Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:796

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
20/167
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afkeuring perceel Japanse haver wegens het aantreffen van wilde haver

Bevoegdheid NAK

Keuringsrapport summier en niet ondertekend, wel ten grondslag leggen aan besluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/167

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam onderneming] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK), verweerster

(gemachtigde: mr. A.S.H. Kroon).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerster een perceel Japanse haver (perceel [nummer] ) van appellant afgekeurd wegens het aantreffen van wilde haver.

Bij besluit van 19 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2021. Partijen zijn verschenen bij genoemde gemachtigden. Voor appellant waren verder aanwezig [naam 1] en
[naam 2] .

Overwegingen

1. Appellant teelt Japanse haver. Op 28 juni 2019 heeft op het bedrijf van appellant een veldkeuring plaatsgevonden. Daarbij heeft de keurmeester wilde haver (Avena fatua) aangetroffen. De keurmeester heeft foto’s gemaakt van de wilde haver. Ook zijn locatiegegevens van het aantreffen van de wilde haver overgelegd. Op 28 juni 2019 heeft verweerster besloten het perceel [nummer] Japanse haver (Avena Strigosa) af te keuren wegens het aantreffen van wilde haver. Bij het bestreden besluit verweerster het primaire besluit gehandhaafd.

2.1

Op grond van artikel 5 van de richtlijn van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (Richtlijn 66/402/EEG) mogen lidstaten aanvullende of strengere voorwaarden vaststellen voor de goedkeuring van de eigen productie Japanse haver.

In artikel 14, eerste lid bis, van Richtlijn 66/402/EEG is bepaald dat de Europese Commissie volgens de procedure van artikel 21, machtiging verleent opdat voor het in de handel brengen van zaaigranen op het gehele grondgebied van een of meer Lid-Staten of in gedeelten daarvan strengere bepalingen betreffende het voorkomen van Avena fatua in dit zaad dan die van bijlage II worden vastgesteld, indien soortgelijke bepalingen worden toegepast op de inheemse produktie van dit zaad en indien in de graancultures van de betrokken streek daadwerkelijk een campagne tot uitroeiing van Avena fatua wordt gevoerd.

Bijlage II bij Richtlijn 66/402/EEG bevat voorwaarden waaraan zaaizaden moeten voldoen.

2.2

De Europese Commissie heeft bij Beschikking van 16 oktober 1974 (74/531/EEG) aan Nederland machtiging verleend als bedoeld in artikel 14, eerste lid bis, van Richtlijn 66/402/EEG.

2.3

De NAK is op grond van artikel 19 en 20 van de Zaaizaad- en plantgoedwet en artikel 2 van het Besluit verhandeling teeltmateriaal de aangewezen keuringsinstelling die een reglement vaststelt waarin onder meer wordt geregeld de wijze waarop de keuring wordt uitgevoerd. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2.4

In artikel 1.3 van het Keuringsreglement is bepaald dat de betrokken vaste commissie voor de keuring nadere aanwijzingen kan vaststellen.

2.5

In Aanwijzing ZG-01 Veldkeuring van granen, peulvruchten en fijne zaden, oogst 2019 van de vaste commissie van zaaizaden is in paragraaf 3.9.1 bepaald dat een perceel Japanse haver wordt afgekeurd wanneer bij doorkruising van het perceel één of meer wilde haverplanten worden gevonden.

2.6

Uit het hiervoor weergegeven stelsel van bepalingen volgt dat er, wanneer bij veldkeuring van Japanse haver op een perceel wilde haver wordt aangetroffen, een toereikende wettelijke grondslag aanwezig is voor afkeuring van dat perceel. Afkeuring van een perceel heeft tot gevolg dat de zaadopbrengst van het perceel niet gebruikt kan worden als zaaizaad.

3. Appellant heeft betoogd dat het keuringsrapport zeer summier is en ook niet is ondertekend en daarom niet aan het besluit tot afkeuring van het perceel ten grondslag kan worden gelegd. Het College volgt dit betoog niet. Het College stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het toezichtrapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. In dit geval bestaat, gelet op wat appellant heeft aangevoerd, onvoldoende grond voor zodanige twijfel. Dat het rapport niet is ondertekend dan wel summier is, betekent niet dat het rapport om die redenen niet zou mogen worden gebruikt. Bovendien blijkt uit de foto’s en locatiegegevens die voorafgaand aan de hoorzitting van 4 oktober 2019 in de bezwaarfase aan appellant zijn overgelegd dat en op welke plek de wilde haver is aangetroffen.

4. Uit Aanwijzing ZG-01 volgt dat de NAK gehouden was tot onmiddellijke afkeuring van het perceel Japanse haver aangezien één wilde haverplant is aangetroffen. De stelling dat de keurmeester de plant aan appellant zou hebben moeten laten zien of dat de keurmeester de plant eruit had moeten trekken, wat daar verder ook van zij, doet niet af aan het feit dat deze plant is aangetroffen in het perceel en het perceel daardoor direct afgekeurd moest worden. Uit de Aanwijzing volgt ook dat er geen plaats is voor herkeuring of een tweede keuring. Voor een belangenafweging op grond van artikel 8.5 van het keuringsreglement van de NAK, zoals appellant heeft betoogd, is dus geen plaats.

5. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2021.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen