Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:684

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
19/603 en 19/1284
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet: artikel 23, derde lid, artikel 27, eerste lid en artikel 29, tweede lid.

Algemene wet bestuursrecht: artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 8:89, tweede lid.

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: artikel 6.

Schadevergoedingsverzoek beperkt tot € 25.000,-. Geen strijd met relativiteitsvereiste. Causaal verband. Appellant stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij niet over het benodigde aantal fosfaatrechten beschikte om tijdig aan zijn contractuele verplichting tot overdracht daarvan aan [X] te voldoen. Omdat appellant over onvoldoende fosfaatrechten beschikte heeft verweerder zijn melding overdracht fosfaatrechten afgewezen. Om alsnog aan de overeenkomst met [X] te kunnen voldoen moesten vervangende (duurdere) rechten worden gekocht. Appellant heeft de gestelde schade onderbouwd met een berekening van de gemaakte kosten en facturen waaruit de aankoop van 408,66 kg door [X] voorgefinancierde fosfaatrechten tegen een aankoopprijs van € 254,- per kg blijkt. Het College komt dan ook tot het oordeel dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in elk geval ten minste € 25.000,- aan schade heeft geleden. Door verweerder wordt ook niet betwist dat de schade van appellant tenminste € 25.000,- bedraagt. Naar het oordeel van het College was appellant niet gehouden tot het opnemen van een ontbindingsclausule. Hij mocht er vanuit gaan dat hij de beschikking zou krijgen over het aantal fosfaatrechten dat in de servicemelding vermeld stond (hetgeen bij het primaire besluit ook gebeurd is). Het College wijst de verzochte schadevergoeding dan ook toe tot een bedrag van € 25.000,-..

Appellant heeft recht op € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/603 en 19/1284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[naam onderneming] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: W.C. Bikker),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 552 kg.

Op 6 februari 2018 heeft appellant een melding overdracht fosfaatrechten gedaan.

Op 28 augustus 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder het besluit van 10 januari 2018 herroepen en het fosfaatrecht vastgesteld op 110 kg.

Op 20 oktober 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder de melding overdracht fosfaatrechten afgewezen.

Bij besluit van 7 maart 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit I gegrond verklaard en het fosfaatrecht vastgesteld op 326 kg.

Bij besluit van 10 april 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Appellant heeft eveneens verzocht om vergoeding van de geleden schade.

Bij besluit van 29 april 2020 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken, het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit I gegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 672 kg.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 december 2020 heeft appellant nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 27, eerste lid. Van de Msw geven de belanghebbende naar wiens bedrijf het productierecht, of gedeelte daarvan, moet overgaan en de belanghebbende van wiens bedrijf het productierecht, of gedeelte daarvan, afkomstig is, van de overgang kennis aan de minister. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan er pas aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige productierecht, of gedeelte daarvan, met ingang van het tijdstip van registratie van de kennisgeving door de minister.

1.3

In artikel 29, tweede lid van de Msw is bepaald dat de registratie, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Msw niet plaats vindt indien de kennisgeving betrekking heeft op een groter aantal varkenseenheden, pluimvee-eenheden of kilogrammen fosfaat dan overeenkomt met het desbetreffende productierecht van het bedrijf waarvan het afkomstig is.

1.4

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het College is op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.

Feiten

2. Appellant handelt in vee. Hij koopt jongvee met het doel dit op te fokken. Daarnaast koopt hij melkvee voor de doorverkoop. Zijn bedrijf levert geen melk. Op 17 oktober 2017 heeft appellant een overeenkomst gesloten met [naam BV] voor de verkoop van 550 kg fosfaatrecht voor in totaal € 99.000,- (€ 180,- per kilo fosfaat). Artikel 4.3 van de koopovereenkomst luidt: “Verkoper is bekend met het feit dat de rechten enkel ontstaan indien de voorgenomen wet- of regelwijziging zoals geformuleerd in de brief van staatssecretaris Van Dam van 3 maart 2016 wordt doorgevoerd op de wijze zoals bedoeld door Van Dam. Indien - om wat voor reden dan ook – de wet en/of regelgeving wordt aangepast in die zin dat verkoper (in dit geval appellant) de rechten niet kan overdragen komt dit voor rekening van verkoper en heeft verkoper geen recht op eventuele schadevergoeding.”

Besluiten van verweerder en omvang van het te beoordelen geschil

Vaststelling fosfaatrechten

3.1

Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant in het besluit van 10 januari 2018 vastgesteld op 552 kg. Verweerder heeft dit besluit op 28 augustus 2018 herzien en het fosfaatrecht van appellant lager vastgesteld op 110 kg. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant verhoogd naar 326 kg. In het vervangingsbesluit van 29 april 2020 heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant verder verhoogd naar 672 kg.

