Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:648

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
20/195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Msw; artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit; artikel 1 van het EP. Appellante voldoet niet aan alle voorwaarden van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en kan daarom niet als nieuw gestart bedrijf worden aangemerkt. Daarnaast heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Op de peildatum beschikte zij nog niet over alle voor de uitbreiding benodigde vergunningen. Een dergelijke beslissing is in de regel niet navolgbaar. Daar komt bij dat appellante haar bedrijfslocatie in november 2014 heeft gekocht en in 2015 en 2016 verscheidene investeringen heeft gedaan. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, niet navolgbaar. Wel heeft appellante recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen

[naam VOF] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.N.M. van Bavel),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint).

Procesverloop

Op 29 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding nieuw gestart bedrijf ontvangen.

Bij besluit van 27 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 20 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister, op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw.

Ingevolge het tweede lid is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar:

a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;

b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;

c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;

d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de Msw;

e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de Msw.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Op 28 november 2014 heeft appellante voor € 1.951.000,- een boerderij met bedrijfsgebouwen en bijbehorende landbouwgronden aan de [adres 1] gekocht. De levering van deze bedrijfslocatie heeft op 19 juni 2015 plaatsgevonden en de koopsom heeft appellante voldaan uit eigen middelen. Op 26 juni 2015 heeft appellante een boerderij aan de [adres 2] gekocht voor een bedrag van € 1.800.000,-. De koopsom heeft appellante betaald uit eigen middelen. Vervolgens heeft appellante in het najaar van 2015 de eerder gekochte woning en de bedrijfsgebouwen aan de [adres 1] en één hectare van de daarbij behorende landbouwgronden verkocht. De overige landbouwgrond heeft zij zelf gehouden. Op 24 september 2015 heeft appellante een financieringsovereenkomst gesloten met de bank voor een bedrag van € 1.310.000,-. In de periode van december 2015 tot en met december 2016 heeft appellante ruim € 1.000.000,- geïnvesteerd in het bedrijf aan de Klaverplak.

2.2

Op 29 juli 2015 heeft appellante een melding gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van 140 melk- en kalfkoeien en 54 stuks jongvee. Op 2 februari 2016 hebben de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) voor het houden van 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee.

2.3

Op 2 juli 2015 hield appellante geen melkvee.

2.4

Bij uitspraak van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:525) heeft het College het verzoek van appellante om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 0 kg. Daarnaast heeft hij de melding bijzondere omstandigheden afgewezen, omdat appellante niet voor 2 juli 2015 haar bedrijfsvoering is gestart. Daardoor kan zij niet als nieuw gestart bedrijf worden aangemerkt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

4.1

Appellante doet een beroep op de startersregeling. Feitelijk is appellante wel een starter omdat de vennoten eind februari 2015 zijn teruggekeerd naar Nederland om hier een melkveebedrijf te starten, nadat zij jarenlang een melkveebedrijf hebben geëxploiteerd in Duitsland en daarvoor in Denemarken. Om in Nederland een melkveebedrijf te exploiteren, zijn zij vóór de peildatum onomkeerbare financiële verplichtingen aangegaan. Op de bedrijfslocatie aan de [adres 2] mogen 700 vleeskoeien worden gehouden maar geen melkvee. Appellante wenst te benadrukken dat de mestproductie van dit aantal vleesvee groter is dan de mestproductie van de beoogde veestapel van 140 melk- en kalfkoeien en 54 stuks jongvee. Met de voorgenomen bedrijfsvoering reduceert appellante dus de druk op de landelijke mestmarkt.

4.2

Daarnaast is appellante van mening dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat zij het primaire besluit pas zeven maanden na de inwerkingtreding van het fosfaatrechtenstelsel heeft ontvangen. Ook is verweerders besluitvorming niet zorgvuldig. Appellante heeft alles gedaan om haar situatie onder de aandacht te brengen bij verweerder en verweerder was op de hoogte van de situatie. Toch heeft appellante lange tijd in onzekerheid gezeten. Daar komt bij dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met het feit dat appellante zowel in november 2014, als in juni 2015 een bedrijfslocatie heeft gekocht.

