Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:643

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
20/90
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Geen geslaagd beroep op artikel 1 EP. Verweerder terecht geen ontheffing verleend met toepassing van arikel 38, tweede lid, van de Msw. Anders dan in de zaak die tot de uitspraak van 9 maart 2021 heeft geleid (ECLI:NL:CBB: 2021:245), is hier sprake van een bedrijfsuitbreiding. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanknopingspunt om te oordelen dat de gevolgen van het bestreden besluit voor appellante – het niet kunnen afronden van de uitbreiding – zwaarder moeten wegen dan het met het bestreden besluit te dienen doel, te weten in lijn met het fosfaatrechtenstelsel uitbreidingen van melkveebedrijven na de peildatum tegen te gaan en zo derogatie voor Nederland te behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/90

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen

[naam maatschap] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 10 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens appellante zijn ook verschenen [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw kan de minister ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

1.3

Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mogen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 1 april 2011 hield appellante 97 melk- en kalfkoeien en 55 stuks jongvee. In 2013 is [naam 2] tot appellante toegetreden. Op 2 juli 2015 hield appellante 117 melk- en kalfkoeien en 74 stuks jongvee.

2.2

Op 18 januari 2011 heeft appellante een omgevingsvergunning gekregen voor de activiteiten bouw en milieu uitgaande van 150 melk- en kalfkoeien en 68 stuks jongvee. Op 23 januari 2015 is aan appellante een Nbw-vergunning verleend voor het houden van dezelfde dieraantallen.

2.3

Appellante heeft meerdere facturen overgelegd die betrekking hebben op de periode vanaf april 2012 tot en met december 2014. In april 2012 heeft appellante voor € 200.000 landbouwgrond aangekocht. Verder heeft appellante overgelegd een factuur van 4 oktober 2012 ter hoogte van € 19.962,25 voor de bouw van een ventilatienok, een factuur van 31 december 2012 ter hoogte van € 14.520,- betreffende een dakrenovatie, facturen van 6 maart 2013, 28 juni 2013 en 16 december 2013 ten behoeve van de aanschaf van mayo matrassen, een factuur van 12 december 2013 ter hoogte van € 7.865,- voor de aankoop van 650 kg ammoniakrechten en een factuur van 2 december 2014 ter hoogte van € 28.006,66 voor nogmaals een dakrenovatie. Verder heeft appellante op 3 februari 2014 een financieringsovereenkomst gesloten met de Rabobank ter hoogte van € 125.000,- voor de aanschaf van 2,5 ha grond. Ook heeft appellante op 26 januari 2015 een financieringsovereenkomst met de Rabobank gesloten ter hoogte van € 550.000,- voor de aanschaf van 7,25 ha landbouwgrond.

2.4

In 2013 is een ernstige ziekte vastgesteld bij mevrouw [naam 3] , de vrouw van de heer [naam 1] en de moeder van de heer [naam 2] . Op 29 maart 2015 is mevrouw [naam 3] overleden aan de gevolgen daarvan.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.814 kg. Hij is daarbij uitgegaan van die dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de melkproductie voor het jaar 2015 hoger vastgesteld, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.964 kg. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

Beroepsgronden

4.1

Appellante wijst op de jurisprudentie van het College en voert aan dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante merkt op dat zij in een vroeg stadium (vanaf 2011) meerdere onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan. In die periode was het stelsel van fosfaatrechten nog niet voorzienbaar. In de periode dat mevrouw [naam 3] te maken had met ziekte heeft appellante zich niet kunnen richten op het realiseren van de beoogde en noodzakelijke groei van haar veestapel. De ziekte van mevrouw [naam 3] maakt volgens appellante dat zij zwaar wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel. In de onderhavige situatie zijn de uitvoering van de vervangings- en van de uitbreidingsplannen en de daaraan gekoppelde gefaseerde investeringsbeslissingen volledig navolgbaar gelet op de specifieke persoonlijke omstandigheden. Ook is helder dat als gevolg van de verdrietige omstandigheden ernstige vertraging is ontstaan bij de realisatie van het einddoel. De uitbreiding van het bedrijf van de heren [naam ] is betrekkelijk. De bestaande gebouwen hebben nieuwe daken gekregen. Deze investeringen waren noodzakelijk en zijn om die reden ook navolgbaar. De aankoop van grond was ook noodzakelijk om het

bedrijf in de toekomst grondgebonden te laten zijn. De heren [naam ] waren en zijn

genoodzaakt om op de ingeslagen weg verder te gaan om te voorkomen dat de

bedrijfscontinuïteit verder in gevaar komt. Ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat de knelgevallenregeling de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 1 EP EVRM de pas afsnijdt. Ter onderbouwing van de omstandigheid dat sprake is van een financiële last verwijst appellante naar het schaderapport van Accon AVM adviseurs en accountants. Hieruit volgt dat appellante zonder de toekenning van extra fosfaatrechten moet vrezen voor de toekomst van haar bedrijf.

