Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:793

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
20/421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, hoger beroep, verscherpt cliëntenonderzoek wegens verhoogd risico op witwassen en meldingsplicht, leveringsakte en hypotheekakte, niet in wet- of regelgeving vastgelegd dat onderzoek in dossier wordt vastgelegd maar wel dat het heeft plaatsgevonden, de enkele omstandigheid dat de aankoopsom lager is dan de WOZ-waarde is geen aanleiding voor een verhoogd risico op witwassen; de financiering door niet financiële instelling, hoge rentepercentage en een bijzondere winstdelingsregeling in onderlinge samenhang vormen wel een verhoogd risico op witwassen, boete kan geen stand houden en wordt gehalveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/421

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2021 op het hoger beroep van:

[naam ] , te [plaats 1] , appellant(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Spoormans),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2020, kenmerk ROT 19/2523, in het geding tussen

appellantenhet Bureau Financieel Toezicht (BFT)

(gemachtigden: mr. W.F.C. Vogel en mr. M.F. Beumer).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:2594).

BFT heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. BFT heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is notaris bij [naam BV] . Deze besloten vennootschap exploiteert een notariskantoor en verricht onder meer diensten bij overdrachten van onroerend goed en het vestigen van hypotheken.

1.3

Naar aanleiding van een ontvangen signaal heeft BFT een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door [naam BV]. Dit signaal zag op de aankoop van en hypotheekverstrekking voor het pand [adres] te [plaats 2] (een bij een jachthaven behorende bedrijfswoning) op 21 november 2016, waarvan de leveringsakte en de hypotheekakte zijn gepasseerd bij [naam BV]. BFT heeft van de bevindingen van het onderzoek een conceptrapport opgemaakt, waarop appellant op 5 juni 2018 heeft gereageerd. Het (definitieve) rapport dateert van 2 november 2018. Op basis van die bevindingen concludeert BFT dat appellant zowel in het geval van de leveringsakte als de hypotheekakte met betrekking tot het pand [adres] te [plaats 2] niet heeft voldaan aan de monitoringsverplichting van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en ten onrechte geen verscherpt cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet heeft verricht. Daarnaast heeft appellant volgens BFT in beide gevallen verzuimd ongebruikelijke transacties overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van de Wwft (tijdig) te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid.

1.4

BFT heeft wegens voormelde overtredingen aan appellant bij besluit van 18 december 2018 (het primaire besluit) een bestuurlijke boete van € 36.000,- opgelegd.

1.4.1

Wat betreft de leveringsakte heeft BFT uiteengezet dat, mede gezien de monitoringsverplichting, een verscherpt cliëntenonderzoek noodzakelijk was, omdat sprake was van een verhoogd risico op witwassen. Dit hogere risico op witwassen was gelegen in het feit dat de koopsom voor het pand € 200.000,- bedroeg, hoewel de WOZ-waarde op € 248.000,- was gesteld. Uit de dossiervorming van appellant bleek geen verklaring voor dit verschil. Zodra appellant in het kader van de voorbereiding van de levering bekend was geworden met dit verschil, had hij een hoger risico op witwassen moeten onderkennen. Op dat moment had het op de weg van appellant gelegen het risicoprofiel van zijn cliënt aan te passen en een verscherpt cliëntenonderzoek ingevolge artikel 8 van de Wwft te verrichten waarbij onderzoek naar de bron van de middelen dan wel de herkomst van de gelden was aangewezen. Het genoemde verschil tussen de koopsom en de WOZ-waarde zonder dat hiervoor een verklaring uit de dossiervorming van appellant bleek, wijst er voorts op dat sprake was van een ongebruikelijke transactie, nu appellant aanleiding had om te veronderstellen dat deze verband kon houden met witwassen en financieren van terrorisme (de zogenoemde subjectieve indicator, die volgt uit artikel 15 van de Wwft en artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Uitvoeringsbesluit Wwft) en de daarbij behorende bijlage).

