Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:787

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-07-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
19/792
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschilbeslechting; Elektriciteitswet 1998; verzoek om restitutie van systeemdiensttarieven voor de jaren 2000 en 2001; geen geschil als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998; ACM onbevoegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/792

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , te [plaats 1] (voorheen [naam BV 2] , te [plaats 2] [naam BV 2] ), appellante

(gemachtigden: mr. J.R. van Angeren en mr. L. Westendorp),

en

de Autoriteit Consument en Markt, verweerder

(gemachtigden: mr. L.H.J. Dabekaussen en mr. T. Sahabi).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[naam BV 3] ., te [plaats 3] [naam BV 3] ,

(gemachtigde: mr. J.E. Janssen)

en

[naam BV 4] , te [plaats 4] [naam BV 4]

(gemachtigde: mr. P.B. Gaasbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998 (E-wet) beslist in een geschil tussen appellante en Stedin, respectievelijk TenneT.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Stedin en TenneT hebben reacties op het beroep ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante is ook verschenen [naam 1] . Van de kant van [naam BV 4] is ook verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1. Appellante is eigenaar van een particulier net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de E-wet. Aan appellante is een ontheffing verleend van de plicht om voor haar net een netbeheerder aan te wijzen. Het particuliere net is aangesloten op het openbare net van (de rechtsvoorgangers van) Stedin. Het systeemdiensttarief (SDT) is een tarief dat in rekening wordt gebracht bij afnemers van elektriciteit voor het ter beschikking stellen van systeemdiensten. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op de uitspraak van het College van 23 juli 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX4127), Stedin geen SDT’s in rekening mocht brengen bij appellante. In deze uitspraak had het College namelijk bepaald dat, gelet op de tekst van artikel 30 van de E-wet zoals deze luidde ten tijde van belang, SDT’s niet in rekening mochten worden gebracht bij afnemers die geen aansluiting hebben op een net dat wordt beheerd door een netbeheerder. De systeemdiensten werden feitelijk geleverd door TenneT, maar de SDT’s werden uit praktische overwegingen in rekening gebracht door Stedin en vervolgens afgedragen aan TenneT.

2. Appellante heeft Stedin en/of TenneT verzocht om restitutie van SDT's voor de jaren 2000 tot en met 2011. Dit verzoek is gehonoreerd, met als enige hier van belang zijnde uitzondering de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001. Stedin en TenneT hebben restitutie voor deze jaren geweigerd omdat niet vast staat dat in deze periode de SDT’s bij appellante in rekening zijn gebracht en dat deze de SDT’s daadwerkelijk heeft betaald. Daarop heeft appellante aan verweerder verzocht om het geschil dat zij heeft met Stedin en TenneT te beslechten op grond van artikel 51 van de E-wet.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder allereerst de klacht tegen TenneT nietontvankelijk verklaard. Ten tweede heeft verweerder zich onbevoegd verklaard om te oordelen over de klacht tegen Stedin, voor zover die betrekking heeft op restitutie van eventueel onverschuldigd betaalde SDT’s. Voor het overige heeft verweerder bij het bestreden besluit de klacht tegen Stedin ongegrond verklaard. Volgens verweerder kan namelijk niet worden vastgesteld of Stedin in de jaren 2000 en 2001 SDT's bij appellante in rekening heeft gebracht, en kan dus ook niet worden vastgesteld dat Stedin destijds in strijd met de E-wet heeft gehandeld.

4. Een partij die een geschil heeft met een netbeheerder over de wijze waarop deze zijn taken en bevoegdheden op grond van de E-wet uitoefent, dan wel aan zijn verplichtingen op grond van deze wet voldoet, kan een klacht bij verweerder indienen, aldus artikel 51, eerste lid, van de E-wet. Verweerder beslist op een klacht binnen twee maanden na ontvangst van de klacht, aldus het tweede lid. Artikel 51, eerste lid, van de E-wet is een uitwerking van artikel 37, elfde lid, van Richtlijn 2009/72/EG (Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG), waarin onder meer is bepaald dat partijen, die een klacht hebben tegen een transmissie- of distributiesysteembeheerder met betrekking tot diens verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, de klacht kunnen voorleggen aan de regulerende instantie die, fungerend als geschillenbeslechtingsinstantie, binnen twee maanden na ontvangst van de klacht een beslissing neemt.