4.2

Appellante voert in haar aanvullend beroepschrift aan dat zij weliswaar formeel niet voldoet aan de vereisten van de knelgevallenregeling, maar dat zij, gezien de bijzondere omstandigheden, in aanmerking moet komen voor een ontheffing als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Msw omdat het besluit niet evenredig is. Het evenwicht tussen het doel van de regeling en de persoonlijke situatie van de heren [naam ] is verstoord als gevolg van de verdrietige omstandigheden die zich hebben voorgedaan en die op geen enkele manier voor hun rekening en risico kunnen en mogen komen. Verweerder houdt daar onterecht geen rekening mee. De financiële gevolgen van het invoeren van het fosfaatrechtenstelsel precies op een moment dat de heren [naam ] nog met de realisatie van de uitbreiding aan de slag

waren, zijn zo ernstig dat het disproportioneel is om hen géén extra fosfaatrechten toe te

kennen. Appellante is vervolgens, als direct gevolg van het fosfaatrechtenstelsel in ernstige financiële problemen gekomen, zoals ook blijkt uit de aangeleverde financiële rapportages. De gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel zijn voor appellante dusdanig ernstig dat dit niet de bedoeling kan zijn.

4.3

Appellante voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel nu verweerder eraan voorbij is gegaan dat in het geval van appellante de genoemde omstandigheden maken dat sprake is van een individuele en buitensporige last.

4.4

Tot slot voert appellante aan dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Door enkel te wijzen op de omstandigheid dat appellante in augustus 2019 een vergunning heeft aangeleverd, gaat verweerder er volledig aan voorbij dat in die anderhalf jaar daarvoor, de procedure door gebrekkige besluitvorming en communicatie aan de zijde van verweerder niet van de grond kwam. Tussen het indienen van het eerste bezwaarschrift en de uiteindelijke beslissing zit inmiddels meer dan twee jaar.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Appellante heeft per 2011 geïnvesteerd in de uitbreiding van haar bedrijf ondanks dat in 2009 bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee. Investeringsbeslissingen in deze periode zijn in de regel niet navolgbaar omdat voor melkveehouders redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Melkveehouders hadden een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat een dergelijke investering voor hen meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Ten aanzien van de investeringen in 2013, 2014 en 2015 merkt verweerder op dat deze investeringen zijn gedaan in een onzekere periode voorafgaand aan de afschaffing van het melkquotum. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante weliswaar stelt disproportioneel te zijn geraakt door het overlijden van mevrouw [naam 3] , echter heeft appellante verzuimd te onderbouwen waarom sprake is van een bijzondere last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel. Verweerder merkt verder op dat hij het door appellante overgelegde schaderapport niet nader heeft onderzocht aangezien de situatie van appellante niet individueel afwijkend is ten opzichte van andere melkveehouders. Appellante heeft gelet op het moment van uitbreiden en de mate van uitbreiden en de voorzienbaarheid van nadere productiebeperkende maatregelen een groot risico genomen door vast te houden aan de geplande uitbreiding. Gelet op het voorgaande is in het geval van appellante geen sprake van navolgbare investeringsbeslissingen en is verweerder van mening dat geen sprake is van schending van het recht.

5.2

Ten aanzien van de stelling van appellante dat haar ten onrechte geen ontheffing ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw, is verleend vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel, heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat dat appellante deze beroepsgrond voor het eerst bij haar aanvullende beroepschrift van 12 april 2021 heeft aangevoerd.Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op het tijdstip waarop appelante dit betoog naar voren heeft gebracht, appellante in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat deze grond niet kan slagen omdat het algemeen belang van het behoud van derogatie gaat voor het individuele belang van appellante.

