Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:752

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-07-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
19/1652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Spoedbestuursdwang en kostenbesluit. Meevoeren en elders onderbrengen van 100 honden.. Controle zes dagen later afgerond met inschakeling deskundigen. De aangetroffen situatie was dermate ernstig, dat onmiddellijk ingrijpen geboden was. Het grote aantal honden en de aangetroffen situatie rechtvaardigt dat het drie weken heeft geduurd voordat verweerder het besluit tot het toepassen van spoedbestuursdwang op schrift had gesteld.

Artikel 2.1 en 2.2 van de Wet dieren

Artikel 1.6, tweede lid, 1.7, 1.8, 3.12, 3.14, 3.16 en 3.22 van het Besluit houders van dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1652

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juli 2021 in de zaak tussen

[naam 1] , h.o.d.n. [naam onderneming], te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F. Somer).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de toepassing van spoedbestuursdwang op 1 maart 2019 wegens overtreding van het bepaalde in de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd) op schrift gesteld.

Bij besluit van 25 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 oktober 2020 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de toegepaste bestuursdwang bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft naar aanleiding van dit besluit aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts zijn voor verweerder verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Op 22 februari 2019 is een (her-)controle uitgevoerd op het adres van appellant. Op 28 februari 2019 hebben de toezichthouders, in aanwezigheid van een gedragsbioloog en een dierenarts, de controle voortgezet. De bevindingen van deze controles zijn neergelegd in het toezichtrapport van 21 maart 2019 (het toezichtrapport). De strafrechter heeft appellant op 15 maart 2019 een verbod tot het houden van honden voor de duur van zes maanden opgelegd. Deze maatregel is gebaseerd op de bevindingen in het toezichtrapport.

2.1.1

Als spoedbestuursdwang heeft verweerder 100 honden afgevoerd, omdat de gezondheid en het welzijn van de honden van appellant zou zijn aangetast. Hij heeft de bestuursdwang toegepast zonder voorafgaande last, teneinde de honden en pups zo snel mogelijk te socialiseren. Ook had een aantal honden (acute) medische zorg nodig. De bevindingen van de gedragsbioloog en de dierenarts op 28 februari 2019 waren reden de honden met spoed mee te voeren. Dat kon gezien het grote aantal honden, de donkere stallen en de gevaarzetting voor de omgeving, pas op 1 maart 2019 gebeuren.

2.1.2

Volgens verweerder was sprake van een reeks aan overtredingen:

- het zodanig beperken van de honden en pups in hun bewegingsvrijheid dat de dieren hierdoor onnodig lijden en er onvoldoende ruimte wordt gelaten voor de ethologische en fysiologische behoeften (artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren, artikel 1.6, tweede lid en artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 3.16 van het Bhd);

- het niet geven van de benodigde medische zorg aan de honden en pups (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, artikel 1.7, aanhef en onder c en artikel 3.14, tweede lid, van het Bhd);

- het niet geven van een schone en zindelijke huisvesting (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd) en het gebruiken van materialen die niet goed gereinigd en ontsmet konden worden (artikel 1.8, vierde lid, van het Bhd);

- het geven van onvoldoende gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer aan de honden en pups (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd);

- het niet geven van vers water aan de honden en pups (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Bhd);

- het niet zorgen voor voldoende verse lucht (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, artikel 1.7, aanhef en onder g, en artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bhd);

- het niet zo maken, inrichten en onderhouden van de behuizing en inrichting van de verblijven dat de hier gehuisveste dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden (artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, artikel 1.7, aanhef en onder d, en artikel 1.8, tweede en derde lid, van het Bhd);

- het niet op passende wijze verzorgen van de zieke dieren (artikel 3.14, eerste en tweede lid, van het Bhd);

- het solitair huisvesten van de volwassen honden (artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren, artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder e en f, en artikel 3.16, eerste lid, van het Bhd);

- het ontbreken van interactie of sociaal contact tussen de verzorger en de honden (artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren) en het ontbreken van socialisatie bij de pups (artikel 3.22, aanhef en onder a en b, van het Bhd).

