bestaat met betrekking tot het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te handhaven. Ter nadere motivering van het in klachtonderdeel f geformuleerde verwijt heeft [naam 1] in hoger beroep niets naar voren gebracht dat tot een ander oordeel kan leiden.

Klachtonderdeel g

20. Over klachtonderdeel g - het verwijt dat [naam 7] op meerdere manieren betrokken was bij de entiteiten van [naam 2] en [naam 6] de schijn van afhankelijkheid niet heeft voorkomen - heeft de accountantskamer geoordeeld dat [naam 6] aan de hand van de door hem overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft voldaan aan de (destijds van toepassing zijnde) Nadere Voorschriften inzake de Onafhankelijkheid van de openbaar accountant (NVO) en de bijbehorende praktijkhandleidingen van het Nivra. Volgens de accountantskamer heeft [naam 6] onderzoek gedaan naar de mogelijke bedreigingen voor de onafhankelijkheid. Hij heeft daarbij onder meer gekeken naar eigenbelang, zelftoetsing en vertrouwdheid. Hij heeft vastgesteld dat de collega’s van [naam 7] die betrokken waren bij de overige dienstverlening aan [naam 2] geen onderdeel uitmaakten van het controleteam en dat niet structureel minder wordt ontvangen voor assurance dan voor non assurance opdrachten. Zijn bevindingen heeft hij vastgelegd, aldus de accountantskamer.

21. [naam 1] stelt dat de accountantskamer een onvolledige samenvatting van zijn stellingen heeft gegeven. De accountantskamer heeft geoordeeld dat [naam 6] heeft vastgesteld dat de collega’s van [naam 7] die betrokken waren bij de overige dienstverlening aan [naam 2] geen onderdeel uitmaakten van het controleteam. Die vaststelling is echter onjuist. Zoals [naam 1] in hoofdstuk 6 van zijn schriftelijke pleitnota heeft toegelicht was [naam 6] ondergeschikt aan [naam 33] RA ( [naam 33] ). Laatstgenoemde was lid van het Audit Team als ‘Lead Client Service Partner’ en was tevens betrokken bij de overige dienstverlening aan [naam 2] , terwijl de overige dienstverlening bovendien een bedreiging vormde voor de onafhankelijkheid van [naam 6] . Op deze stellingen is de accountantskamer niet ingegaan. Worden die stellingen wel in de afweging betrokken, dan kan de conclusie geen andere zijn dan dat klachtonderdeel g gegrond is.

22. Naar het oordeel van het College duidt het enkele feit dat het auditteam in de ‘General client and engagement information + Rotation + Fee analysis’ (Tab 1) van de binnen [naam 7] gehanteerde ‘Independence Analysis Tool’ [naam 33] heeft vermeld als de Lead Client Service Partner, oftewel de relatiemanager, van het auditteam, er niet op dat [naam 33] feitelijk bij de uitvoering van de controlewerkzaamheden betrokken is geweest of dat [naam 6] als ‘Audit Partner’ aan hem verantwoording diende af te leggen. Dat er een (reëel) risico zou kunnen bestaan op beïnvloeding van [naam 6] bij de uitvoering van de controle heeft [naam 1] ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat [naam 6] de bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid voldoende heeft onderkend en beoordeeld en zijn bevindingen correct heeft vastgelegd.

Maatregel

23. [naam 6] heeft aangevoerd dat, zou toch enig onderdeel van de klacht gegrond zijn, de hem opgelegde maatregel van berisping te zwaar is. Uit zijn stukken in eerste

aanleg en zijn beroepschrift blijkt dat hij veel aandacht heeft besteed aan de posten waarop de klachtonderdelen zien. Hij heeft een diepgravende controle uitgevoerd en het management kritisch ondervraagd. Als achteraf gezien bepaalde aspecten van de controle naar het oordeel van het College beter hadden gemoeten, dan rechtvaardigt een en ander volgens [naam 6] geen berisping.

24. Het College stelt vast dat uit de in deze zaak beschikbare stukken het beeld naar voren komt dat [naam 6] in het algemeen zowel bij de voorbereiding als tijdens de uitvoering van de controle van de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekeningen van [naam 2] voldoende controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd. Op het punt van de controle van de waardering van de immateriële vaste activa en de financiële vaste activa is gebleken dat hij zijn werkzaamheden met meer diepgang had moeten uitvoeren. Ten aanzien van de immateriële vaste activa is naar voren gekomen dat het management belangrijke informatie over de definitieve beëindiging van de dealerovereenkomst met [naam 25] voor [naam 6] heeft achtergehouden, terwijl niet gezegd kan worden dat [naam 6] hier onvoldoende naar heeft geïnformeerd. Gelet op het vorenstaande, alsmede op het feit dat aan [naam 6] niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, acht het College het passend en geboden om aan [naam 6] de maatregel van waarschuwing op te leggen.

25. De slotsom is dat het hoger beroep van [naam 6] gegrond is, voor zover het de aan hem opgelegde maatregel betreft. Het hoger beroep van [naam 1] is ongegrond.

De uitspraak van de accountantskamer dient, voor zover het de aan [naam 6] opgelegde maatregel betreft, te worden vernietigd.

Het College zal de zaak zelf afdoen en aan [naam 6] de maatregel van waarschuwing opleggen.

26. De beslissing op deze hoger beroepen berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep van [naam 6] gegrond voor zover het de aan hem opgelegde maatregel van berisping betreft;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak in zoverre;

- verklaart het hoger beroep van [naam 1] ongegrond;

- legt [naam 6] de maatregel van waarschuwing op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. H.S.J. Albers en mr. F. van der Wel, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021.

De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen