Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:620

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
20/302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde en zesde lid, van de Msw. Appellanten hebben het causale verband tussen de gestelde bijzondere omstandigheid en de lagere hoeveelheid fosfaatrecht op de peildatum niet aannemelijk gemaakt, zodat het beroep op de knelgevallenregeling niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/302

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[naam VOF] , [naam onderneming 1] en [naam onderneming 2], te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellanten vastgesteld.

Op 12 februari 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellanten ontvangen.

Bij besluit van 11 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de melding bijzondere omstandigheden afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. Namens appellanten is verschenen [naam] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellanten exploiteren een jongveeopfokbedrijf en fokken van meerdere melkveebedrijven het jongvee op vanaf de leeftijd van 6 maanden tot afkalven.

2.2

Volgens de gecombineerde opgaves over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 hielden appellanten:

- op 1 april 2012 29 stuks jongvee in categorie 101 en 57 stuks jongvee in categorie 102;

- op 1 april 2013 22 stuks jongvee in categorie 101 en 69 stuks jongvee in categorie 102;

- op 1 april 2014 19 stuks jongvee in categorie 101 en 41 stuks jongvee in categorie 102;

- op 1 april 2015 0 stuks jongvee in categorie 101 en 27 stuks jongvee in categorie 102.

2.3

Op 2 juli 2015 hielden appellanten 29 stuks jongvee in de categorie 102.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellanten vastgesteld op 636 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

4. Appellanten doen een beroep op de knelgevallenregeling. Op 23 oktober 2012 is de vader van appellant [naam] (appellant) overleden. Daarnaast is zijn moeder in de jaren 2013 en 2014 meerdere keren geopereerd, waarna appellant de zorg voor haar op zich heeft genomen. Door deze bijzondere omstandigheden is de gemiddelde veebezetting van het bedrijf afgenomen. Appellanten beschikken over een stalcapaciteit van 118 dieren en uit de veesaldokaarten blijkt dat over de periode van 2011 tot en met 2013 gemiddeld 73, 77 en 89 stuks jongvee op het bedrijf aanwezig waren. In 2014 heeft een melkveebedrijf, waarvoor appellanten het jongvee opfokten, de samenwerking beëindigd. Door het overlijden van de vader en de zorg voor de moeder hebben appellanten zich niet kunnen inspannen om een ander melkveebedrijf te vinden. Als de bijzondere omstandigheden zich niet hadden voorgedaan, hadden zij al hun aandacht kunnen richten op het vinden van een nieuwe partij.

Zij vinden daarom dat verweerder ten onrechte concludeert dat geen causaal verband bestaat tussen de bijzondere omstandigheden en de lagere veestapel op 2 juli 2015.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt dat hij het beroep van appellanten op de knelgevallenregeling terecht heeft afgewezen, aangezien zij niet aan alle voorwaarden voldoen. Verweerder betwist niet dat de vader van appellant in oktober 2012 is overleden, dat zijn moeder ziek is geworden in oktober 2013 en dat zij meermaals is geopereerd in 2014. In bezwaar hebben appellanten verzocht om 16 oktober 2013 als alternatieve peildatum aan te houden, omdat per die datum de zorg voor de moeder is aangevangen. Verweerder heeft de verzochte datum als alternatieve peildatum aangehouden en geconcludeerd dat appellanten de 5%-drempel halen. Ambtshalve heeft verweerder een vergelijking gemaakt met de alternatieve peildatum 23 oktober 2012, de datum van overlijden van de vader van appellant. Ook met die datum halen appellanten de 5%-drempel. Verweerder is evenwel van mening dat tussen de bijzondere omstandigheden en de lagere dieraantallen in 2014 en 2015 geen causaal verband bestaat. Volgens verweerder zijn de lagere dieraantallen in de desbetreffende jaren het gevolg van de opgezegde opfokovereenkomst. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar hetgeen appellanten hebben verklaard in de melding knelgeval fosfaatreductieplan.

Beoordeling

6.1

Partijen zijn het erover eens dat het overlijden van de vader van appellant en de gezondheidsproblemen van zijn moeder buitengewone omstandigheden zijn in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw en dat appellanten de 5%-drempel halen. Tussen partijen is alleen in geschil of het overlijden van de vader van appellant en de gezondheidsproblemen van zijn moeder hebben geleid tot een lagere hoeveelheid fosfaatrecht. De bewijslast hiervan ligt bij appellanten.

6.2

Hoewel appellanten in hun melding bijzondere omstandigheden hebben toegelicht dat de dieraantallen op het bedrijf zijn afgenomen na het overlijden van de vader van appellant en de operaties van zijn moeder, hebben zij in hun beroep op de knelgevallenregeling in het kader van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 enkel gesteld dat door het beëindigen van de opfokovereenkomst minder dieren aanwezig waren op het bedrijf. Daarnaast is tijdens de hoorzitting in bezwaar namens appellanten verklaard dat zij enerzijds door de bijzondere omstandigheden geen ander opfokbedrijf hebben kunnen binnenhalen en anderzijds dat in het voorjaar van 2015 niemand zijn jongvee wilde uitbesteden in verband met een mogelijk productieplafond. Verder hebben appellanten in beroep aangevoerd dat de bijzondere omstandigheden ervoor hebben gezorgd dat zij zich niet (voldoende) hebben kunnen inspannen om voor 2 juli 2015 andere melkveebedrijven te vinden, die het jongvee wilden laten opfokken door derden. Gezien het voorgaande, lijkt de oorzaak van de afgenomen dieraantallen voornamelijk te zijn geweest het beëindigen van de opfokovereenkomst in 2014 en het niet kunnen vinden van melkveehouders die de opfok van hun jongvee wilden uitbesteden. Nu appellanten het causale verband tussen de gestelde bijzondere omstandigheden en de lagere hoeveelheid fosfaatrecht op de peildatum niet aannemelijk hebben gemaakt, slaagt het beroep op de knelgevallenregeling niet.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.