Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:607

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
19/349
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Msw. Fosfaatrechten. Meststoffenwet: artikel 23, derde en zesde lid. Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet: artikel 69a en artikel 72b, eerste lid. Uitvoeringsregeling Meststoffenwet: artikel 103a van de Uitvoeringsregeling. Het College is met verweerder van oordeel dat het door appellante overgelegde monsteranalyserapport van het perceel Van Vught niet volledig is. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat ook uit de nader overgelegde gegevens niet blijkt dat de bemonstering van het perceel met inachtneming van de toegestane marges is verricht. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat de in de door appellante nader overgelegde documenten vermelde coördinaten niet overeenkomen met de coördinaten die zijn opgenomen in de analyseverslagen. Appellante heeft dit verder niet weersproken, zodat de onduidelijkheid over de volledigheid van de bemonstering van het perceel is blijven bestaan. Verweerder heeft dit perceel daarom terecht ingedeeld in de categorie ‘hoog’. De beroepsgrond slaagt niet. Het College stelt vast dat verweerder in deze procedure het fosfaatrecht voor appellante opnieuw heeft berekend op 6.687 kg. Vaststaat dus dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag is vastgesteld. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het College verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 6.687 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/349

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[naam onderneming] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E.T. Stevens),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 19 februari 2018 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheden gedaan.

Bij besluit van 9 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit van 13 januari 2018 herroepen en het fosfaatrecht van appellante verhoogd.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door H. Antonissen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen aanvullende gegevens te verstrekken.

Appellante heeft een schriftelijke reactie en een aanvulling daarop ingediend.

Verweerder heeft schriftelijk op deze stukken gereageerd. Appellante heeft daar vervolgens weer schriftelijk op gereageerd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder nadere zitting. Het College heeft daarop het onderzoek op 1 maart 2021 gesloten.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door diergezondheidsproblemen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Ingevolge artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit Msw) wordt het fosfaatrecht verminderd met 8,3%. Het tweede lid van deze bepaling bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op een bedrijf waarvan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015, verminderd met de fosfaatruimte in dat kalenderjaar, negatief of nul is.

1.4

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder II, sub 1, van de Msw wordt onder fosfaatruimte verstaan de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge artikel 8, onderdeel c, mag worden gebracht op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Msw). De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar is de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort (artikel 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw).

1.5

In de Msw worden voor de fosfaattoestand van de bodem drie fosfaatklassen onderscheiden, te weten: ‘grond met lage fosfaattoestand’ (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder u), ‘grond met neutrale fosfaattoestand’ (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder v) en ‘grond met hoge fosfaattoestand’ (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder w).

1.6

In artikel 69a van het Uitvoeringsbesluit Msw is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de bepaling van de fosfaattoestand van de bodem en van de gewasopbrengst, voor zover deze relevant is voor de toepassing van de krachtens artikel 11 van de wet gestelde regels.

1.7

Artikel 103a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Msw) luidt:

“1. De fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in artikel 69a van het besluit, wordt vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC17025, door middel van bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol.

2. Het laboratorium stelt ter zake van de bemonstering en analyse een analyserapport op, dat voor ieder bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat:

(…)

d. de exacte locatie van het bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens;

(…)

3. (…);

4. (…).”

1.8

In het in Bijlage L opgenomen protocol is – voor zover hier van belang – vermeld dat de vormbepalende hoekpunten van het perceel gemarkeerd moeten worden en dat met een GPS de omvang en vorm van het perceel vastgelegd moeten worden. Bij niet-rechthoekige percelen, dan wel perceeldelen, worden zoveel extra punten meegenomen dat de contouren ervan vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij in [plaats] .

2.2

Op 2 juli 2015 hield appellante 122 melk- en kalfkoeien en 101 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.273 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht verhoogd tot 6.321 kg omdat hem was gebleken dat de fosfaatruimte niet juist was vastgesteld.

Beroepsgronden

4.1

Appellante betwist de berekening van verweerder ter zake van de knelgevallenregeling.

Verweerder moet uitgaan van een totale melkproductie in 2014 waarin ook de separatiemelk is opgenomen. Hierdoor stijgt de melkproductie per koe en komt appellante in aanmerking voor het bijbehorende excretieforfait van 39,8 kg. Appellante stelt dat zij, uitgaande van een vergelijking van de gegevens op 2 juli 2015 met de gegevens op de in de melding bijzondere omstandigheden genoemde datum 1 augustus 2014, voldoet aan de 5%-drempel.