Overdracht fosfaatrechten

3.2

Verweerder heeft de overdracht fosfaatrechten afgewezen en het bezwaar van appellant daartegen ongegrond verklaard, omdat appellant als gevolg van het primaire besluit I niet over voldoende fosfaatrechten beschikte.

Vervangingsbesluit

3.3

Nu verweerder in het vervangingsbesluit volledig te tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant met betrekking tot de vaststelling van zijn fosfaatrecht en verweerder de onrechtmatigheid van het primaire besluit I en het bestreden besluit I erkent, heeft appellant geen belang bij het meenemen op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het vervangingsbesluit in de onderhavige procedure. Het beroep tegen bestreden besluit I zal in het verlengde daarvan niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat geen belang meer bestaat bij beoordeling van dat beroep.

Beroepsgronden

Overdracht fosfaatrechten

4.1

Appellant kan zich niet vinden in de afwijzende beslissing op zijn verzoek tot overdracht van zijn fosfaatrecht. Volgens appellant was ten tijde van de verkoop van de rechten nog niet bekend dat het primaire besluit waarbij de rechten zijn toegekend kon worden herzien. Appellant meent dat dit in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel.


Schadevergoeding

4.2

Appellant verzoek om vergoeding van schade tot een bedrag van € 25.000,-. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij ten onrechte en door toedoen van verweerder niet over het benodigde aantal fosfaatrechten beschikte om tijdig aan zijn contractuele verplichting tot overdracht daarvan te voldoen. In zijn aanvullend beroepschrift van 23 december 2020 heeft appellant zijn schade met stukken onderbouwd.


Redelijke termijn

4.3

Ten slotte verzoekt appellant hem een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5.1

Overdracht fosfaatrechten

Verweerder erkent dat haar primaire besluit II en het bestreden besluit II onrechtmatig zijn. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat appellant geen procesbelang (meer) heeft bij de beroepsprocedure, omdat appellant thans niet meer beschikt over fosfaatrechten. Ook dit beroep van appellant moet volgens verweerder dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.

5.2

Schadevergoeding

Verweerder betwist niet dat sprake is van onrechtmatige besluitvorming zijnerzijds en dat de gestelde schade in ieder geval € 25.000,- bedraagt. Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat appellant in dit geval echter geen recht op schadevergoeding heeft, omdat er geen sprake is van een causaal verband tussen de onrechtmatige besluitvorming en de gestelde schade. Evenmin is voldaan aan het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tenslotte had appellant een ontbindingsclausule moeten opnemen in de overeenkomst om zo eventuele schade te beperken.

Beoordeling

6.1

Het College constateert dat het geschil tussen partijen zich uitsluitend nog toespitst op de afwijzende beslissing op het verzoek van appellant tot overdracht van zijn fosfaatrechten en op zijn verzoek tot schadevergoeding.

Overdracht fosfaatrechten

6.2

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat het procesbelang van appellant aan deze procedure inmiddels is komen te vervallen. Appellant heeft geen belang meer bij het alsnog toewijzen van de overdracht van 552 kg fosfaatrechten aan [naam maatschap] , omdat een dergelijke overdracht niet meer aan de orde is nu hij op andere wijze aan zijn contractuele verplichtingen ten opzichte van laatstgenoemde maatschap heeft voldaan. Het beroep tegen bestreden besluit II is daarom ook niet-ontvankelijk.

Schadevergoeding

6.3

Het College stelt allereerst vast dat niet meer in geschil is dat zowel het primaire besluit II als het bestreden besluit II onrechtmatig zijn. Evenmin is in geschil dat de door appellant gestelde schade meer dan € 25.000,- bedraagt en dat hij zijn verzoek om schadevergoeding ter zitting heeft beperkt tot € 25.000,-, zodat het College bevoegd is om daarover te oordelen.

Relativiteitsvereiste

6.4

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit dit artikel volgt dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

6.4.1

Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409). Voor wat betreft het beschermingsbereik van de norm komen de tekst, strekking en de wetsgeschiedenis van de betreffende regeling in beeld.

6.4.2

De vraag die in dit geval, mede als gevolg van het door verweerde gevoerde verweer, voorligt is of het beschermingsbereik van de norm uit artikel 23, derde lid, van de Msw, verder gaat dan de juiste vaststelling van fosfaatrechten voor de eigen bedrijfsexploitatie, in het bijzonder of onder dat beschermingsbereik ook moet worden begrepen de overdacht via verhandeling van (juist vastgestelde) fosfaatrechten.

