Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:586

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
20/276
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taxiverordening Amsterdam 2012 artikel 2.3, eerste lid. Invordering verbeurde dwangsom wegens het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt zonder Taxxxivergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M. van Viegen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder van appellant een verbeurde dwangsom van € 5.550,- ingevorderd.

Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door K. Voorn.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant beschikt niet over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).

1.2

Bij besluit van 22 mei 2017 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening). De dwangsom is vastgesteld op € 5.550,- voor elke nieuwe geconstateerde overtreding van die bepaling op of na 23 mei 2017, met een maximum van € 27.750,-.

1.3

Bij besluit van 31 augustus 2018 heeft verweerder een verbeurde dwangsom van € 5.550,- ingevorderd, omdat appellant volgens verweerder op 9 september 2017 opnieuw taxivervoer had aangeboden op de Amsterdamse opstapmarkt zonder geldige Taxxxivergunning. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Verweerder is er vervolgens achter gekomen dat zij niet bijtijds een aanmaning naar appellant had verzonden. Bij brief van 30 november 2018 heeft verweerder dit aan appellant bevestigd. In die brief is aangegeven dat de bevoegdheid om de verbeurde dwangsom in te vorderen daarom verjaard is en dat verweerder niet meer tot invordering zal overgaan.

1.4

Vervolgens is op 11 oktober 2019 een rapport van bevindingen opgemaakt en ondertekend door een toezichthouder, werkzaam bij Handhaving en Toezicht te Amsterdam (rapporteur), waarin het volgende is vermeld:

“Op woensdag 9 oktober 2019, omstreeks 09.55 uur, bevond ik mij, in uniform gekleed. Ik, toezichthouder, bevond mij op de openbare weg, Stationsplein ter hoogte van perceel 51 te Amsterdam.

(…)

Ik, toezichthouder, zag dat een voertuig stilstond op een gehandicapte parkeerplaats. Ik zag dat het voertuig ter hoogte van hotel Ibis stond. Ik zag dat het voertuig de kenmerken had van een taxivoertuig namelijk een blauwe kentekenplaten. Ik zag op het dak van het voertuig een daklicht met de tekst: TAXI. Ik, toezichthouder, zag dat er geen Taxxxiraamkaart, het bewijs van een verleende Taxxxivergunning van de gemeente Amsterdam achter de voorruit van het voornoemd taxivoertuig was geplaatst. Ik zag dat het taxivoertuig geen kenmerken had van een Toegelaten Taxi Organisatie. Ambtshalve is mijn bekend dat deze locatie nabij de ingang van het hotel Ibis op de laad en loshavens en op de gehandicapte parkeerplaats worden gebruikt door chauffeurs zonder Taxxxivergunning voor het illegaal aanbieden van vervoer. Bij het naderen van het desbetreffende voertuig zag ik dat de chauffeur in het voertuig zat. Ik zag dat de chauffeur een telefoon in zijn linkerhand hield en bij zijn linkeroor hield. Ik, toezichthouder, heb het voertuig ongeveer 2 minuten waargenomen. Ik, toezichthouder liep vervolgens naar de bestuurders kant. Ik zag en hoorde dat de chauffeur zijn gesprek aan de telefoon beëindigde. Ik zag dat de chauffeur zijn bestuurders raam opendeed en mij vervolgens aankeek. Ik, toezichthouder vroeg aan de chauffeur wat de reden was dat hij voor het hotel Ibis stilstond. Ik hoorde dat de chauffeur tegen mij zei: “Ik was aan het bellen. En ik heb straks een afspraak om 13 uur” of woorden van gelijke strekking. Ik, toezichthouder, vroeg of hij die afspraak had op deze locatie. Ik hoorde dat de chauffeur tegen mij zei: “Nee ergens anders” of woorden van gelijke strekking. Uit deze waarneming en het gesprek dat ik met de chauffeur heb gevoerd, kon ik niet anders concluderen dat de chauffeur meedoet aan de opstapmarkt. De chauffeur kon mij niet aannemelijk maken dat er sprake was van taxivervoer op de bel-contractmarkt.”

1.5

Bij brief van 16 oktober 2019 heeft verweerder appellant bericht dat hij van rechtswege een dwangsom van € 5.550,- heeft verbeurd wegens het op 9 oktober 2019 overtreden van de hiervoor onder 1.2 genoemde last door het opnieuw aanbieden van taxivervoer zonder Taxxxivergunning, en dat hij van plan is die dwangsom in te vorderen als appellant de verbeurde dwangsom niet voor 20 november 2019 heeft betaald.

