Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:81

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/1575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Extra betaling jonge landbouwers. De jonge landbouwer heeft eerder als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf opgericht.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 19/1575

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen

[naam 1] Landbouw V.O.F., te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. M.J. Hunting).

Procesverloop

Bij besluiten van 4 april 2019, 5 april 2019, 10 mei 2019 en 31 mei 2019 (primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van appellante om extra betaling jonge landbouwers voor de jaren 2015 tot en met 2018 (alsnog) afgewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 11 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020.

Van de zijde van appellante hebben aan de zitting deelgenomen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante kent twee vennoten: de man en de vrouw. De man heeft in 2003 het akkerbouwbedrijf van zijn ouders overgenomen en geëxploiteerd in de vorm van een eenmanszaak. De man en de vrouw zijn bij overeenkomst van 27 december 2012 een vennootschap onder firma aangegaan met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012. De vrouw is in de Gecombineerde opgaven 2015 tot en met 2018 opgegeven als jonge landbouwer.

2. Het geschil draait om de weigering van een jaarlijkse extra betaling voor jonge landbouwers als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen een landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Appellante meent dat zij in aanmerking komt voor de extra betaling jonge landbouwers, terwijl verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor deze betaling omdat het bedrijf waarvoor de aanvraag is gedaan niet het eerst gestarte landbouwbedrijf van de vrouw is.

3. Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten.

4. Appellante betwist dat de vrouw eerder een landbouwbedrijf heeft opgericht in de zin van de regeling. De vrouw is in juni 2010 op zeer kleine schaal gaan werken met paarden. Op advies van de accountant is dit bedrijf op naam van de vrouw ingeschreven in de Kamer van Koophandel (KvK). Appellante erkent dat het als bedrijf is ingezet, maar in de praktijk is het nooit tot uitvoering gekomen. De activiteiten die er zijn geweest kunnen niet als landbouw worden gekwalificeerd en niet als bedrijfsmatig. Er is in de periode juni 2010 tot 31 december 2011 geen enkel paard gefokt en er is geen enkele opbrengst gegenereerd. In 2010 en 2011 had de vrouw alleen een rijpaard. De aanwezige shetlandpony stond op naam van de man. Pas in 2012, na oprichting van appellante, is het echt bedrijfsmatig geworden door de aankoop van een fokmerrie. Er is geen landbouwgrond gebruikt en er is niets geproduceerd. Aan de pachtovereenkomst die in 2010 tussen de man en de vrouw is gesloten, is nooit uitvoering gegeven. De man heeft alle landbouwgrond zelf in gebruik gehad. Dit blijkt ook uit de Gecombineerde Opgave in die jaren. Niet duidelijk is of in 2010 en 2011 is meegedaan aan de landbouwtelling. Er zijn alleen maar kosten gemaakt en die zijn door de man gedragen. Dat er geen opbrengsten zijn geweest blijkt uit BTW-aangiftes en de berekeningen van het belastbaar inkomen van de accountant. Volgens appellante gaat verweerder ten onrechte niet in op de door haar overgelegde stukken. Appellante wijst in dit verband op de uitspraken van het College van 9 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:168 en 2 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:86, waarin is geoordeeld dat verweerder nader onderzoek moet doen als de inschrijving bij de Kamer van Koophandel gemotiveerd is betwist. Verweerder wijst bij de afwijzing naar een subsidieaanvraag van de vrouw in 2010. Maar het kan volgens appellante niet zo zijn dat destijds een subsidieaanvraag werd afgewezen omdat verweerder het bedrijf van de vrouw niet serieus nam, maar dat vervolgens het bedrijf van de vrouw wel wordt gebruikt om nu geen extra betaling jonge landbouwers toe te kennen. Appellante wijst ter verklaring voor het feit dat het bedrijf niet van de grond is gekomen ook nog op de ziekte van de vrouw, waardoor zij niet het gewenste bedrijf kon uitbouwen.

5. Uit de door verweerder overgelegde gegevens blijkt het volgende. Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 23 juni 2010 heeft de vrouw per 1 juni 2010 een landbouwbedrijf gevestigd met als doel het fokken van paarden en het exploiteren van landbouwgronden. De vrouw heeft op 19 juni 2010 een pachtovereenkomst (met de man) gesloten voor de pacht van grond en opstallen. Op 28 juli 2010 heeft de vrouw een subsidieaanvraag gedaan in het kader van de ‘Regeling LNV-subsidies, openstelling jonge landbouwers 2010’. De aanvraag is afgewezen, kort gezegd omdat de investeringen waarvoor subsidie is aangevraagd betrekking hebben op de akkerbouw, terwijl een paardenfokkerij wordt geëxploiteerd. Tegen deze afwijzing heeft de vrouw op 5 november 2010 bezwaar gemaakt. Hierin stelt zij dat zij sinds 1 juni 2010 een gemengd landbouwbedrijf exploiteert, namelijk een paardenfokkerij en een akkerbouwbedrijf (teelt van uien). In een bij het bezwaar gevoegde verklaring van de man als verpachter, van eveneens 5 november 2010, verklaart de man ook dat de vrouw een gemengd bedrijf exploiteert. Verder staat in de akte van vennootschap onder firma van 27 december 2012, die deel uitmaakt van het onderhavige dossier, waarin de vrouw is aangeduid als vennoot 2, in de overwegingen onder meer:

“ de vennoot 2 met ingang van 1 juni 2010 tot heden zelfstandig een paardenfokkerij exploiteert in de vorm van een eenmanszaak”

In artikel 5 over de inbreng staat onder meer:

“ 2. Per 1 januari 2012 wordt door de vennoot 2 geacht te zijn ingebracht:

de economische eigendom van alle roerende zaken (inclusief paarden), (…) van het door haar tot en met die dag voor zich alleen uitgeoefende bedrijf (…)”

Gezien deze feiten en omstandigheden is het College van oordeel dat verweerder terecht de conclusie heeft getrokken dat sprake is geweest van landbouwactiviteiten en een landbouwbedrijf als bedoeld in Verordening 1307/2013. Weliswaar wordt uit de subsidieprocedure uit 2010 duidelijk dat de vrouw nog niet was begonnen met de teelt van de uien, maar verweerder heeft in de afwijzing van de subsidieaanvraag niet in twijfel getrokken dat de vrouw destijds al een paardenfokkerij exploiteerde. Anders dan appellante onder verwijzing naar eerdere uitspraken van het College heeft betoogd, hoefde verweerder geen nader onderzoek te doen. Verweerder heeft zijn conclusie niet alleen gebaseerd op de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, maar ook op andere gegevens uit de relevante periode, waaronder de pachtovereenkomst die de vrouw heeft gesloten alsmede eigen verklaringen van de man en de vrouw. Bovendien is hier niet in geschil dat de activiteiten niet hobbymatig, maar bedrijfsmatig waren ingestoken. Dat het bedrijf niet goed van de grond is gekomen, is gezien de door appellante geschetste omstandigheden begrijpelijk, maar betekent niet dat geen landbouwbedrijf is opgericht.

6. Nu de als jonge landbouwer opgegeven persoon eerder als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft opgericht, heeft verweerder terecht de aanvraag van appellante voor de extra betalingen jonge landbouwers voor de jaren 2015 tot en met 2018 afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak

de uitspraak te ondertekenen te ondertekenen