1.4.2

Wat betreft de hypotheekakte heeft BFT uiteengezet dat, mede gezien de monitoringsverplichting, een verscherpt cliëntenonderzoek noodzakelijk was, omdat sprake was van een verhoogd risico op witwassen. Dit hogere risico op witwassen was gelegen in de omstandigheden: (-) dat voor de aankoop van het pand door [naam BV 2] een hypothecaire geldlening was verstrekt door [naam BV 3] , een niet financiële instelling, terwijl uit de dossiervorming niet bleek wat de verklaring hiervoor was en evenmin wat de relatie was tussen de geldverstrekker en de koper, (-) dat voor de lening een hoog rentepercentage was afgesproken, namelijk 10%, terwijl uit de dossiervorming hiervoor geen verklaring bleek en (-) dat in de hypotheekakte een bijzondere winstverdelingsregeling was afgesproken, die inhield dat de verstrekker van de hypothecaire lening en een derde ieder een deel van de verkoopwinst zouden ontvangen, indien het pand vóór 1 november 2017 zou worden verkocht voor een hoger bedrag dan dat van de geldlening, terwijl hiervoor uit de dossiervorming geen verklaring bleek. Zodra appellant in het kader van de voorbereiding van de hypotheekakte bekend was geworden met deze omstandigheden, had hij een hoger risico op witwassen moeten onderkennen. Op dat moment had het op de weg van appellant gelegen het risicoprofiel van zijn cliënt aan te passen en een verscherpt cliëntenonderzoek ingevolge artikel 8 van de Wwft te verrichten waarbij onderzoek naar de bron van de middelen dan wel de herkomst van de gelden was aangewezen. Genoemde omstandigheden wijzen er ook op dat sprake was van een ongebruikelijke transactie, nu appellant aanleiding had om te veronderstellen dat deze verband kon houden met witwassen en financieren van terrorisme (de zogenoemde subjectieve indicator).

1.4.3

In het primaire besluit heeft BFT geconcludeerd dat appellant twee overtredingen van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8 van de Wwft (monitoringsverplichting en verscherpt cliëntenonderzoek) en twee overtredingen van artikel 16, eerste lid, van de Wwft (meldplicht) heeft begaan. BFT heeft uiteengezet op grond waarvan hij de hoogte van de bestuurlijke boete heeft bepaald en dat het daarbij naast de draagkracht ook heeft gekeken naar de ernst en duur van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. Volgens BFT is sprake van ernstige en verwijtbare overtredingen, omdat appellant een aantal basale overtredingen van de Wwft heeft begaan en daarmee onvoldoende invulling heeft gegeven aan de taak die appellant als poortwachter heeft bij het herkennen en beheersen van risico’s teneinde witwassen tegen te gaan, terwijl de verplichtingen bekend mochten worden verondersteld. BFT heeft de boete vastgesteld op € 36.000,-, zijnde 3% van de omzet.

1.5

Bij besluit van 8 april 2019 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft BFT het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang en samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

2.2

De rechtbank onderschrijft het standpunt van BFT dat appellant in het verschil van € 48.000,- tussen de koopsom en de WOZ-waarde van het desbetreffende pand aanleiding had moeten zien voor verder onderzoek en dat appellant door dat onderzoek niet te verrichten niet heeft voldaan aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8, eerste lid, van deze wet. De door appellant genoemde omstandigheden vormen zonder een taxatierapport van een ter zake deskundige onvoldoende grond om het verschil van € 48.000,- te kunnen rechtvaardigen. De gestelde destijds aanwezige eigen kennis van de situatie ter plekke en van het onderhoud van het pand betekent niet dat appellant zijn eigen inschatting van de waarde van het pand in de plaats kan stellen van een deskundige taxatie. Dit blijkt eens te meer uit het door appellant overgelegde taxatierapport van 19 maart 2018, waaruit blijkt dat het desbetreffende pand op 28 juli 2016 (iets meer dan drie maanden voor het sluiten van de koopovereenkomst op 1 november 2016) door een ter zake deskundige is getaxeerd op een waarde van € 360.000,-. Appellant heeft er weliswaar terecht op gewezen dat daarbij rekening is gehouden met een waardeverhogende factor waarbij het pand eventueel zou kunnen worden verkocht als particulier woonobject, maar niet is gebleken dat van deze factor niet langer sprake was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst, de voorbereiding van de levering of het passeren van de leveringsakte. De (indirecte) bekendheid van appellant met de verkoper en (indirecte) jarenlange goede relatie met de koper van het desbetreffende pand laat het verschil tussen de koopsom en de WOZ-waarde onverlet en daarin heeft het BFT dan ook terecht geen grond gezien om terug te komen van zijn standpunt dat verder (verscherpt) cliëntenonderzoek had moeten plaatsvinden. Dat uiteindelijk geen witwaspraktijken hebben plaatsgevonden, voor zover juist, betekent niet dat geen sprake was van een ongebruikelijke transactie waarvan appellant op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwft onverwijld melding had moeten maken bij de Financiële inlichtingen eenheid. Van een ongebruikelijke transactie is immers reeds sprake als er aanleiding is te veronderstellen dat de transactie verband kan houden met witwassen. Dat was hier het geval.