2. Het bestreden besluit, waarbij het besluit tot de invordering van de verbeurde dwangsom in stand is gelaten, berust op verweerders standpunt dat appellant op 9 oktober 2019, in strijd met artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening, taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt heeft aangeboden, dat hij daarmee een dwangsom van € 5.550,- heeft verbeurd en daarom dit bedrag aan verweerder moet betalen.

3. In beroep heeft appellant ten eerste aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en berust op onzorgvuldig onderzoek. Ten tweede voert appellant aan dat de last onder dwangsom is verjaard. Appellant verwijst hierbij naar de brief van 30 november 2018 waarin staat dat bevoegdheid tot invordering van de dwangsom is verjaard. In het bestreden besluit is hier geen aandacht aan besteed, terwijl dit na de hoorzitting is toegezonden aan verweerder. Verder geeft appellant aan dat hij de auto met blauwe kentekenplaten en daklicht geleend heeft van een kennis. Zijn eigen auto was in beslag genomen door de politie. Appellant moest zijn kinderen ophalen en heeft daarvoor vervangend vervoer geregeld. Appellant wist niet dat hij geparkeerd stond op een plek die bekend staat als een illegale opstaplocatie. Hij stond daar geparkeerd omdat hij een telefoongesprek moest voeren en gebruik maakte van Whatsapp. Er is geen enkele indicatie waarom zijn stelling niet juist is en hij benadrukt dat hij op een gehandicaptenplek geparkeerd stond, daadwerkelijk aan het bellen was en er geen klanten aanwezig waren in de omgeving en ook geen taximeter in werking was. Appellant heeft geen taxivervoer aangeboden en het is aan verweerder om te onderbouwen dat dat wel zo is en dat heeft hij onvoldoende gedaan. Appellant heeft geen arbeidscontract en staat ook niet geregistreerd als ZZP’er in de taxibranche, sterker nog, hij is afhankelijk van een bijstandsuitkering. Kortom, appellant heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich ter plaatse bevond met een ander doel dan het aanbieden van taxivervoer.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder bevoegd was tot het invorderen van een dwangsom van € 5.550,-. Het geschil spitst zich daarbij allereerst toe op de vraag of de last onder dwangsom van 22 mei 2017 verjaard.

4.2

Het College overweegt dat de gelding van een last onder dwangsom losstaat van de bevoegdheid een op grond van die last opgelegde dwangsom in te vorderen. Dat ooit een eerdere invordering is verjaard, zoals blijkt uit verweerders brief van 30 november 2018, betekent dan ook niet dat de last onder dwangsom niet in stand blijft en dat niet opnieuw een dwangsom kan worden verbeurd. Het College stelt vast dat de last van 22 mei 2017 niet aan een termijn is gebonden en dat niet is gebleken dat verweerder ambtshalve of op verzoek van appellant is overgegaan tot intrekking van de last. Appellant mocht dit overigens ook niet afleiden uit de brief van 30 november 2018. Het beroep op de grond dat de last onder dwangsom is verjaard, slaagt dus niet.

4.3

Ten tweede spitst het geschil zich toe op de vraag of appellant artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden.

4.4

Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning van verweerder taxivervoer aan te bieden op de in bijlage I bij de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg.

4.5

Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140) van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat er dan van mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt.

4.6

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels. Bovendien is appellant op exact dezelfde locatie eerder, te weten 9 september 2017, staande gehouden en is ook toen een rapport van bevindingen opgemaakt ter zake van het aanbieden van vervoer op de opstapmarkt zonder Taxxxivergunning. Ook daarom acht het College niet aannemelijk dat appellant niet bekend was met deze illegale opstapplaats.

4.7

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij op de illegale opstapplaats stilstond om een telefoongesprek te voeren. Echter, niet is gesteld of gebleken dat hij met zijn als taxi herkenbare auto op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats stond ter uitvoering van een bestelde taxirit. Het College is dan ook van oordeel, gelet op wat appellant heeft aangevoerd en dat geplaatst in het onder 4.5 vermelde toetsingskader, dat appellant daar taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dit voldoende inzichtelijk in zijn besluit weergegeven. Van een onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd onderzoek of een onvoldoende gemotiveerd besluit is dan ook geen sprake.

4.8

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 10 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:140, is het College van oordeel dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsom zou hebben. Hoewel appellant in dit geval heeft aangevoerd dat hij niet in staat is de verbeurde dwangsom te betalen en dat hij leeft van de bijstand, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat appellant verweerder kan verzoeken om een betalingsregeling, zodat het bedrag in termijnen kan worden betaald.

4.9

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd tot het invorderen van een dwangsom van € 5.550,- , aangezien appellant artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden. Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. M.H. van Kersbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.