4.3

Appellante voert verder aan dat sprake is van een individuele en buitensporige last. In november 2014 heeft appellante de bedrijfslocatie aan de [adres 1] in eigendom verkregen en in juni 2015 heeft zij de koopovereenkomst van de bedrijfslocatie aan de [adres 2] gesloten. Op 2 juli 2015 hield appellante nog geen jongvee, waardoor zij niet als starter wordt gezien. Zij was toen nog bezig met de uitvoering van haar plannen en daarin was geen weg meer terug. Ter onderbouwing van de gestelde financiële last verwijst appellante naar het rapport van 6 september 2018, opgesteld door [naam 2] , senior bedrijfsadviseur bij ABAB accountants en adviseurs (het rapport) en een brief van de bank van 28 mei 2019.

4.4

Indien het College van oordeel is dat appellante niet als starter kan worden aangemerkt en ook geen sprake is van een individuele en buitensporige last, dan verzoekt appellante om een ontheffing voor de maanden waarin zij melkvee heeft gehouden zonder te beschikken over de benodigde fosfaatrechten, dan wel verzoekt zij het College verweerder op te dragen niet handhavend op te treden. Dit betreft het jaar 2018 en de eerste maanden van 2019. Ook verzoekt appellante om een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het beroep van appellante op de startersregeling terecht heeft afgewezen. Appellante heeft geen vóór 2 juli 2015 verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een melkveehouderij overgelegd, dan wel voor de peildatum een melding gedaan als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De melding die appellante heeft gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ziet niet op het oprichten van een inrichting en is pas 29 juli 2015 ingediend. Ook de Nbw-vergunning is pas op 2 februari 2016 verleend. Daar komt bij dat appellante niet tussen 1 januari 2014 en 2 februari 2016 is gestart met melken voor consumptie of verwerking. Nu appellante niet voldoet aan alle cumulatieve voorwaarden van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kan zij niet als starter worden aangemerkt.

5.2

Verweerder betwist ook dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Daartoe voert hij aan dat het verbouwen van een bedrijfslocatie om deze bruikbaar te maken voor de exploitatie van een melkveebedrijf een ondernemerskeuze is, die binnen de invloedsfeer van appellante ligt en waarvan de gevolgen in beginsel voor rekening en risico van appellante dienen te komen. Daarnaast is verweerder van mening dat deze situatie niet afwijkt van de situatie van andere melkveehouders, die ook in de aanloop naar het afschaffen van het melkquotum hun bedrijf wensten uit te breiden, aangezien appellante het bedrijf wilde laten groeien naar 140 melk- en kalfkoeien en 80 stuks jongvee. Ook heeft appellante een groot risico genomen door in de eerste helft van 2015 te investeren in een nieuwe bedrijfslocatie, terwijl het fosfaatrechtenstelsel op dat moment voorzienbaar was. Gelet op het tijdstip waarop appellante de investeringsbeslissingen heeft genomen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak voor de omschakeling naar een melkveehouderij in Nederland, acht verweerder de beslissingen van appellante niet navolgbaar.

5.3

Verweerder voert verder aan dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. In de bestreden beslissing is voldoende ingegaan op de door appellante aangevoerde gronden. Voor zover nodig is de motivering in het bestreden besluit aangevuld met het verweerschrift. Ook is geen sprake van een strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu uit de door appellante ingediende zienswijze van 27 september 2016 blijkt dat zij toen al op de hoogte was van het feit dat zij geen servicemelding had ontvangen en verweerder er dus van uitging dat geen fosfaatrechten behoefden te worden toegekend omdat appellante op de peildatum geen melkvee hield.