2.3

De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van BFT dat appellant in de financiering van de aankoop van het pand door een niet-financiële instelling, het hoge rentepercentage van 10 en de bijzondere winstdelingsregeling bij doorverkoop van het pand vóór 1 november 2017 aanleiding had moeten zien voor verder onderzoek en dat appellant door dat onderzoek niet te verrichten niet heeft voldaan aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8, eerste lid, van deze wet. De algemene stellingen van appellant over de financierings(on)mogelijkheden voor bedrijfswoningen en het gehanteerde hoge rentepercentage in dit geval laten onverlet dat sprake was van een hoger risico op witwassen, nu een toenmalige medewerker van de jachthaven, die de koper en de geldverstrekker volgens appellant met elkaar in contact zou hebben gebracht, onderdeel was van de winstdelingsregeling bij doorverkoop van het pand en, net als de geldverstrekker, 1/3 deel van de verkoopwinst zou opstrijken als het pand vóór 1 november 2017 voor een hoger bedrag zou worden verkocht dan het bedrag van de lening. Daarbij is niet van belang dat het gaat om mogelijke toekomstige geldstromen of dat een doorverkoop van het pand vóór voormelde datum niet heeft plaatsgevonden. Evenmin is van belang dat de winstdelingsregeling is opgenomen in een notariële akte. Dat uiteindelijk geen witwaspraktijken hebben plaatsgevonden, betekent niet dat geen sprake was van een ongebruikelijke transactie waarvan appellant op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwft onverwijld melding had moeten maken bij de Financiële inlichtingen eenheid.

2.4

Ten aanzien van de hoogte van de boete heeft de rechtbank overwogen dat BFT terecht meent dat sprake is van grove nalatigheid, nu appellant niet alleen had kunnen weten (categorie 2 - gemiddeld), maar behoorde te weten (categorie 3 - hoog) dat er voldoende aanleiding was om te melden.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellant heeft samengevat weergegeven het volgende aangevoerd.

3.1

Het oordeel van de rechtbank dat appellant in het verschil tussen de koopsom en de WOZ-waarde aanleiding had moeten zien voor het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek en dat sprake was van een ongebruikelijke transactie waarvan melding had moeten worden gemaakt is onjuist. De rechtbank gaat eraan voorbij dat van een waarde verhogende factor geen sprake is geweest, omdat de gemeente de eis van ‘beheerderderswoning’ niet heeft laten vallen. Uit de door appellant overgelegde verklaring van 12 mei 2020 van de makelaar die het pand zowel per 28 juli 2016 als per 19 maart 2018 heeft getaxeerd, blijkt dat de waarde van het pand bij eliminatie van die factor tussen de € 200.000,- en € 220.00,- bedraagt.

3.2

Het oordeel van de rechtbank dat de financiering door een niet-financiële instelling, het hoge rentepercentage en de bijzondere winstdelingsregeling voor appellant aanleiding hadden moeten vormen voor een verscherpt cliëntenonderzoek en dat sprake was van een meldingsplicht vanwege een ongebruikelijke transactie, is eveneens onjuist. Appellant heeft erop gewezen dat de koper was aangewezen op de private markt, dat het rentepercentage van 10 in die markt niet ongebruikelijk is en dat de winstdelingsregeling is opgenomen in de hypotheekakte en op deze wijze inzichtelijk is voor derden.

3.3

Omdat er geen sprake is van overtredingen, bestond er volgens appellant dan ook geen grond voor het opleggen van een boete. Als er al aanleiding bestond om een boete op te leggen, zou die hooguit in de lichtste categorie kunnen vallen.

4. BFT heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn stellingen zullen, voor zover nodig, hierna bij de beoordeling van de hogerberoepsgronden worden besproken.

De leveringsakte

5. Het College is van oordeel dat de hogerberoepsgrond van appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat BFT zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder d, en 8, eerste lid, van de Wwft en artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden, slaagt. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.1

Artikel 3, eerste lid, van de Wwft bepaalt dat een instelling ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek verricht. Dit cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden (artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft). In aanvulling op artikel 3, tweede tot en met vierde lid, van de Wwft verricht een instelling verscherpt cliëntenonderzoek indien de zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengt (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwft). Op basis van artikel 15, eerste lid, van de Wwft zijn in het Uitvoeringsbesluit Wwft indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie dient te worden aangemerkt als een ‘ongebruikelijke transactie’. In de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft is als subjectieve indicator vastgesteld: “een transactie waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme”. Als hulpmiddel om te bepalen of hiervan sprake is, heeft BFT de Specifieke leidraad naleving WWFT voor (kandidaat en toegevoegd) notarissen en overige instellingen genoemd in artikel 1 lid 1 letter a sub 12 en 13 Wwft (Leidraad) opgesteld. In bijlage 1 bij de Leidraad van 15 juli 2014 zijn voorbeelden opgenomen waarmee is beoogd instellingen een handreiking te geven hoe zij ongebruikelijke transacties kunnen herkennen.