5.3

Verweerder meent verder dat in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden en haar betoog dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Er is geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

5.4

Verweerder ter zitting opgemerkt dat hij zich ten aanzien van de grond over overschrijding van de redelijke termijn refereert aan het oordeel van het College.

Beoordeling

6.1

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.2.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van het College van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2).

6.2.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.2.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.2.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat.

6.2.5

In het geval van appellante komt de vergelijking die in 6.2.2 is beschreven, neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 150 melk- en kalfkoeien en 68 stuks jongvee (zijnde de beoogde bedrijfsvoering aan de hand van de vergunde situatie) en de vastgestelde 4.964 kg fosfaatrecht, zijnde situatie op 2 juli 2015 (117 melk- en kalfkoeien en 74 stuks jongvee). Het College wil, mede gelet op de overgelegde rapportage, wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals hiervoor is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar ondernemersbeslissingen. De nadelige gevolgen van haar beslissingen kan zij in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.2.6

In dat verband acht het College van belang dat appellante in 2011 heeft besloten middels eigen aanwas uit te breiden naar 150 melk- en kalfkoeien en 68 stuks jongvee met het oog op toetreding van zijn zoon tot de maatschap. In dat verband, heeft appellante in 2012 geïnvesteerd in de aankoop van grond en vanaf 2013 in renovatie en uitbreiding van de stal. In 2014 en 2015 heeft appellante nogmaals geïnvesteerd in de aankoop van grond. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Dat toetreding van de zoon tot de maatschap geen bedrijfseconomische noodzaak tot investeren oplevert, heeft het College al geoordeeld in onder meer zijn uitspraak van 2 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:117). Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Dat de ziekte en het overlijden van mevrouw [naam 3] zijn weerslag heeft gehad op de realisatie van de plannen, kan het College zich voorstellen, daargelaten of een causaal verband kan worden aangetoond tussen die omstandigheid en de dieraantallen op de peildatum, maar dat laat onverlet dat appellante, gezien het bovenstaande, bij de uitvoering van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. In zoverre onderscheidt appellante zich niet van andere melkveehouders die in het zicht van de afschaffing van het melkquotum wilden gaan uitbreiden en hun plannen niet volledig hebben kunnen realiseren, al dan niet door onverwachte gebeurtenissen. Tot slot merkt het College op dat van een melkveehouder als professioneel ondernemer mag worden verwacht dat maatregelen worden getroffen als een dergelijke gebeurtenis de bedrijfsvoering treft (bijvoorbeeld door middel van het inschakelen van hulp).

6.2.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

6.3

Vervolgens heeft appellante aangevoerd dat verweerder een ontheffing had moeten verlenen met toepassing van artikel 38, tweede lid, van de Msw omdat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ondanks het feit dat deze beroepsgrond in een zeer laat stadium is aangevoerd, zal het College de grond beoordelen omdat verweerder ter zitting in staat is gebleken hiertegen verweer te voeren. Naar het oordeel van het College heeft verweerder bij afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek om ontheffing kunnen komen. Anders dan in de zaak die tot de uitspraak van 9 maart 2021 heeft geleid (ECLI:NL:CBB: 2021:245), is hier sprake van een bedrijfsuitbreiding. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanknopingspunt om te oordelen dat de gevolgen van het bestreden besluit voor appellante – het niet kunnen afronden van de uitbreiding – zwaarder moeten wegen dan het met het bestreden besluit te dienen doel, te weten in lijn met het fosfaatrechtenstelsel uitbreidingen van melkveebedrijven na de peildatum tegen te gaan en zo derogatie voor Nederland te behouden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.4.1

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekendgemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 12 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met 1 jaar en 5 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten ruim 1 jaar en 10 maanden – in beslag heeft genomen en tevens de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar – te weten ruim 1 jaar en 7 maanden – heeft geduurd.

6.4.2

In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Van de overschrijding is na afronden een periode van 1 jaar en 4 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – 1 maand – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – 16 maanden – voor rekening van verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.411,76 (16/17 x € 1.500,-) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 88,24 (1/17 x € 1.500,-) aan appellante.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Het College ziet aanleiding om verweerder en de Staat – nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen – te veroordelen in de kosten die appellante in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij verweerder en de Staat ieder de helft betalen van het toe te kennen bedrag.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 88,24;

  • -

    veroordeelt de verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.411,76;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.