2.1.3

De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.2

Bij het kostenbesluit heeft verweerder de kosten voor het toepassen van de spoedbestuursdwang tot een bedrag van € 51.291,41 bij appellant in rekening gebracht.

3.1

Appellant betwist dat hij de Wet dieren en het Bhd heeft overtreden. Een aantal van de door verweerder aangehaalde constateringen steunt niet op het toezichtrapport. Voorts voert appellant aan dat het toezichtrapport en de besluitvorming innerlijk tegenstrijdig zijn, niet op elkaar aansluiten en dat de aantallen honden niet kloppen. Ook bevat het toezichtrapport onjuistheden en meningen die zijn gebaseerd op slechts enkele minuten aanwezigheid.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het toezichtrapport en de verklaringen van de gedragsbioloog en de dierenarts het bewijs bevatten van de feiten die ten grondslag liggen aan de appellant aangerekende overtredingen.

4.1

Het College stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport. Worden die bevindingen betwist, dan onderzoekt het College of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Appellant heeft enkel gesteld dat het toezichtrapport onjuistheden bevat. Daarmee heeft hij de bevindingen onvoldoende weersproken.

4.2.1

Het toezichtrapport vermeldt, voor zover hier van belang,

over de controle op 22 februari 2019:

“Ruimte 1:

(…) Wij zagen dat in de eerste kennel 2 ongeveer 9 maanden oude herders zaten. De honden reageerden angstig op ons en trokken zich terug in de verste hoek van hun verblijf. Voorts zagen wij dat in een 2e kennel 3 halfwas honden zaten, daarnaast zaten in een hok 6 pups (…). Het viel ons op, dat met name de 6 pups en de 3 halfwas pups zeer angstig waren. De pups kropen weg in de verste hoeken van hun verblijf en wilde het liefst onder de mand wegkruipen. (…) De honden hadden geen water.

(…)

Ruimte 2; 1 compartiment.

(…) In dit compartiment hing een sterke ammoniaklucht die op onze luchtweg sloeg en penetrant was. In de gang stond een kruiwagen vol met hondenstront. (…) Wij zagen, dat de kennels (…) natte vloeren hadden. (…) De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig(…) De vlonder in dit hok was van hout, sterk vervuild met drollen erop en kapot met scherpe houtdelen. (…) De reu had op de flanken wondjes. (…) Geen van deze honden had water.

(…)

Ruimte 3; 1 compartiment.

(…) In dit compartiment hing een sterke ammoniaklucht die op onze luchtweg sloeg en penetrant was. De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. In de 1e kennel rechts zat een witte herder. Deze hond had een vlonder en wat smerig water. In de 2e kennel zat een witte herder met een vlonder zonder water. In de 3e kennel zat een witte herder met vlonder zonder water. In de laatste kennel zaten 2 witte herders met een 2 vlonders zonder water. In het voorlaatste hok zat een witte herder met vlonder zonder water en daarvoor zat in een kennel een zeer angstige witte herder zonder water. Alle herders vertoonden sterk afwijkend angstig gedag. Ze kropen weg in de verste hoek van hun verblijven. (…) Diverse panelen vertoonden sporen van slecht onderhoud en hadden losse, scherpe delen. De vloeren waren (…) nat (…)

Ruimte 4; bevat 5 compartimenten (…)

A;

De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. De vloeren zijn van beton en nat. In de ruimte hing een penetrante ammoniaklucht. (…) In de 3e kennel zaten 2 (…) Jack Russels zonder water (…). In de 4e kennel zaten 2 X Jack Russels zonder water en in de 5e kennel zat een X Maltezer en 1 X Jack Russel zonder water. (…) in de 5e kennel zaten een shelti en 1 X Jack Russel met 2 manden zonder water.