Beoordeling

6.1

Naar het oordeel van het College voldoet appellante niet aan de voorwaarden van artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a en c, van het Uitvoeringsbesluit, zodat zij op grond van die bepaling niet als nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt. Appellante beschikt niet over een vóór 2 juli 2015 aan haar verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door haar ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee. De gedane melding inzake het Activiteitenbesluit milieubeheer is pas op 29 juli 2015 ingediend. Daar komt bij dat appellante niet voor 1 januari 2014 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking. Het College legt de startersregeling, in overeenstemming met de toelichting (Stb. 217, 521, paragraaf 4.3), strikt uit. Deze regeling is uitsluitend bedoeld voor nieuw gestarte bedrijven en het gaat daarbij niet om voortzetting of doorstart van een bestaand melkveebedrijf. Verweerder heeft terecht het fosfaatrecht van appellante niet verhoogd op grond van artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit.

6.2

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.3.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.3.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.3.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht (in dit geval scenario B van het deskundigenrapport) aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 6.3.2 weergegeven en in zoverre enig inzicht biedt in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder.

6.3.5

Voor appellante komt de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel op basis van de hiervoor onder 6.3.2 weergegeven vergelijking neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 140 melk- en kalfkoeien en 54 stuks jongvee (zijnde de beoogde bedrijfsvoering) en de vastgestelde 0 kg fosfaatrecht (zijnde de situatie op 2 juli 2015). Het College wil, mede gelet op het overgelegde deskundigenrapport en de brief van de bank, wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel stevig wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals onder 6.3.3 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.3.6

In dat verband is van belang dat appellante pas na de peildatum, op 29 juli 2015 een melding heeft gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en haar pas na de peildatum, op 2 februari 2016, een Nbw-vergunning is verleend. De beslissing om vóór 2 juli 2015 te investeren terwijl de melkveehouder op die datum nog niet de beschikking had over alle benodigde vergunningen is in de regel niet navolgbaar. Volgens vaste rechtspraak van het College (vergelijk de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7, onder 5.5) bestaat in gevallen als dit, waarin op de peildatum nog niet over alle voor het rechtsgeldig functioneren van de uitbreiding benodigde vergunningen wordt beschikt en op het verkrijgen van een of meer van die vergunningen is vooruitgelopen met het doen van al dan niet onomkeerbare investeringsbeslissingen, in beginsel geen ruimte om een schending van artikel 1 van het EP aan te nemen. Voor zover appellante zich op het standpunt heeft willen stellen dat zij de benodigde vergunningen niet eerder heeft kunnen aanvragen omdat zij eerder in Denemarken en voormalig Oost-Duitsland een melkveebedrijf heeft gedreven en het bedrijf aan de [adres 2] pas in juni 2015 heeft gekocht, is dat geen aanleiding voor een ander oordeel. Het College overweegt dat appellante in november 2014 een bedrijf aan de [adres 1] heeft gekocht en eind juni 2015 een bedrijf aan de Klaverplak. Vervolgens heeft zij in 2015 en 2016 verscheidene investeringen gedaan. Gezien het tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Al in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had daarom zeker ten tijde van de aankoop van het bedrijf aan de [adres 2] een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat deze aankoop en de daaropvolgende uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.

6.3.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP. Nu geen sprake is van een individuele en buitensporige last, ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder een ontheffing moet verlenen op grond van artikel 38, tweede lid, van de Msw voor de maanden waarin appellante melkvee heeft gehouden zonder te beschikken over fosfaatrecht. Wat betreft het verzoek van appellante om verweerder een handhavingsverbod op te leggen, overweegt het College dat dit buiten de omvang van dit geding valt. Mocht verweerder in de toekomst besluiten tot handhavend optreden, dan kan appellante rechtsmiddelen aanwenden tegen dat besluit.

6.4

Het College overweegt vervolgens dat de omstandigheid dat appellante het primaire besluit zeven maanden na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel heeft ontvangen, niet betekent dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. Met verweerder stelt het College vast dat appellante blijkens haar zienswijze van 27 september 2016 al voorzag dat haar geen fosfaatrechten zouden worden toegekend.

7.1

Met betrekking tot het verzoek van appellante om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

7.2

De redelijke termijn is op 7 september 2018 aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met (afgerond) tien maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan appellante.

Slotsom

8.1

Het beroep is ongegrond.

8.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8.3

Het College zal het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toewijzen.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen