Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:671

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
20/360
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landbouw, aanvraag toewijzing betalingsrechten uit de Nationale reserve voor starters. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden voor starters, omdat zij eerder voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf heeft gehad. Verder kan het beroep op artikel 2.9, tweede lid, onder b, van de Uitvoeringsregel ook niet slagen, omdat geen sprake is van één van de in artikel 2, tweede lid, van Verordening 1306/2013 genoemde gevallen, terwijl ook anderszins geen sprake is van een situatie van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

GLB. Beroep niet-ontvankelijk

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/360

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te Oostrum, appellante

(gemachtigde: [naam 2] )

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor starters afgewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante is een vennootschap onder firma. [naam 2] ( [naam 2] ) is een van de vennoten. Op 15 mei 2019 heeft appellante verweerder met de Gecombineerde opgave 2019 verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor starters.

2. Verweerder heeft de aanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen (starters). Uit de beschikbare informatie in de gegevenssystemen van de Rijksdienst voor Ondernemers blijkt volgens verweerder dat [naam 2] vanaf 2011 een ander landbouwbedrijf heeft gehad met landbouwactiviteiten. Dit betekent volgens verweerder dat hier geen sprake is van een starter.

3.1

Appellante kan zich niet verenigen met de afwijzing van haar aanvraag en voert in dat verband het volgende aan. [naam 2] heeft nooit een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) gehad om in aanmerking te komen voor toewijzing van betalingsrechten. Volgens de geldende regelgeving was [naam 2] daarom geen landbouwbedrijf. Volgens appellante is daarom sprake van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden en heeft zij op grond daarvan recht op betalingsrechten uit de Nationale reserve. Ter zitting heeft appellante nader toegelicht dat zij in 2015 wel in aanmerking kwam voor toewijzing van betalingsrechten, maar dat zij in die periode haar administratie niet op orde had door persoonlijke omstandigheden. Zo is de vader van [naam 2] in 2015 overleden, en een jaar later overleed ook zijn moeder.

3.2

Verweerder merkt allereerst op dat appellante pas in beroep kenbaar heeft gemaakt dat zij betalingsrechten uit de Nationale reserve wenst te verkrijgen wegens overmacht. Volgens verweerder is deze melding niet tijdig gedaan. Voor zover sprake zou zijn van een tijdige melding, merkt verweerder het volgende op. De enkele stelling van appellante dat [naam 2] geen inschrijving bij de KvK had en daarom geen landbouwbedrijf is, is volgens verweerder niet voldoende. Immers, appellante had zich op elk moment kunnen inschrijven bij de KvK. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat [naam 2] ook geen betalingsrechten heeft aangevraagd in de Gecombineerde opgave 2015 of de jaren daarna. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de door appellante ter zitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden niet zo bijzonder zijn dat sprake is van overmacht.

4.1

Over de aanspraak van appellante op betalingsrechten uit de Nationale Reserve voor starters overweegt als volgt.

4.2

Artikel 30, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 (Verordening 1307/2013) bepaalt dat de lidstaten hun nationale reserves gebruiken om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan starters. Onder starters wordt ingevolge het elfde lid, onder b verstaan: een natuurlijk of rechtspersoon die in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de landbouwactiviteiten geen landbouwactiviteit heeft verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle heeft gehad over een rechtspersoon die een landbouwactiviteit uitoefende.

4.3

Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat [naam 2] vanaf 2011 voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf heeft gehad, waarvoor in de jaren 2011 tot en met 2013 een uitbetaling van de toeslagrechten is ontvangen. Van 2014 tot en met 2018 heeft [naam 2] elk jaar landbouwareaal opgegeven. Verweerder heeft naar het oordeel van het College dan ook terecht geconcludeerd dat appellante, waarvan [naam 2] één van de vennoten is, niet voldoet aan de voorwaarden voor starters. Dat [naam 2] destijds geen KvK-inschrijving heeft gehad en vanaf 2014 geen betalingsrechten heeft aangevraagd, maakt dit niet anders, omdat het dit geen voorwaarden zijn die een rol spelen bij het al dan niet van toepassing zijn van de regeling voor starters.

5.1

Over de aanspraak van appellante op betalingsrechten uit de nationale reserve voor landbouwers aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, overweegt het College als volgt.

5.2

In artikel 2.9, tweede lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling is de mogelijkheid opgenomen van toewijzing uit de nationale reserve aan landbouwers aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening 1306/2013. In laatstgenoemde bepaling staat dat:

“ "overmacht" en "uitzonderlijke omstandigheden" met name erkend worden in de volgende gevallen:

a) de begunstigde is overleden;

b) de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden;

c) het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp;

d) de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan;

e) al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte;

f) het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien.”

5.3

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, ECLI:EU:C:2002:440, punt 79) is sprake van overmacht als zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden

5.4

Naar het oordeel van het College is in deze zaak geen sprake van één van de in artikel 2, tweede lid, van Verordening 1306/2013 genoemde gevallen, terwijl ook anderszins geen sprake is van een situatie van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. De enkele omstandigheid dat [naam 2] in de afgelopen vijf jaar niet de beschikking heeft gehad over betalingsrechten vanwege het ontbreken van een inschrijving bij de KvK, acht het College daarvoor niet voldoende. De persoonlijke omstandigheden die appellante op de zitting naar voren heeft gebracht kunnen een beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden evenmin rechtvaardigen. Van abnormale en onvoorziene omstandigheden waarvan de gevolgen door appellante niet hadden kunnen worden voorkomen, ook niet na alle mogelijke voorzorgen te hebben getroffen, is niet gebleken. Verweerder hoefde dan ook niet op deze grond alsnog betalingsrechten toe te wijzen aan appellante.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.