B;

De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. De vloeren zijn (…) nat. In de ruimte hing een penetrante ammoniaklucht. Hier troffen wij in totaal 7 honden aan. In de 1e kennel rechts zaten 1 X duitse herder en 1 X zwarte labrador met vlonder zonder water, in de 2e kennel rechts zaten 2 Rodesian Ridgebacks met vlonder zonder water. (…) In de laatste kennel links zat een x duitse herder met vlonder zonder water. In de kennel daarvoor zaten 2 zwarte X labradors met 1 vlonder zonder water.

(…)

D;

De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. De vloeren zijn (…) nat. In de ruimte hing een penetrante ammoniaklucht. Hier troffen wij in totaal 23 honden aan. In de 1e kennel rechts zaten een rodesian ridgeback en een zwarte X labrador met 1 mand zonder water. (…) In de 3e kennel rechts zat een witte herder met mand zonder water In achterste kennel links zaten een X zwarte labrador en een rodesian ridgeback zonder water met 1 mand. (…)

E:

De wanden, kieren, hoeken, spijlen, hondenmanden, vlonders, voerbakken en waterbakken waren onhygiënisch. Alles was aangekoekt met vuil en of voerresten. Het geheel was erg smerig. De vloeren zijn van beton en nat. In de ruimte hing een penetrante ammoniaklucht. Hier troffen wij in totaal 7 honden aan. In de 1e kennel rechts zat 1 Rodesian Ridgeback. Deze hond was schraal/mager en had op beide voorpoten verdikkingen. (…) In de 2e kennel rechts zat een x zwarte labrador met vlonder zonder water. In de laatste kennel rechts zat een X zwarte labrador met vlonder en vuil water. (…)

Ruimte 5;

In een tussenruimte zagen wij nog 2, oude, grote maat X Jack Russels lopen. Deze hadden smerig water en 2 smerige mandjes tot hun beschikking.

Ruimte 6;

In deze ruimte zaten in de voorste dubbele paardenstal 11 pups, zowel zwart als bruin van het type X herder, X labrador en X rodesian ridgeback. In deze ruimte roken wij een zeer penetrante diarreelucht die ons deed denken aan de besmetting Giardia. Dit is een specifieke, herkenbare lucht. (…) De dieren hadden vies water. Het hok waarin zij zaten lag vol met nat zaagsel en uitwerpselen waarvan het merendeel diarree was. In de paardenstal daarachter zaten in dezelfde vervuilde omstandigheden 3 oudere pups voorzien van smerig water. (…) Tussen de schuren is een ruimte van ongeveer 15 x 20 meter groot, welke (…) vermoedelijk gebruikt wordt als uitloopruimte. De bodem is van steen. Op verse plaatsen zaten hier scherp uitstekende delen aan met name hekwerk. Verder was op een deel de stenen vloer ingezakt.”

over de controle op 28 februari 2019:

“In een 6 tal schuren waren honden gehuisvest(…). In het bedrijf waren (…) meer dan 100 dieren aanwezig, waarvan minimaal 41 pups. Het betrof hier voornamelijk honden van de rassen Rhodesian Ridgeback, witte herders, Jack Russell terriërs, Labradors dan wel kruisingen hiervan.

(…)

Ruimte 1

In ruimte 1 waren diverse kennels gemaakt en in deze kennels waren diverse honden gehuisvest. (…) In de ruimte hing een sterke ammoniakgeur. De huisvesting van de honden was vervuild met urine, uitwerpselen en de vloer was nat en er waren scherpe uitstekende delen aanwezig waar de honden zich aan kunnen verwonden. Tevens was het redelijk donker in deze ruimte. (…)

