Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:640

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
20/139
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrecht. Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Wat betreft het fosfaatrecht dat appellante toegekend wil krijgen voor de zes stuks jongvee, stelt het College vast dat dit fosfaatrecht aan het andere bedrijf van [naam] is toegekend. De V.O.F. is niet opgekomen tegen de vaststelling van haar fosfaatrecht en heeft ook niet op een andere wijze aangegeven dat deze rechten niet aan haar toekwamen. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrecht van appellante te laag is omdat op haar bedrijf sprake is van een afwijkende bedrijfscyclus. Zoals appellante zelf heeft toegelicht, is zij pas eind 2014 of begin 2015 begonnen met het houden van jongvee voor de melkveehouderij. Op de peildatum 2 juli 2015 was dus nog geen sprake van een bedrijfscyclus, zoals door appellante op de zitting ook is bevestigd. Over de schouderklachten van [naam] merkt het College tot slot op dat de V.O.F. hiervoor bij besluit van 12 december 2019 al via de knelgevallenregeling is gecompenseerd bij de vaststelling van haar fosfaatrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Meijer).

Procesverloop

Appellante heeft op 23 maart en 24 mei 2018 aanvragen ingediend bij verweerder om haar fosfaatrecht vast te stellen.

Bij besluit van 10 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2021. Namens appellante is verschenen [naam ] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Besluiten van verweerder

2. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op nihil, omdat appellante op 2 juli 2015 geen melkvee hield op haar bedrijf. In het bestreden besluit is het bezwaar van appellante hiertegen ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

3. Appellante voert aan dat zij wel melkvee hield op haar bedrijf. Ter onderbouwing hiervan heeft zij stallijsten overgelegd, waaruit volgt dat zij zes stuks jongvee hield op 2 juli 2015. Daar komt bij dat deze dieraantallen niet representatief zijn voor het bedrijf. Appellante doet in dat verband een beroep op artikel 1 van het EP en stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Volgens haar is het stelsel van fosfaatrechten met een generieke korting in strijd met artikel 1 van het EP, omdat de mogelijkheid tot het houden van melkvee wordt beperkt. Appellante wordt door de peildatum 2 juli 2015 onevenredig benadeeld, omdat op haar bedrijfsvoering sprake is van een sterke fluctuatie in dieraantallen (onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:489). Na een periode van terugval in 2010 en 2014, toen appellante voornamelijk vleesvee hield, is het bedrijf van appellante onder bijzonder beheer gekomen. Vervolgens is zij eind 2014 of begin 2015 omgeschakeld naar het opfokken van dieren uit de melkveehouderij. Er wordt jongvee tussen 3 tot 6 maanden oud aangekocht, dat gemiddeld 10 tot 12 maanden worden verzorgd totdat zij weer worden verkocht. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante diverse rundveestaten overgelegd van de jaren 2007 tot en met 2010 en 2016 tot en met 2017. Ook hield appellante minder dieren vanwege de schouderblessure die de heer [naam ] in april 2015 heeft opgelopen. In april 2015 hield appellante nauwelijks dieren en pas in september 2015 heeft de heer [naam ] zijn werkzaamheden weer kunnen oppakken en is er weer jongvee aangekocht.

Standpunt van verweerder

4. Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Verder betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Het fosfaatrecht voor de zes stuks jongvee is aan een ander bedrijf van de heer [naam ] toegekend, namelijk [naam VOF] Appellante heeft geen melding overdracht ingediend, waardoor het fosfaatrecht voor deze dieren terecht aan dit andere bedrijf is toegekend. Appellante heeft haar stelling dat sprake is van een individuele en buitensporige last verder niet met stukken onderbouwd. Ook de situatie dat de dieraantallen op het bedrijf fluctueren, zoals in de uitspraak van het College van 17 november 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:838) aan de orde was, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Daarbij merkt verweerder ook op dat uit de overgelegde stallijsten volgt dat de gemiddelde dieraantallen in 2015 niet sterk afwijken van de zes stuks jongvee waarvoor [naam VOF] fosfaatrecht heeft gekregen.

Beoordeling

5.1

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft het College al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

5.2

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Wat betreft het fosfaatrecht dat appellante toegekend wil krijgen voor de zes stuks jongvee, stelt het College vast dat dit fosfaatrecht aan het andere bedrijf van de heer [naam ] is toegekend. De V.O.F. is niet opgekomen tegen de vaststelling van haar fosfaatrecht en heeft ook niet op een andere wijze aangegeven dat deze rechten niet aan haar toekwamen. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrecht van appellante te laag is omdat op haar bedrijf sprake is van een afwijkende bedrijfscyclus zoals aan de orde is in de uitspraak van het College van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:489) of 17 november 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:838). Zoals appellante zelf heeft toegelicht, is zij pas eind 2014 of begin 2015 begonnen met het houden van jongvee voor de melkveehouderij. Op de peildatum 2 juli 2015 was dus nog geen sprake van een bedrijfscyclus, zoals door appellante op de zitting ook is bevestigd. Over de schouderklachten van [naam ] merkt het College tot slot op dat de V.O.F. hiervoor bij besluit van 12 december 2019 al via de knelgevallenregeling is gecompenseerd bij de vaststelling van haar fosfaatrecht. De beroepsgrond faalt.

Slotsom

6.1

Het beroep is ongegrond.

6.2

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.