5.2

Het College stelt voorop dat het lex certa-beginsel, dat mede besloten ligt in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), van de regelgever verlangt dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging omschrijft. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn. Uit het hiervoor onder 5.1 weergegeven beoordelingskader volgt dat de regelgever de instelling bij de beoordeling van het in dit geval ter zake te verrichten onderzoek een bepaalde ruimte heeft gelaten, nu de instelling eerst dan dient over te gaan tot het verrichten van een verscherpt onderzoek indien de transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen met zich brengt.

5.3

Het College heeft geen aanwijzingen dat het de bedoeling van de regelgever is geweest om een transactie enkel op basis van een verschil tussen de aankoopwaarde en de WOZ-waarde reeds aan te merken als een transactie die naar haar aard een hoger risico op witwassen met zich brengt. Verder heeft de regelgever noch BFT (bijvoorbeeld in de vorm van handreikingen in de Leidraad) kenbaar gemaakt wanneer en bij welk verschil de transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen met zich brengt in de situatie dat sprake is van een verschil tussen de aankoopwaarde en de WOZ-waarde en voor de instelling aanleiding moet zijn voor het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek.

5.4

Appellant heeft in het feit dat de koopsom voor het pand € 200.000,- was en de WOZ-waarde op € 248.000,- was gesteld geen hoger risico op witwassen aangenomen, omdat hij, zoals hij van meet af aan heeft aangevoerd, ten tijde van de transactie bekend was met feiten en omstandigheden over het pand die volgens hem een rechtvaardiging vormden voor dat verschil. Appellant heeft in dat verband erop gewezen dat de haven waar het pand zich bevond was verloederd, dat het pand een bedrijfswoning was die slechts bestemd was voor de beheerder van de haven en om die reden minder courant was, dat het pand in een matige en gedateerde staat van onderhoud verkeerde en de haven de belangstelling van criminelen had, wat in augustus 2015 heeft geleid tot een inval in de haven door politie, justitie en de belastingdienst, terwijl de WOZ-waarde van het pand van 2016 was gebaseerd op de situatie per 1 januari 2015. BFT heeft deze feiten en omstandigheden niet, althans onvoldoende weersproken. Naar het oordeel van het College heeft appellant, mede gelet op de aan hem bij het ter zake te verrichten onderzoek gelaten ruimte, op basis van die feiten en omstandigheden in het verschil tussen de aankoopsom en de WOZ-waarde geen hoger risico op witwassen hoeven onderkennen. Overigens hoefde, anders dan BFT meent, het feit dat criminelen interesse voor de haven zouden hebben voor appellant geen reden te vormen voor het verrichten van verscherpt cliëntentoezicht, omdat appellant onweersproken erop heeft gewezen dat de belangstelling van de koper voor het pand dateerde van ná die interesse. Dat appellant genoemde feiten en omstandigheden niet in het dossier heeft vastgelegd en ter zake geen taxatierapport heeft (doen) laten opmaken om die feiten en omstandigheden te staven dan wel te ontkrachten, leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet is gebleken dat de bij of krachtens de Wft gestelde voorschriften hem daartoe op zich zelf een verplichting opleggen.

5.5

Het College is dan ook van oordeel dat niet is vast komen te staan dat appellant de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 8, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden. Omdat, zoals uit het voorgaande volgt, appellant in het verschil tussen de aankoopsom en de WOZ-waarde geen verhoogd risico op witwassen heeft hoeven onderkennen, bestaat evenmin grond voor de conclusie dat hier sprake is van een ongebruikelijke transactie. Naar het oordeel van het College is evenmin komen vast te staan dat appellant artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden. BFT was dan ook niet bevoegd ter zake van de leveringsakte een boete op te leggen.

De hypotheekakte

6. Het College is van oordeel dat de hogerberoepsgrond van appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat BFT zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 8, eerste lid, van de Wwft en artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden, faalt. Daartoe overweegt het College als volgt.