Ruimte 2

(…) In de ruimte hing een zeer sterke ammoniakgeur. Wij voelden dat wij last kregen van onze ogen en luchtwegen terwijl wij in deze ruimte bezig waren. De huisvesting van de honden was vervuild met urine, uitwerpselen en de vloer was nat en er waren scherpe uitstekende delen aanwezig waar de honden zich aan kunnen verwonden. Tevens was het zeer donker in deze ruimte. Op de kenneldelen zat veel aangekoekt vuil en deze waren aangetast door de urine c.q. vocht. Er werd in deze ruimte niet geventileerd. De ventilator was van de schaft gevallen en werkte daardoor niet en er waren maar twee hele kleine ramen aanwezig die ook niet voor ventilatie zorgden. (…) In het buitengedeelte voor ruimte twee waren twee honden aanwezig (Rodesian ridgebacks) en ook hier bevonden zich uitstekende delen in het hekwerk waar de honden zich aan konden verwonden.

Ruimte 3

In (…) de ruimte hing een zeer sterke ammoniakgeur. Wij voelden dat wij last kregen van onze ogen en luchtwegen terwijl wij in deze ruimte bezig waren. De huisvesting van de honden was vervuild met urine, uitwerpselen en de vloer was nat en er waren scherpe uitstekende delen aanwezig waar de honden zich aan kunnen verwonden. Tevens was het zeer donker in deze ruimte. Op de kenneldelen zat veel aangekoekt vuil en deze waren aangetast door de urine c.q. vocht. Er werd in deze ruimte niet geventileerd. (…) In het buitengedeelte voor deze ruimte waren drie honden aanwezig. Op dit gedeelte bevonden zich uitstekende delen in het hekwerk waar de honden zich aan konden verwonden en waren gaten in de grond waarin deze honden hun poten kunnen verwonden.

Ruimte 4

In (…) deze ruimten hing een zeer sterke ammoniakgeur. Wij voelden dat wij last kregen van onze ogen en luchtwegen terwijl wij in deze ruimte bezig waren. De huisvesting van de honden was vervuild met urine, uitwerpselen en de vloer was nat en er waren scherpe uitstekende delen aanwezig waar de honden zich aan kunnen verwonden. Tevens was het zeer donker in deze ruimte. Op de kenneldelen zat veel aangekoekt vuil en deze waren aangetast door de urine c.q. vocht. Er werd in deze ruimte niet geventileerd. (…) In ruimte 5 waren twee honden gehuisvest (Jack Russels) in een zeer vervuilde huisvesting deze honden konden naar buiten maar ook buiten was het zeer vervuild met uitwerpselen.

Ruimte 6

Ruimte 6 was een grote schuur met daarin een aantal paardenboxen. In twee van deze boxen waren pups gehuisvest. Ondanks de grote ruimte hing hier ook een penetrante lucht en was er weinig verse lucht. De pups (9 en 6) waren veel te nat en vervuild gehuisvest (…). Ook was in deze schuur de voedermengmachine (…) met nog een grote hoeveelheid voer erin. Dit voer bestaat uit brood gemengd met verpakt vlees van ver over de datum. In een aparte ruimte op het terrein, waar normaal de pensionkatten gehuisvest worden troffen wij nog een drietal honden (Jack Russels) met net geboren pups. Zelfs hier was voor de nestplaats gebruik gemaakt van een sterk door vervuiling aangetaste hondenmand. Tevens troffen wij hier nog een dode pup aan.”

4.2.2

De gedragsbioloog [naam 2] beschrijft in haar verslag van 3 maart 2019 onder meer:

“In het bedrijf waren (…) 100 dieren aanwezig, 59 volwassen dieren en 41 pups. Het betrof hier voornamelijk honden van de rassen Rhodesian Ridgeback, witte herders, Jack Russell

