Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:651

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
20/279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Artikel 23, derde lid, Meststoffenwet. Artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het College verwijst naar de uitspraak van 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:317) op het beroep van appellante inzake de Regeling fosfaatreductieplan 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/279

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 20 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellant exploiteert een melkveehouderij. Hij heeft het bedrijf in 2011 overgenomen. Op 1 april 2011 werden er 119 melk- en kalfkoeien en 59 stuks jongvee op het bedrijf gehouden. Op 1 april 2013 hield appellant 137 melk- en kalfkoeien en 56 stuks jongvee.

2.2

Op 1 november 2013 heeft appellant een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor het veranderen/uitbreiden van zijn bedrijf. De gemeente Hilvarenbeek heeft deze melding op 15 april 2014 bevestigd. Uit deze bevestiging blijkt dat appellant het bedrijf wil uitbreiden naar 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee. Verder blijkt hieruit dat voor de gemelde verandering en uitbreiding een nieuwe stal zal worden gebouwd voor de huisvesting van 200 melkkoeien. Deze stal is aangemeld als proefstal bij de Technische Advies Commissie Regeling Ammoniak en Veehouderij, een zogenaamde vrijloopstal.

Op 19 september 2013 heeft appellant een vergunning aangevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) voor het houden van 280 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee. Deze vergunning is op 6 augustus 2014 verleend en daaruit blijkt dat er 250 melkkoeien in de vrijloopstal geplaatst worden. Op 5 februari 2015 heeft appellant een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van de vrijloopstal. Deze vergunning is op 23 februari 2015 verleend.

2.3

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft verweerder € 196.842,- subsidie aan appellant verleend in het kader van Samenwerking bij innovatieprojecten. Op 19 maart 2015 is appellant twee aannemingsovereenkomsten aangegaan voor het bouwen van de stal voor bedragen van
€ 283.553,- en € 337.678,-. Op 8 april 2015 is appellant een financieringsovereenkomst met de ABN AMRO bank aangegaan voor € 975.000,-.

2.4

Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellant 150 melk- en kalfkoeien en 77 stuks jongvee op zijn bedrijf.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.704 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

Beroepsgronden

4.1

Appellant voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van zijn eigendom aantast omdat het veehouders dwingt zich te ontdoen van runderen die zij in eigendom hebben. Het stelsel kan de ‘fair balance’ toets niet doorstaan, omdat niet is voldaan aan de onderzoeksverplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 van het EP. Appellant stelt ook de noodzaak van de maatregelen van het fosfaatrechtenstelsel ter discussie. Niet is volgens appellant gebleken dat het behoud van derogatie noodzakelijk is om aan de Nitraatrichtlijn te voldoen. Ook was het stelsel niet voorzienbaar. Pas voor het eerst bij de brief van 2 juli 2015 heeft verweerder kenbaar gemaakt beperkende maatregelen te gaan invoeren.

4.2

Appellant stelt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Hij was al geruime tijd voor de aankondiging en invoering van het fosfaatrechtenstelsel voornemens om zijn melkveebedrijf te verduurzamen en uit te bouwen. Dit was om verschillende redenen noodzakelijk: vervanging van verouderde en versleten bedrijfsbebouwing, onvoldoende stalruimte, dierenwelzijnseisen en verbetering van de bedrijfsresultaten. Daarnaast wilde appellant zijn bedrijf duurzaam en toekomstbestendig maken. Samen met een andere melkveehouder ontwikkelde hij in 2011 een stalsysteem, namelijk een vrijloopstal met lage emissie. In 2013 is aan appellant voor dit concept de proefstalstatus toegekend. Omdat emissie moeilijk te meten is in een vrijloopstal, is aan appellant de verplichting opgelegd te meten met 100% bezetting. Om dit te realiseren was enige schaalvergroting onontkoombaar. De stal is op 15 september 2015 in gebruik genomen en de veestapel was daardoor op 2 juli 2015 nog niet op het met de investeringen beoogde peil van 280 melkkoeien en 140 stuks jongvee. Appellant heeft veel geïnvesteerd in duurzaamheid en het - belangeloos - ter beschikking stellen van een nieuw stalsysteem voor de gehele sector. Appellant heeft met zijn vrijloopstal zelfs een overheidsprijs gewonnen en het stalsysteem kreeg in de (Europese) politiek de voorbeeldfunctie van 'stal van de toekomst'. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met deze bijzondere omstandigheden. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft appellant een rapport van Vermetten accountants & adviseurs van mei 2018 overgelegd.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Verweerder heeft onderbouwd gesteld dat sprake is van een overschrijding van het mestproductieplafond en stelt zich op het standpunt dat dit de invoering van het fosfaatrechtenstelsel rechtvaardigt.

5.2

Verweerder stelt dat het fosfaatrechtenstelsel geen individuele en buitensporige last op appellant legt. Appellant onderscheidt zich niet van andere melkveehouders die zijn gaan uitbreiden in het zicht van het afschaffen van het melkquotum. Dat de keuze voor de vrijloopstal is ingegeven door redenen van dierenwelzijn en milieu, doet niet af aan de wens van appellant om zijn melkveebedrijf uit te breiden naar 280 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee.

Beoordeling

6.1

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft het College al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Daarin is ook geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel in ieder geval ten doel heeft het milieu en de volksgezondheid te beschermen en te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, waaronder de derogatiebeschikking, en meer in het bijzonder dat de nationale fosfaatproductie beneden het mestproductieplafond wordt gebracht. Deze doelstellingen zijn algemene belangen als bedoeld in artikel 1 van het EP. Voor zover appellant betoogt dat het fosfaatrechtenstelsel geen noodzakelijke maatregel is om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te bereiken faalt deze grond. Het College wijst hiervoor in het bijzonder op rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.4, 6.7.3 en 6.7.5.4 van de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291).

6.2

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het College stelt vast dat appellant ook beroep heeft ingesteld tegen een besluit op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017. Het College heeft op 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:317) uitspraak gedaan. In deze zaak heeft appellant ook een beroep gedaan op artikel 1 van het EP. Gelet op de samenhang, het feit dat appellant hetzelfde aanvoert in beide zaken en de ongewijzigde omstandigheden komt het College in deze zaak tot eenzelfde oordeel. Het College verwijst naar hetgeen hierover in zijn uitspraak van 23 maart 2021 is geoordeeld. Het College is zodoende van oordeel dat de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van appellant. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.