6.4.3

Uit de samenhang tussen artikel 21, eerste lid, artikel 21b, eerste lid en artikel 23, derde lid, van de Msw volgt dat fosfaatrechten worden vastgesteld om de omvang van de legale fosfaatproductie met melkvee door een landbouwer op zijn bedrijf in een kalenderjaar te bepalen. Fosfaatrechten worden toegekend aan melkveebedrijven om hun bedrijf te kunnen exploiteren. In de artikelen 27 en 28 van de Msw is voorzien in de mogelijkheid om, na goedkeuring van de minister, fosfaatrechten over te dragen. Met andere woorden; fosfaatrechten zijn verhandelbaar. Vanaf het moment dat geborgd is dat de nationale fosfaatproductie weer onder het fosfaatproductieplafond is gekomen, worden, althans zo is de bedoeling, de fosfaatrechten die zijn afgeroomd (zoals omschreven in artikel 32a van de Msw) via een fosfaatbank weer toegedeeld aan melkveehouders. Pas dan is overdraagbaarheid van niet-verhandelbare fosfaatrechten mogelijk. Dat moment is - voor zover het College weet - nog niet bereikt. Dit betekent dat het voor (startende) melkveehouders slechts mogelijk is het bedrijf te ontwikkelen door de aankoop van verhandelbare fosfaatrechten op de fosfaatmarkt die wordt bepaald door vraag en aanbod.

6.4.4

Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Msw inzake de invoering van een stelsel van fosfaatrechten valt te herleiden dat het doel van het stelsel van fosfaatrechten is het zodanig reguleren van de fosfaatproductie dat geborgd wordt dat de nationale fosfaatproductie onder het mestproductieplafond wordt gebracht (zie Kamerstukken II 2015/2016, 34532, nr 3, p. 15) en zo uitvoering te geven aan de Nitraatrichtlijn (zie Kamerstukken II 2015/2016, 34532, nr 3, p. 39 en de nota van toelichting bij het Besluit van 20 december 2017 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, Stb. 2017, 521, p. 16). Uit diezelfde stukken komt naar voren dat het kabinet het voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse zuivelsector van groot belang acht dat bedrijfsontwikkeling kan blijven plaatsvinden. Hieraan wordt tegemoet gekomen door fosfaatrechten overdraagbaar te maken. Fosfaatrechten zijn immers een voorwaarde om dieren te mogen houden en zonder de mogelijkheid om rechten over te dragen kan geen bedrijfsontwikkeling plaatsvinden (zie Kamerstukken II 2015/2016, 34532, nr 3, p. 21). De wetgever is zich er van bewust dat hierdoor een markt voor handel in fosfaatrechten ontstaat, waarbij de prijs wordt gecreëerd door vraag en aanbod. De gevolgen voor de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging worden ingeperkt door verhandeling toe te staan (zie Kamerstukken II 2015/2016, 34532, nr 3, p. 30-31). Er kunnen niet meer fosfaatrechten worden verkregen en verhandeld dan het aantal dat in januari 2018 is toebedeeld. Uit de memorie van toelichting voor de wijziging van de Meststoffenwet in verband met tijdelijke verhoging van het afromingspercentage bij overgang van een fosfaatrecht blijkt dat de wetgever erkent dat ondernemers hun fosfaatrechten zoveel mogelijk zullen afstemmen op de productie op het bedrijf en de niet benutte fosfaatrechten veelal (tijdelijk) zullen overdragen (Kamerstukken II 2018/2019, 35208, nr 3). De wetgever begrijpt dat gezien de waarde van de fosfaatrechten een stoppende landbouwer de fosfaatrechten niet onbenut zal laten, en dus zal overdragen.

6.4.5

De Europese Commissie heeft bij de Staatssteunbeschikking een stelsel van verhandelbare fosfaatrechten voor melkvee in Nederland goedgekeurd. Zoals verweerder terecht opmerkt blijkt uit die beschikking dat het fosfaatrechtenstelsel niet tot doel heeft financieel voordeel te verschaffen voor de melkveehouder. Echter blijkt uit diezelfde beschikking ook dat de Europese Commissie ermee instemt dat aan melkveehouders die op 1 januari 2018 nog een bedrijf exploiteren en op 2 juli 2015 vee hielden, rechten worden toegekend (overwegingen 70,141) Dat deze rechten verhandelbaar zijn en een vermogenswaarde vertegenwoordigen, is een omstandigheid waarmee de Commissie heeft ingestemd (overwegingen 68, 69, 141).