terriërs, Labradors dan wel kruisingen hiervan. In vrijwel alle hokken hadden de honden diarree en indien er beddingmateriaal aanwezig was, dan was dat zaagsel vermengd met ontlasting en voer. Overal was de vloer nat (,,) en ook de ligplekken van de dieren waren nat (…) De kennels (…) waren in armzalige staat van onderhoud en ernstig vervuild. Soms stond er een kapotte plastic hondenmand of was er een houten vlonder aanwezig als ligplaats, maar deze was dan wel nat en kapot. Nergens waren er kooiverrijkingen of speeltjes in de hokken aanwezig voor wat afleiding of spel. In de meeste hokken was wel een drinkbak aanwezig (maar niet allen) en soms was er voer aanwezig (meestal niet). Veel hokken waren donker, zo donker zelfs dat we hier en daar een zaklantaarn nodig hadden om de honden te zien. Alle hokken waren zwaar beschadigd met scherpe uitstekende punten van gaas en loshangende kenneldeuren, en de honden zouden zich hier met gemak aan kunnen beschadigen; ook op de buitenplaats stond veel afval en materieel waar de dieren zich fors aan zouden kunnen verwonden. Ten tijde van de controles heb ik geen van de pups zien spelen - de dieren waren allemaal alert en gespannen, hetgeen totaal niet past bij normaal gedrag van een jonge pup.”

en

“Tijdens mijn rondgang (…) heb ik het merendeel van de volwassen honden en pups angstgedrag zien vertonen bij vriendelijk contact zoeken: de dieren weken

vaak over een maximale afstand en gingen tegen de muur zitten achterin het hok. Een aantal

van de dieren poogde zelfs onder de houten vlonder of achter de kapotte plastic mand te

kruipen, een paar dieren lieten hun ontlasting lopen van angst, beefden en trilden over het

hele lichaam, hadden passieve angstuitingen (freezing), en één hond braakte van de stress

bij het binnenstappen voor de chipcontrole de maaltijd op, waarna het braaksel weer werd

opgegeten. (…) Slechts enkele honden zochten contact, waren wel zeer onderdanig, en ook hier waren zo nu en dan schrikgedragingen zichtbaar (bijv. deins bij het vallen van een pen of een blaadje). (…) Bij de pups was dit iets beter, alhoewel het merendeel van de wat oudere pups meters afstand bewaarden. Ik heb naar niemand van de aanwezigen een spontane en ontspannen benadering gezien met sociale brede kwispel. Ik heb verder weinig tot geen agressie gezien bij de jonge dieren. Bij de volwassen dieren was er een enkeling die gromde of een alarmblaf uitte, maar bij contact zoeken sloegen de agressieve elementen om naar angst. Alle vormen van agressie die ik zag waren primair gemotiveerd vanuit angst, dus angstagressie.”

en zij concludeert

“Op dit bedrijf schat ik het risico voor het ontwikkelen van socialisatie deficiënties in als zeer hoog, omdat er amper contact is met de dieren en er slechts één persoon aanwezig is om 100 honden te verzorgen, waarvan 41 pups extra aandacht nodig hebben voor een adequate socialisatie. (…) Van de pups schat ik in dat de socialisatie deficiëntie van een dusdanig niveau is dat om en na 30% van de pups nog redelijk goed te wennen is aan mensen met matige consequenties voor de latere levensfase t.a.v. aanpassingsproblemen en het vatbaar zijn voor het ontwikkelen van probleemgedrag. Dit alleen indien ze nu onmiddellijk in omstandigheden terecht komen die hen voorbereiden op een huiselijk bestaan. (…) Alle volwassen honden waren angstig met een wisselende intensiteit. (…) Bij een aantal volwassen honden was het angstgedrag (…) zeer ernstig (10-15%). Het angstgedrag is bij deze volwassen dieren verder "ingesleten" en uit zich nog intenser dan bij de pups, en enkele volwassen dieren hadden ook angstagressie ontwikkeld. (…) Het ontstaan van angstgedrag is tot slot nog extra te verklaren door genetische predispositie. Angst erft snel over. Dit is binnen twee of drie generaties bewerkstelligd als iedere keer weer angstige fokdieren worden ingezet.”