4.2

Appellante stelt verder dat de fosfaatruimte onjuist is vastgesteld, omdat haar percelen (op drie na) ten onrechte in de categorie fosfaattoestand ‘grasland hoog’ zijn geplaatst. Appellante stelt dat er volledige overzichten van de gehanteerde coördinaten van de percelen [naam perceel 1] , [naam perceel 2] en [naam perceel 3] zijn overgelegd. Hieruit blijkt dat er een verband is tussen enerzijds de aangeleverde coördinaten van de genomen grondmonsters op de hoekpunten van de betreffende percelen en anderzijds de verslagen van de monsternemingen. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verklaring van het bemonsteringbedrijf Eurofins Agro overgelegd.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder heeft het beroep op de knelgevallenregeling wegens diergezondheidsproblemen afgewezen omdat niet is voldaan aan de 5%-drempel. Daarbij is in het bestreden besluit een vergelijking gemaakt tussen de dierenaantallen op de alternatieve peildatum 1 augustus 2014 en de melkproductie over 2014. In het verweerschrift komt verweerder op dit standpunt terug. Er had een vergelijking moeten worden gemaakt met de dieraantallen op 1 augustus 2014 en de melkproductie over 2015. Verweerder stelt vast dat hiermee wordt voldaan aan de 5%-drempel en het fosfaatrecht moet worden vastgesteld op 6.687 kg.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de fosfaatruimte juist is vastgesteld. Op grond van artikel 24 van het Uitvoeringsbesluit Msw in samenhang met artikel 103a, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Msw zijn grondmonsters geldig indien deze zijn genomen tussen 15 mei 2011 en 15 mei 2015. Volgens verweerder is uit vijf analyseverslagen van de aangeleverde grondmonsters gebleken dat deze in januari 2011 zijn genomen, waardoor deze niet betrokken zijn bij de vaststelling van de fosfaatruimte. Verder is op grond van artikel 103a, tweede lid, onder d, van de Uitvoeringsregeling Msw noodzakelijk dat de coördinatoren bekend zijn van de bemonsterde percelen. Dat appellante als biologisch bedrijf niet in aanmerking kwam voor derogatie, doet niet af aan het feit dat voor de beoordeling van grondmonsters coördinaten bekend dienen te zijn. Van de percelen [naam perceel 1] , [naam perceel 2] en [naam perceel 3] zijn de coördinaten bekend. Deze percelen zijn dan ook meegenomen bij de vaststelling van de fosfaatruimte. Verweerder blijft ook na de aanvulling van appellante bij zijn standpunt dat de fosfaatruimte juist is vastgesteld. Verweerder heeft de percelen [naam perceel 1] , [naam perceel 2] en [naam perceel 3] nogmaals onderzocht. De grondmonsters voor de percelen [naam perceel 1] en [naam perceel 2] zijn geldig verklaard en deze zijn bij het bestreden besluit als ‘grasland neutraal’ aangemerkt. Van het perceel [naam perceel 3] is niet gebleken dat het volledig is bemonsterd. Bij ieder hoekpunt dient een monster genomen te worden. Deze mogen binnen of buiten de marges vallen (5 meter), zolang de contouren van het perceel worden gevolgd. Uit de grondanalyses is te herleiden dat de contouren van dit perceel niet zijn gevolgd, omdat er van een deel van het perceel geen analyseverslag is overgelegd dan wel omdat dit deel niet binnen de overgelegde analyse valt. Dit perceel is dus niet geheel bemonsterd en terecht als categorie ‘grasland hoog’ aangemerkt.

Beoordeling

6.1

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of verweerder het perceel [naam perceel 3] terecht in de categorie ‘hoog’ heeft ingedeeld. Het is aan appellante om aannemelijk te maken dat de bodem van deze percelen een lagere fosfaattoestand heeft. Als zij daar niet in slaagt, vloeit uit het systeem van de wet voort dat voor het bepalen van de fosfaatruimte wordt uitgegaan van een hoge fosfaattoestand van de grond (zie de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:254).

6.2

Het College is met verweerder van oordeel dat het door appellante overgelegde monsteranalyserapport van het perceel [naam perceel 3] niet volledig is. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat ook uit de nader overgelegde gegevens niet blijkt dat de bemonstering van het perceel met inachtneming van de toegestane marges is verricht. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat de in de door appellante nader overgelegde documenten vermelde coördinaten niet overeenkomen met de coördinaten die in de analyseverslagen zijn opgenomen. Appellante heeft dit verder niet weersproken, zodat de onduidelijkheid over de volledigheid van de bemonstering van het perceel is blijven bestaan. Verweerder heeft dit perceel daarom terecht ingedeeld in de categorie ‘hoog’. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

7.1

Het College stelt vast dat verweerder in deze procedure het fosfaatrecht voor appellante opnieuw heeft berekend op 6.687 kg. Vaststaat dus dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag is vastgesteld. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

7.2

Het door appellante betaalde griffierecht zal aan haar worden vergoed en verweerder zal worden veroordeeld in de door appellante in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.136,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 6.687 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,- te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.136,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. M. Khababi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen