Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:77

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
18/2234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Besluit houders van dieren. Last onder dwangsom. Beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Deelname aan Stoppersregeling, bedrijfsmatig worden geen varkens meer gehouden, de looptijd van de last onder dwangsom is verstreken en appellante heeft geen dwangsommen verbeurd. Geen omstandigheden gesteld of gebleken die meebrengen dat appellante nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Wetsbepaling:

Artikel 6 van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2234

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.G. Grijpstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries)

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van het Besluit houders van dieren.

Bij besluit van 19 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het primaire besluit herroepen, in die zin dat aan de last een dwangsom per tijdseenheid is verbonden.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer 19/1090. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde die via een videoverbinding aan de zitting heeft deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 2] . Voor het doen van uitspraak zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,-;

- draagt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.

2.1

Ter zitting is gebleken dat appellante heeft deelgenomen aan de zogenoemde Stoppersregeling en dat zij daardoor vanaf 1 januari 2020 bedrijfsmatig geen varkens meer houdt. Voorts staat vast dat de looptijd van de last onder dwangsom is verstreken op 10 april 2020 en dat appellante geen dwangsommen heeft verbeurd. Omstandigheden die zouden meebrengen dat appellante ondanks het voorgaande nog belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit zijn niet gesteld of gebleken.

2.2

Het College is van oordeel dat appellante gelet op het voorgaande geen belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang.

3.1

Appellante heeft bij brief van 15 juni 2020 een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College overweegt hierover als volgt.

3.2

Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 18 mei 2018. Het College stelt vast dat ten tijde van deze mondelinge uitspraak de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar (eindigend op 18 mei 2020) met bijna acht maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

3.3

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, betekent dit dat appellante recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan appellante.

4. Het College ziet aanleiding de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) op te dragen het door appellante betaalde griffierecht van € 338,- aan haar te vergoeden.

5. Tot slot veroordeelt het College de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de door appellante gemaakte proceskosten voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 267,-. Daarbij is uitgegaan van 1 punt tegen een waarde van € 534,- per punt en een zaak van licht gewicht (wegingsfactor 0,5).

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.L. van der Beek en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

het proces-verbaal te ondertekenen het proces-verbaal te ondertekenen