en

“Door het langdurig verblijf in zeer onhygiënische kennels, weinig sociaal contact met mensen en soortgenoten (veel dieren zitten namelijk solitair), weinig lichaamsbeweging, slechte eenzijdige voeding, hebben enkele volwassen dieren stereotypieën ontwikkeld en een enkeling vertoont symptomen van learned helplessness. Learned helplessness is een soort van depressieve toestand waar dieren in kunnen komen bij algehele uitzichtloosheid om je op een normale wijze met normaal gedrag aan te passen aan een leefomgeving.”

en

“Elke hond heeft behoefte aan regelmatig contact met soortgenoten, dan wel als vervanging van een soortgenoot, de behoefte aan regelmatig contact met mensen. In de huisvestingstoestand die ik heb aangetroffen waren er uitermate weinig mogelijkheden om hieraan invulling te geven (…) Compensatiemogelijkheden om deze sociale behoefte te vervullen bij de solitair gehuisveste dieren door extra veel contact met mensen aan te bieden, acht ik bij dit bedrijf (…) nihil. (…) Op geen enkele wijze werd op dit bedrijf invulling gegeven aan de gedragsmatige behoefte van de hond, noch voor sociaal contact, noch ten aanzien van fysieke of mentale behoefte. Maar ook ontbeerde het aan een fatsoenlijke 24 uur ritmiek (dag-nacht ritme), hygiëne, voer en schoon drinkwater en medische zorg. Hiermee zijn op dit bedrijf alle vijf vrijheden van de Brambell committee geschonden. Ik heb in mijn 25 jarige carrière (…) nog nooit zo een in en in trieste hondenfokkerij en smerige onhygiënische huisvesting gezien, waarin fokdieren hun leven in ernstig verstoord (sociaal) welzijn moeten slijten. De pups die in deze inrichting worden geboren en/of verblijven kunnen (…) nooit wennen aan de omgang met de mens, kinderen, allerlei relevante diersoorten (…). Mijn advies (…) was derhalve om direct een eind te maken aan deze wantoestanden en de honden daar weg te halen.”

4.2.3

De dierenarts [naam 4] rapporteert onder meer:

“Op donderdag 28 februari 2019 (…) heb ik (…) een veterinair onderzoek uitgevoerd bij (…) Animal House. (…) Ik zag een Rhodesian Ridgebackreu gehuisvest In een kennel. Ik zag dat deze reu grote zwerende wonden aan beide voorpoten had. De huid was open en pussig. Ik zag dat deze hond ook aan de achterpoten donkere verdikkingen op de hakken en tenen had. Deze hond behoeft noodzakelijke veterinaire zorg voor de verwondingen. De wonden waren al enige tijd aanwezig en worden hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de afwezigheid van zacht ligmateriaal. (…) Hierna toonde men mij een witte herder die op een houten vlonder lag. De hond reageerde niet op onze aanwezigheid en vertoonde pijnsignalen. Bij onderzoek stelde ik vast dat deze hond zeer pijnlijk op de heupen en achterband was. Deze hond behoeft nader onderzoek en pijnstilling te krijgen. Vervolgens werd mij een labradorteef met 4 pups getoond. Deze teef had een wond op de rechterflank ter grote van een euromunt. De oorzaak van deze wond kan ik niet geven, maar de wond dient wel verzorgd te worden.”

en

“Ik zag vervolgens 9 pups in een dubbele paardenstal zitten. (…) Ik zag (…) dat enkele dieren diarree hadden. Bij diverse pups ontbreekt haar rondom de ogen. Er kan sprake zijn van een mineralen tekort. Ik zag dat de eigenaar van de honden zelf hondenvoer bereid, gemaakt van kip, brood en afgekeurde humane vlees- en vleeswaarmaaltijden, die ver over datum zijn. Ook zag ik dat bij een pup de voetzooltjes ontstoken waren en de staartpunt kapot en licht ontstoken was. Een 2e pup had eveneens kapotte zooltjes. Ontstoken voetzooltjes Is niet verbazingwekkend gezien de natte ondergrond waarop deze pups liepen. Er lag weliswaar wat zaagsel maar dat was volstrekt onvoldoende. (…) Ik heb van de ontlasting in het hok een mengmestmonster genomen (…). Bij onderzoek in ons laboratorium kwam naar voren dat de pups leden aan een zogenaamde Giardia Spp. Infectie. Dit is een parasiet welke darmontsteking veroorzaakt.”

