Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:662

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
18/2978
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet (Msw), POR-regeling.

Afwijzing van verzoek om ontheffing van het verbod om kippen te houden zonder (voldoende) pluimveerechten als bedoeld in artikel 20 van de Msw. Ongegrond, onder verwijzing naar de uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:130).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2978

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[naam onderneming] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Kram).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een ontheffing op grond van de Meststoffenwet (Msw) afgewezen.

Bij besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Appellante heeft verzocht om ontheffing van het verbod om kippen te houden zonder (voldoende) pluimveerechten als bedoeld in artikel 20 van de Msw. Deze ontheffing zou in de plaats moeten treden van de eerder aan appellante verleende ontheffing op grond van de zogenoemde POR II-regeling (Stcrt. 2014, 36002) die op 31 december 2017 is geëindigd.

2. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat het verlenen van een dergelijke ontheffing haaks staat op het beleid dat verweerder voert, gericht op de naleving van de voor Nederland geldende fosfaatproductieplafonds.

3. Appellante voert in beroep aan dat het besluit in strijd is met het rechtszekerheids-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel. De looptijd van de POR-regeling was gekoppeld aan het stelsel van dierrechten. Nu dit stelsel na 31 december 2017 werd gehandhaafd, had ook de POR-regeling moeten worden verlengd. Appellante mocht erop vertrouwen over een ontheffing te beschikken zo lang het stelsel van dierrechten zou bestaan. De verwachting is gewekt dat met het voldoen aan de voorwaarden voor de ontheffing niet geïnvesteerd hoefde te worden in rechten. Appellante is nu gedwongen alsnog de pluimveerechten te verwerven die eerder onder de ontheffing vielen, terwijl zij eerder heeft geïnvesteerd in mestverwerking en duurzame stallen. Appellante betwist dat het sectorale fosfaatplafond wordt overschreden. De pluimveesector is bij uitstek een sector waar mestverwerking is gerealiseerd en deze draagt in beperkte mate bij aan de druk op de Nederlandse mestmarkt. Appellante wordt gelet hierop onevenredig benadeeld. Appellante wijst op de uitspraak van het College van
19 april 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA0936; Golden Harvest-uitspraak). Als verweerder de ontheffing zou verlengen, zou de mestproductie niet groeien, omdat het aantal dieren gelijk blijft. Er is daarom geen zwaarwegend belang in het kader van de Meststoffenwet dat zich tegen verlenging verzet. Tot slot stelt appellante dat door het niet verlengen van de ontheffing de toegestane fosfaatproductie feitelijk wordt ingeperkt ten opzichte van het sectorale plafond. Hiervoor bestaat volgens appellante geen grondslag.

4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit en in beroep op het standpunt dat geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het dierrechtenstelsel zou komen te vervallen of dat de ontheffingen zouden worden verlengd voor de duur van het stelsel van dierrechten. Van meet af aan is duidelijk geweest dat de POR-ontheffing voor een bepaalde tijd werd afgegeven. De gedane investeringen behoren tot de normale bedrijfsrisico’s van appellante. Zij was niet verplicht deel te nemen aan de POR-regeling. Hoewel verweerder niet betwist dat het aflopen van de ontheffing financiële gevolgen heeft voor appellante, kan dit niet de doorslag geven. Verweerder heeft bij de beslissing om de POR-ontheffingen niet te verlengen groot gewicht toegekend aan de in 2015 en 2016 ontstane overschrijding van het fosfaatplafond voor pluimvee. Eén van de voorwaarden voor derogatie is dat de mestproductie het mestproductieplafond niet overschrijdt. De mestproductieplafonds gelden ongeacht of de mest verwerkt wordt. Het stelsel van dierrechten is hierbij essentieel, omdat daarmee de hoeveelheid geproduceerde mest wordt beperkt. Indien de ontheffing zou worden verlengd, zou de extra fosfaatproductie kunnen leiden tot overschrijding van het fosfaatplafond voor pluimvee. De stelling van appellante dat overschrijding van het sectorale productieplafond door bedrijven met een POR-ontheffing onmogelijk is, is onjuist. De vergelijking met de Golden Harvest-uitspraak gaat niet op. Van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake. Verweerder plaatst verder kanttekeningen bij het door appellante gestelde nadeel.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

In zijn uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:130) heeft het College in een aantal zaken die vergelijkbaar zijn met die van appellante het beroep tegen de afwijzing van een ontheffing ongegrond verklaard. Verweerder heeft in beroep naar deze uitspraak verwezen. Gevraagd om een reactie heeft appellante meegedeeld dat zij, na te hebben kennisgenomen van deze uitspraak, tot de conclusie komt dat de gronden van haar beroep niet zullen slagen. Appellante heeft het College verzocht desondanks uitspraak te doen omdat de zaak voor appellante een principekwestie betreft.

5.2

De gronden die appellante aanvoert zijn inhoudelijk gelijk aan de beroepsgronden die in de uitspraak van 9 april 2019 zijn besproken en waarvan is geoordeeld dat deze niet slagen. Het College komt dan ook, onder verwijzing naar deze uitspraak, tot de slotsom dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd niet slaagt.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.