6.4.6

Het College is van oordeel dat het beschermingsbereik van de norm van artikel 23, derde lid, van de Msw niet alleen de juiste vaststelling van fosfaatrechten omvat maar ook de overdracht via verhandeling van die rechten. Het College acht in dat verband, naast hetgeen hierboven is overwogen, ook van belang de keuze van verweerder om de introductie van een fosfaatbank voor geruime tijd uit te stellen. Hierdoor zijn (startende) melkveehouders genoodzaakt om voor de ontwikkeling van hun bedrijf fosfaatrechten aan te kopen. Het is daarvoor noodzakelijk dat andere melkveebedrijven (de melkveetak van) het bedrijf beëindigen of verkleinen, omdat niet op een andere wijze fosfaatrechten kunnen worden verworven. Dat verweerder (beperkte) bedrijfsontwikkeling noodzakelijk acht, en daarmee ook de koop van fosfaatrechten op de fosfaatrechtenmarkt, brengt met zich dat de bedrijven die deze verkoop mogelijk maken door hun fosfaatrechten beschikbaar te stellen, dienen te worden beschermd. Het College ziet geen aanknopingspunt voor het maken van een onderscheid tussen de verwervende partij en de vervreemdende partij. Er is, anders dan verweerder betoogt, naar het oordeel van het College wel voldaan aan het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 van het BW.

Causaal verband

6.5

De stelplicht en bewijslast van de schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van verweerder en de schade liggen bij appellant. Het bestaan van het causaal verband dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet de onrechtmatige besluiten had genomen. Het causale verband als bedoeld in artikel 6:162, eerste lid, van het BW (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.

6.6

Aangezien bij het vervangingsbesluit het aantal fosfaatrechten rechtmatig is vastgesteld op 672 kg volgt hieruit dat de herroepen besluiten, waarbij verweerder het aantal fosfaatrechten van appellant lager had vastgesteld, schade bij appellant hebben veroorzaakt voor zover hij daardoor over minder fosfaatrecht beschikte dan waar hij recht op had. Indien verweerder het nemen van zijn herziene besluiten achterwege had gelaten zou appellant in het ongestoorde genot van zijn fosfaatrechten zijn gebleven.

Schade

6.7

Appellant stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij niet over het benodigde aantal fosfaatrechten beschikte om tijdig aan zijn contractuele verplichting tot overdracht daarvan aan [naam BV] te voldoen. Omdat appellant over onvoldoende fosfaatrechten beschikte heeft verweerder zijn melding overdracht fosfaatrechten bij primair besluit II afgewezen. Om alsnog aan de overeenkomst met [naam BV] te kunnen voldoen moesten vervangende (duurdere) rechten worden gekocht. Appellant heeft de gestelde schade onderbouwd met een berekening van de gemaakte kosten en facturen waaruit de aankoop van 408,66 kg door [naam BV] voorgefinancierde fosfaatrechten tegen een aankoopprijs van € 254,- per kg blijkt. Het College komt dan ook tot het oordeel dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in elk geval ten minste € 25.000,- aan schade heeft geleden. Door verweerder wordt ook niet betwist dat de schade van appellant tenminste € 25.000,- bedraagt. Naar het oordeel van het College was appellant niet gehouden tot het opnemen van een ontbindingsclausule. Hij mocht er vanuit gaan dat hij de beschikking zou krijgen over het aantal fosfaatrechten dat in de servicemelding vermeld stond (hetgeen bij het primaire besluit ook gebeurd is). Het College zal de verzochte vergoeding daarvan dan ook toewijzen.

6.8

Het College wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 25.000,-.

Redelijke termijn

7.1

Het College stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in de procedure over bestreden besluit I (zaaknummer 19/603) niet is overschreden. Verweerder heeft het bezwaarschrift in die zaak op 8 oktober 2018 ontvangen. Verweerder is appellant met het vervangingsbesluit volledig tegemoet gekomen aan zijn beroepsgronden tegen het bestreden besluit I. Dit betekent dat appellant vanaf het moment dat het vervangingsbesluit is genomen, 29 april 2020, niet langer in onzekerheid verkeerde over de uitkomst van de procedure. De tweejaarstermijn is in die procedure dan ook niet overschreden. Het College wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in deze procedure af.

7.2

Dat ligt anders in de procedure over bestreden besluit II (zaaknummer 19/1284). Het College stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep, die in dit geval op twee jaar moet worden gesteld, in deze procedure wel is overschreden. Gegeven het tijdsverloop tussen de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op
16 november 2018 en de dag van deze uitspraak heeft appellant recht op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de hele overschrijding van de behandelduur heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de Staat veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,-.

Slotsom

8.1

Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk.

8.2

Het beroep tegen het bestreden besluit II is eveneens niet-ontvankelijk.

8.3

Omdat verweerder het bestreden besluit I heeft ingetrokken en heeft vervangen door het vervangingsbesluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat verweerder het door appellant in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1, waarbij geldt dat samenhangende zaken als deze op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden beschouwd als een zaak).

8.4

Het verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-. Verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan appellant.

8.5

In de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure over bestreden besluit II (zaaknummer 19/1284) ziet het College aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5, waarbij geldt dat samenhangende zaken op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden beschouwd als een zaak).

Beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van
€ 25.000,-;

- veroordeelt de Staat tot betaling van aan appellant € 1.000,- wegens de geleden immateriële schade;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 348,- aan appellant dient te vergoeden;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.