5.1

Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat de huisvesting van 100 honden ernstig was vervuild en de vloeren nat waren, onvoldoende werd geventileerd, donker was, en dat sommige kennels scherpe delen bevatten. In meerdere hokken ontbrak schoon drinkwater en het voer bestond uit brood met vlees van ver over de houdbaarheidsdatum. Een aantal honden had onverzorgde wonden. Ongeveer de helft van de volwassen honden was solitair gehuisvest en kooiverrijking ontbrak. Alle pups waren angstig en niet meer dan 30% zal nog kunnen wennen aan mensen, zo’n 10% van de pups is gedragsmatig (en fysiek) er zo slecht aan toe dat doding onvermijdelijk is. Ook een aantal volwassen honden was er gedragsmatig, fysiek en medisch zo slecht aan toe dat volgens de gedragsbioloog doding noodzakelijk is.

5.2

Daarmee heeft appellant de hem door verweerder verweten overtredingen begaan. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

Toepassen spoedbestuursdwang

6.1

Appellant voert aan dat verweerder op 22 februari 2019 bekend was met de situatie en pas acht dagen later, op 1 maart 2019, bestuursdwang heeft toegepast. Verweerder had een begunstigingstermijn moeten bieden.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat spoedeisende bestuursdwang noodzakelijk was. De op 22 februari 2019 aangetroffen situatie gaf aanleiding voor de inschakeling van een gedragsbioloog. Deze deskundige was pas op 28 februari 2019 beschikbaar. De toestand van de dieren bleek toen zo nijpend dat onmiddellijk ingrijpen nodig was. Vooral voor de pups was het noodzakelijk dat zij voor hun socialisatieproces snel in een andere omgeving zouden verkeren. Ook moest worden voorkomen dat de honden in de handel terecht zouden komen, omdat er dan aanzienlijk gevaar voor ongevallen en bijtincidenten zou bestaan. Gezien de complexiteit van de casus en het grote aantal honden is het niet gelukt om, overeenkomstig het streven, het besluit binnen twee weken op schrift te stellen, maar er is geen aanleiding om te veronderstellen dat appellant daardoor in zijn belangen is geschaad.

6.3.1

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

6.3.2

Ingevolge artikel 5:29, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, zaken meevoeren en opslaan.

6.4.1

Het College is van oordeel dat op 28 februari 2019 duidelijk was dat de situatie op het bedrijf van appellant onhoudbaar was. De aangetroffen situatie was dermate ernstig, dat onmiddellijk ingrijpen geboden was. De door verweerder geraadpleegde deskundigen laten daarover in stevig gekozen bewoordingen geen twijfel bestaan. Het ging om een zeer groot aantal honden en er waren grote en fundamentele tekortkomingen in de huisvesting en verzorging van de dieren geconstateerd. Appellant was de situatie duidelijk boven het hoofd gegroeid en niet aannemelijk is dat hij als enige verzorger in staat was de situatie ten goede te keren.

6.4.2

Het getuigt veeleer van zorgvuldigheid dat verweerder de op 22 februari 2019 ingezette controle op 28 februari 2019 heeft afgerond met de inschakeling van deskundigen. Verweerder heeft voor de inzet van die deskundigen zeker niet onaanvaardbaar lang de tijd genomen. De keuze om de bestuursdwang op 28 februari 2019 een dag uit te stellen, valt alleszins te billijken vanwege het gevorderde tijdstip, het grote aantal honden, donkere hokken en mogelijke gevaarzetting voor de omgeving.

