Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:602

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
20/355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, percelen (water).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[naam maatschap] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van den Brink).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) herberekend en opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de kant van appellante is ook verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Met de Gecombineerde opgave 2016 heeft appellante om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 verzocht.

1.2

Bij besluit van 31 december 2016 heeft verweerder het aan appellante uit te betalen bedrag vastgesteld op € 9.164,62.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het aan appellante uit te betalen bedrag herberekend en vastgesteld op € 7.371,70. Dit heeft geleid tot een terugvordering.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Voor zover in beroep van belang heeft verweerder delen van de percelen 1 en 22 niet aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal, omdat deze perceelsgedeelten in de wintermaanden langer dan 90 dagen onder water zijn gezet ten behoeve van plasdrasbeheer. Dit betekent dat meer dan 90 dagen geen sprake is van landbouwactiviteiten. Aangezien aan het plasdrasbeheer geen contract ten grondslag lag op basis van de subsidieregeling ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten, kan appellante zich niet beroepen op de uitzondering van artikel 2.10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.

3. In beroep voert appellante aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder zijn standpunt slechts heeft onderbouwd met één luchtfoto. Dit maakt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Verder voert appellante aan dat, hoewel het gebied waarin de percelen 1 en 22 zijn gelegen in de wintermaanden een hoger waterpeil kent, de afgekeurde perceelsgedeelten niet langer dan 90 dagen per kalenderjaar onder water staan. Daarnaast is in het jaar 2016 in januari veel regen gevallen, wat voor een korte periode gevolgen kan hebben gehad voor de waterstand in het gebied. Tot slot stelt appellante, onder verwijzing naar door haar overgelegde luchtfoto’s, dat de percelen 1 en 22 volledig worden beweid en dus landbouwkundig in gebruik zijn.

4. Het College ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd en of hij delen van de percelen 1 en 22 terecht heeft afgekeurd.

5. Uit artikel 7:12, eerste lid, van de Awb volgt – kort gezegd – dat een beslissing op bezwaar deugdelijk moet zijn gemotiveerd. In het onderhavige geval heeft verweerder zijn standpunt in het bestreden besluit onderbouwd met één luchtfoto. Juist omdat verweerder in het bestreden besluit stelt dat delen van de percelen 1 en 22 gedurende een langere tijd onder water staan, had het op de weg van verweerder gelegen om dit met meer dan één luchtfoto te onderbouwen. Dit geldt temeer nu de constatering van verweerder heeft geleid tot een terugvordering en dus sprake is van een bezwarend besluit. Aangezien verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten zijn standpunt met meer luchtfoto’s of ander (beeld)materiaal te onderbouwen, is het College van oordeel dat dit besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het College passeert dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat verweerder het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en het College niet is gebleken dat appellante door dit gebrek is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Voorts heeft appellante ter zitting op de aanvullende motivering kunnen reageren, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt.

6.1

Wat betreft de inhoudelijke beoordeling van de afgekeurde delen van de percelen 1 en 22 geldt dat het voor de vaststelling van het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling van belang is dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013)). Onder 'landbouwareaal' wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013). Onder 'blijvend grasland' wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013). De oppervlakte moet daarom, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juli 2015, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, punt 54).

6.2

Artikel 32, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013 bepaalt dat een landbouwareaal van een bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, wordt aangemerkt als een overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt areaal mits de uitoefening van de landbouwactiviteiten geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten. Artikel 32, derde lid, aanhef en onder b van Verordening 1307/2013 bepaalt dat de lidstaten een lijst kunnen opstellen van areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt.

6.3

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:56), heeft als uitgangspunt te gelden dat verweerder bij de beoordeling van een aanvraag die ziet op de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling ex nunc moet toetsen. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die nopen tot een ex tunc toetsing, heeft verweerder terecht de versie van artikel 2.10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zoals in werking getreden met ingang van 1 januari 2019 toegepast. Genoemde bepaling houdt in dat voor de toepassing van artikel 32, derde lid, onder a, van Verordening 1307/2013 geen sprake is van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten, indien de duur van de niet-landbouwactiviteiten op een landbouwareaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet overschrijdt; evenmin is er sprake van noemenswaardige hinder indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten, mits de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid.

7.1

Op de door verweerder bij zijn verweerschrift overgelegde en ter zitting digitaal getoonde luchtfoto’s, daterend van 20 april 2016 en 9 juni 2016, is zichtbaar dat een gedeelte van perceel 1 donkerder gekleurd is dan de rest van het perceel. Dit is ook het geval bij perceel 22. Deze donkerder gekleurde gedeelten hebben een egale structuur. Verweerder heeft ook een aantal satellietbeelden van de percelen 1 en 22 overgelegd en ter zitting digitaal getoond. Het betreft beelden van de periode maart 2016 – december 2016. Op deze beelden zijn de donkerder gekleurde, egale gedeelten van de percelen 1 en 22 eveneens te zien, zij het dat de grootte van deze gedeelten soms kleiner is. Gelet op het door verweerder ingebrachte, ter zitting besproken beeldmateriaal en op het gegeven dat appellante met betrekking tot de percelen 1 en 22 e-mailberichten van Staatsbosbeheer heeft overgelegd waaruit blijkt dat delen van deze percelen een aantal weken onder water hebben gestaan in verband met plasdrasbeheer, staat naar het oordeel van het College vast dat de donkerder gekleurde gedeelten waterplassen betreffen. Appellante heeft niet onderbouwd dat het kleurverschil is ontstaan door een verschil in gewaslengte en grassoorten, zoals zij ter zitting heeft betoogd. De door appellante overgelegde foto’s dateren niet uit 2016 en kunnen daarom niet worden gebruikt voor de beoordeling van de al dan niet subsidiabiliteit van de door verweerder afgewezen perceelsgedeelten in 2016.

7.2

Op basis van het door verweerder overgelegde beeldmateriaal staat naar het oordeel van het College voorts vast dat de afgewezen delen van de percelen 1 en 22 van begin 2016 tot in ieder geval 27 juli 2016 en vanaf medio november 2016 (dus meer dan 90 dagen) onder water stonden. Het door appellante overgelegde e-mailbericht van Staatsbosbeheer van 16 april 2020 waarin staat dat de percelen in het voorjaar acht tot tien weken plasdras hebben gestaan, vindt geen steun in het door verweerder overgelegde beeldmateriaal en kan appellante daarom niet baten. Dat sprake is van niet-landbouwactiviteiten op de afgewezen perceelsgedeelten in het kader van contracten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, zoals dit luidt sinds 1 januari 2019, is niet komen vast te staan.

7.3

Het College is voorts van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het onder water staan van de afgewezen perceelsgedeelten van begin 2016 tot in ieder geval 27 juli 2016 en vanaf medio november 2016 werkelijke en niet onbelangrijke moeilijkheden of obstakels heeft veroorzaakt voor de uitoefening door appellante van haar landbouwactiviteiten en dat daarmee sprake was van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van die landbouwactiviteiten (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juli 2015, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, punt 70).

8. Het hiervoor overwogene brengt mee dat verweerder terecht gedeelten van de percelen 1 en 22 heeft afgekeurd.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond is.

10. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5, ziet het College aanleiding om verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Het overwogene onder 5 is voor het College ook reden om verweerder op te dragen het door appellante betaalde griffierecht van € 354,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.