5. De vraag die voorligt is die naar de reikwijdte van de bevoegdheid die verweerder in dit geschil op grond van artikel 51 van de E-wet toekomt. Appellante is van mening dat verweerder, anders dan deze heeft geoordeeld, ook bevoegd is om een netbeheerder te veroordelen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde SDT’s. Appellante bepleit in dit verband een omkering van de bewijslast en bij deze vraag van bewijslastverdeling aansluiting te zoeken bij de jurisprudentie van de civiele rechter. Hiertegenover staat de opvatting van Stedin als derde-belanghebbende dat de bevoegdheid van verweerder zich niet tot dit laatste uitstrekt, aangezien dit een civielrechtelijke kwestie is die buiten de reikwijdte valt van artikel 51 van de E-wet en is voorbehouden aan de civiele rechter.

6. Het College stelt voorop dat wat appellante met de klacht heeft willen bereiken, is dat Stedin, dan wel TenneT, aan haar terugbetaalt wat zij aan SDT's aan Stedin heeft betaald. In dat kader spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante daadwerkelijk SDT's aan Stedin heeft betaald. Die betaling, en daaraan verbonden de door haar gewenste restitutie, betreft echter niet de wijze waarop Stedin haar taken en bevoegdheden op grond van de E-wet heeft uitgeoefend, noch de wijze waarop Stedin aan haar verplichtingen op grond van de E-wet heeft voldaan. Over die wijze bestaat namelijk geen geschil: partijen zijn het er immers over eens dat Stedin in de jaren 2000 en 2001 evenmin als in de jaren waarin wel tot restitutie is overgegaan SDT's bij appellante in rekening mocht brengen. De uitwerking daarvan – te weten de vaststelling door Stedin of appellante SDT's heeft betaald en de restitutie indien die vraag bevestigend wordt beantwoord – betreft geen taak, bevoegdheid of verplichting op grond van de E-wet. Hetzelfde geldt ten aanzien van TenneT: de vraag of TenneT gehouden is betalingen aan SDT's terug te betalen, is geen taak, bevoegdheid of verplichting op grond van de E-wet. Dat TenneT geen SDT's bij appellante in rekening mocht brengen, staat niet ter discussie. Het College is op grond hiervan van oordeel dat het geschil over de betaling en de restitutie is voorbehouden aan de burgerlijke rechter, die ook bij uitstek competent is om te oordelen over kwesties als de door appellante voorgestane bewijslastverdeling tussen civiele partijen. Verweerder heeft zich er weliswaar rekenschap van gegeven dat zijn bevoegdheid ophoudt waar die van de civiele rechter begint, maar zich ten onrechte bevoegd geacht te oordelen over de vraag of Stedin en/of TenneT in de periode 2000-2001 SDT’s in rekening heeft gebracht bij appellante.

7. Uit het voorgaande volgt dat het geschil van appellante met Stedin en TenneT geen geschil is als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de E-wet en evenmin een klacht betreft als bedoeld in artikel 36, elfde lid, van Richtlijn 2009/72/EG. Dit betekent dat verweerder onbevoegd was om zich over het geschil uit te laten. Voor zover het bestreden besluit daarvan afwijkt, moet het worden vernietigd.

8. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder de klacht van appellante deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond heeft verklaard. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat verweerder onbevoegd wordt verklaard om te oordelen over de klacht.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder de klacht van appellante deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond heeft verklaard;

  • -

    verklaart verweerder onbevoegd om te oordelen over de klacht van appellante tegen Stedin en TenneT en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. H.O. Kerkmeester en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen deze uitspraak te ondertekenen