6.4.3

Dat alles betekent dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om op 1 maart 2019 bestuursdwang toe te passen, zonder voorafgaande last, door het meevoeren en elders onderbrengen van 100 honden. De beroepsgrond faalt.

6.5

Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

Kostenbesluit

7.1

Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu appellant dit besluit betwist. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

7.2

Met het kostenbesluit is € 51.291,41 in rekening gebracht voor de kosten in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 maart 2019 ten behoeve van het vervoer en verblijf van de honden, medische behandeling en administratie. De opbrengst van de verkoop van 34 honden heeft verweerder in mindering gebracht. Kosten die zijn gemaakt na 1 april 2019 heeft verweerder niet in rekening gebracht bij appellant.

7.3

Appellant betoogt dat nu het primaire besluit pas drie weken na de toepassing van de bestuursdwang bekend is gemaakt de mogelijkheid om de kosten op hem te verhalen is komen te vervallen. Hij voert subsidiair aan dat de kosten niet in direct verband staan met de toegepaste bestuursdwang. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij hiermee doelt op de in rekening gebrachte kosten voor het verwijderen van tandsteen bij acht honden. Hij voert ook aan dat de honden voor een te laag bedrag zijn verkocht. Hij verwijst hiervoor naar gemiddelde aankoopprijzen op websites van rasverenigingen.

7.4

Naar het oordeel van het College rechtvaardigt het grote aantal honden en de aangetroffen situatie dat het drie weken heeft geduurd voordat verweerder het besluit tot het toepassen van spoedbestuursdwang op schrift had gesteld. Reeds daarom is er geen reden om aan te nemen dat dit tijdsverloop de bevoegdheid tot kostenverhaal heeft aangetast. De beroepsgrond faalt.

7.5

Het College is verder van oordeel dat verweerder met facturen inzichtelijk heeft gemaakt welke kosten hij in verband met de bestuursdwang heeft gemaakt. Pas op de zitting heeft appellant geconcretiseerd voor welke kosten een rechtstreekse verband met de bestuursdwang zou ontbreken en heeft hij door dat laattijdige moment verweerder de gelegenheid ontnomen om zich daartegen adequaat te verweren. Het College laat deze beroepsgrond vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

7.6

Appellant betwist op zich niet de door verweerder opgegeven verkoopprijs. Hij is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat verweerder daarmee de honden voor een te laag bedrag heeft verkocht. De honden verkeerden in een ronduit deplorabele toestand en dat maakt het ver van aannemelijk dat hun marktwaarde die van de door rasverenigingen gehanteerde verkoopprijzen zou benaderen. De beroepsgrond faalt.

8. Het beroep, voor zover gericht tegen het kostenbesluit, is ongegrond.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.C. Stam en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.

De voorzitter is buiten staat De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.

Bijlage

De Wet dieren

“Artikel 2.1 Dierenmishandeling

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

(…)

Artikel 2.2 Houden van dieren

(…)

8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.

(…)”

Het Besluit houders van dieren

“Artikel 1.6 Houden van dieren

(…)

2. Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.

(…)

Artikel 1.7 Verzorgen van dieren

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:

a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden;

b. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;

c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;

d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;

e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;

f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;

g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.

Artikel 1.8 Behuizing

(…)

2. Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.

3. In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.

4. De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.

Artikel 3.12 Huisvesting en verzorging

1. Onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat:

(…)

b. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier;

(…)

e. het dier niet tengevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart;

f. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beïnvloedt.

(…)

3.14

Gezondheid

1. In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd.

2. Indien verzorging geen of onvoldoende verbetering in de toestand van een ziek gezelschapsdier bewerkstelligt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.

(…)

3.16

Huisvesting honden

Een hond wordt, passend bij zijn ethologische en fysiologische behoefte, dagelijks in de gelegenheid gesteld tijd door te brengen buiten de ruimte waarin deze gehouden wordt, indien de gezondheidstoestand van de hond zich daar niet tegen verzet.

(…)

3.22

Socialisatie

Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier:

a. went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en

b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag.”