6.1

Gelet op het hiervoor onder 5.1 en 5.2 weergegeven toetsingskader is het College met de rechtbank en BFT van oordeel dat appellant ten aanzien van de hypotheekakte in de aard van de transactie vanwege de hier na te noemen feiten en omstandigheden een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen. Deze feiten en omstandigheden zijn – kort gezegd – de financiering van het pand door een niet-financiële instelling, het voor deze lening afgesproken hoge rentepercentage van 10 en de in de hypotheekakte vastgelegde bijzondere winstdelingsregeling. Dat appellant op elk van deze feiten en omstandigheden achteraf een toelichting heeft gegeven, neemt niet weg dat zij in onderling verband moeten worden bezien en in die zin voor appellant aanleiding hadden moeten zijn voor het verrichten van een verscherpt cliëntenonderzoek. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank ook terecht heeft overwogen, de algemene stellingen van appellant over de financierings(on)mogelijkheden voor bedrijfswoningen en het gehanteerde hoge rentepercentage in dit geval onverlet laten dat sprake was van een hoger risico op witwassen, nu een toenmalige medewerker van de jachthaven, die de koper en de geldverstrekker volgens appellant met elkaar in contact zou hebben gebracht, onderdeel was van de winstdelingsregeling bij doorverkoop van het pand en, net als de geldverstrekker, 1/3 deel van de verkoopwinst zou opstrijken als het pand vóór 1 november 2017 voor een hoger bedrag zou worden verkocht dan het bedrag van de lening. Dat de winstdelingsregeling transparant is gemaakt door het op te nemen in de hypotheekakte maakt nog niet dat hiermee het risico is weggevallen.

6.2

Omdat appellant een hoger risico op witwassen had moeten onderkennen, had hij verscherpt cliëntenonderzoek moeten verrichten. Door dit na te laten heeft hij niet voldaan aan de vereisten van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8, eerste lid, van deze wet.

6.3

Met de rechtbank is het College voorts van oordeel dat BFT zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat daarbij sprake was van een ongebruikelijk transactie waarvan appellant op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwft onverwijld melding had moeten maken bij de Financiële inlichtingen eenheid. Van een ongebruikelijke transactie is immers reeds sprake als er aanleiding is te veronderstellen dat de transactie verband kan (gaan) houden met witwassen. Door na te laten deze transactie onverwijld te melden, heeft appellant niet voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de Wwft.

6.4

Omdat sprake is van een overtreding van de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder d, 8 en 16, eerste lid, van de Wwft, is BFT bevoegd een boete op te leggen op grond van artikel 1d, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 30, aanhef en onder a, van de Wwft ter zake van de hypotheekakte.

Boetehoogte

7. Over de hogerberoepsgrond met betrekking tot de hoogte van de boete overweegt het College als volgt.

7.1

BFT heeft aan de boete van € 36.000,- ten grondslag gelegd dat appellant twee overtredingen van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8 van de Wwft (monitoringsverplichting en verscherpt cliëntenonderzoek) en twee overtredingen van artikel 16, eerste lid, van de Wwft (meldplicht) heeft begaan. Ter zitting heeft BFT zijn boetebeleid toegelicht en uiteengezet dat reeds bij de samenloop van een enkele overtreding cliëntenonderzoek met een enkele overtreding meldplicht volgens het schema ‘meldplicht categorieën’ sprake is van categorie 3 (risicovolle transactie(s) die ten onrechte niet gemeld is/zijn). Dat geen sprake (meer) is van een overtreding ter zake van de leveringsakte zou volgens dat boetebeleid voor de hoogte van de op te leggen boete voor de overtreding ter zake van de hypotheekakte geen verschil maken. Niettemin ziet het College aanleiding voor matiging van de boete vanwege de specifieke omstandigheden waaronder appellant deze overtreding heeft begaan, te weten dat appellant de betrokkenen bij de transactie en de omstandigheden van de jachthaven kende en dat hij de winstdelingsregeling transparant heeft gemaakt door het op te nemen in de hypotheekakte. Het College acht een halvering van de boete in dit geval passend en geboden.

Slotsom

8. Het hoger beroep is gegrond. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op overtredingen van de Wwft in verband met het passeren van de leveringsakte en voor wat betreft de hoogte van de boete. Het College zal zelf in de zaak voorziend het primaire besluit in zoverre herroepen en de hoogte van de boete vaststellen op € 18.000,-.

9. Het College veroordeelt BFT in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

10. Daarnaast dient BFT aan appellante het griffierecht voor de behandeling van het beroep van € 345,- en het hoger beroep van € 519,- te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op overtredingen van de Wwft in verband met het passeren van de leveringsakte en voor wat betreft de hoogte van de boete;

- herroept het primaire besluit in zoverre en stelt de hoogte van de boete vast op € 18.000,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt BFT op het betaalde griffierecht van € 864,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt BFT in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. S.C. Stuldreher en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. C.S. de Waal