Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:584

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
20/30
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vaststelling van het fosfaatrecht zonder compensatie voor de fosfaatrechten die appellante mist als gevolg van de tijdelijke verpachting van grond levert een buitensporige last op en is daarom in strijd met artikel 1 van het EP. Het beroep is in zoverre gegrond. Voor het overige is er geen sprake van een individuele en buitensporige last. Het bestreden besluit is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/30

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen

[naam maatschap] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Verweerder heeft op 30 en 31 maart 2018 meldingen bijzondere omstandigheden ontvangen van appelante.

Bij brief van 13 december 2019, door verweerder ontvangen op 17 december 2019, heeft appellante verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar.

Op 2 januari 2020 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vast te stellen.

Bij besluit van 6 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante was ook [naam 1] aanwezig.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij. Tot 1 januari 2015 was haar bedrijf gevestigd aan [adres 1] . Op 1 april 2014 hield zij 47 melk- en kalfkoeien en 49 stuks jongvee. Sinds 1 januari 2015 heeft appellante een tweede bedrijfslocatie aan de [adres 2] (straatnaam gewijzigd per 1 januari 2018, voorheen: [adres 2] ).

2.2

Op 12 augustus 2014 heeft appellante bij de provincie Overijssel een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) aangevraagd voor het uitbreiden van de veehouderij aan de [adres 2] naar 281 melk- en kalfkoeien, 56 stuks jongvee, 10 dekstieren en 3 paarden. Op 29 augustus 2014 heeft zij dezelfde aanvraag ingediend bij de provincie Gelderland. De provincie Overijssel heeft de Nbw-vergunning op 16 januari 2015 verleend, de provincie Gelderland op 3 maart 2015.

2.3

Op 26 september 2014 heeft appellante een financieringsovereenkomst met de ABN AMRO bank gesloten voor een bedrag van € 1.380.000,-. Op 8 mei 2015 heeft zij een aanvullende financieringsovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 735.000,-.

In verband met de aanleg van de N18 heeft appellante 2,4403 ha grond moeten afstaan aan Rijkswaterstaat. Tegelijkertijd heeft zij 30,2945 ha grond aan kunnen kopen aan en nabij de [adres 2] . Hiertoe heeft appellante op 16 februari 2015 een ruilovereenkomst gesloten met de Staat, waaruit blijkt dat zij de Staat hiervoor een bedrag van € 1.743.628,50 heeft betaald. Eind 2014/begin 2015 hebben er bouwwerkzaamheden plaatsgevonden aan de [adres 2] , ter onderbouwing waarvan appellante verschillende facturen heeft overgelegd.

Op 10 februari 2015, 23 februari 2015, 4 maart 2015 en 25 mei 2015 heeft appellante in totaal 134 stuks vee gekocht voor een totaalbedrag van € 146.311,04.

2.4

Op 28 december 2014 is [naam 1] mishandeld. In het ziekenhuis is een gebroken neus en licht schedelhersenletsel vastgesteld. Op 23 april 2015 heeft hij een auto-ongeluk gehad, waarna hij op de spoedeisende hulp is gezien wegens nekklachten. [naam 2] is voor 50% arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt sinds 14 januari 2004 een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2.5

Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 109 melk- en kalfkoeien en 95 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.551 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren en heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Verweerder heeft het beroep van appellante op de knelgevallenregeling (wegens ziekte van de ondernemer(s), diergezondheidsproblemen en aanleg van publieke infrastructuur) afgewezen.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van haar eigendom aantast omdat het veehouders dwingt zich te ontdoen van runderen die zij in eigendom hebben. Het stelsel kan de ‘fair balance’ toets niet doorstaan, omdat niet is voldaan aan de onderzoeksverplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 van het EP. Appellante stelt ook de noodzaak van de maatregelen van het fosfaatrechtenstelsel ter discussie. Niet is volgens appellante gebleken dat het behoud van derogatie noodzakelijk is om aan de Nitraatrichtlijn te voldoen. Pas voor het eerst bij de brief van 2 juli 2015 heeft verweerder kenbaar gemaakt beperkende maatregelen te gaan invoeren.

4.2

Verder stelt appellante dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Op haar oorspronkelijke bedrijfslocatie aan de [adres 1] exploiteerde appellante een melkveehouderij met 35 melkkoeien in een grupstal. Vanwege de ontoereikende omvang van het bedrijf, een bescheiden melkquotum, volledig verouderde en versleten bedrijfsbebouwing en de gezondheidstoestand van de vader (die niet meer kon melken in de grupstal) bleek aanpassing en uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk. In verband met de gezondheidstoestand van de vader was toetreding van de zoon tot het bedrijf noodzakelijk. Appellante heeft een extensief bedrijf met veel bedrijfsgronden. Juist die grondpositie maakte dat de aanschaf van een nabijgelegen melkveebedrijf ( [adres 2] ), een unieke kans was om het eigen bedrijf toekomstperspectief te bieden. Het bedrijf aan de [adres 2] was niet meer rendabel te exploiteren, omdat er te veel gronden van de huiskavel nodig waren voor de aanleg van de N18. De gronden van appellante liggen naast en rondom dit bedrijf, zodat het voor haar wél rendabel was om dat bedrijf te gaan exploiteren. De locatie aan de [adres 1] zou ingericht worden voor de opfok van het jongste jongvee en de locatie aan de [adres 2] voor het houden van melkvee en het oudere jongvee. De ingebruikname van de nieuwe locatie is vertraagd door ziekte van de ondernemers, de vertraagde levering van het verworven bedrijf door Rijkswaterstaat en de noodzakelijke renovatie daarvan. Dit had tot gevolg dat de veestapel op de peildatum 2 juli 2015 nog niet op het met investeringen beoogde peil was (ca. 160 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee). In verband met de genoemde omstandigheden heeft appellante in 2015 eenmalig 9,44 ha grond verhuurd aan een aardappelteler. Dat heeft er toe geleid dat het bedrijf niet als grondgebonden is aangemerkt en de generieke korting is toegepast. Appellante verwijst naar de uitspraken van het College van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:341) en 3 september 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:389) en stelt dat er sprake is van een vergelijkbare situatie. Dat het fosfaatrechtenstelsel voor haar een disproportionele last oplevert blijkt volgens appellante uit de rapportage van Flynth van 18 juni 2018. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van appellante, te meer omdat in dit geval evident sprake is van begrijpelijke en navolgbare beslissingen. In dit verband verwijst appellante naar de uitspraak van het College van 3 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:123).

4.3

Ter zitting heeft appellante betoogd dat het bestreden besluit, zonder enige vorm van compensatie, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van het College van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:171). Appellante heeft een bestaand melkveebedrijf overgenomen en heeft gebruik gemaakt van de bestaande ruimte en vergunningen, waardoor er geen sprake is geweest van een toename van de fosfaatproductie. Verweerder heeft haar dan ook ten onrechte als uitbreider aangemerkt.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan.

5.2

Verweerder betwist dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op appellante legt. Het bedrijf van appellante was gericht op een forse uitbreiding en is daarmee niet individueel afwijkend van andere bedrijven die in aanloop naar het afschaffen van het melkquotum hun bedrijf wilden laten groeien. Vanwege de aanleg van de N18 is appellante een ruilovereenkomst aangegaan met de staat, waarbij zij is gecompenseerd voor het verlies van haar gronden en bovendien gekozen heeft voor het verwerven van bijna 28 ha extra grond. Hiermee heeft zij flink geïnvesteerd in de uitbreiding van haar bedrijf. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor deze uitbreiding is niet gebleken. Verder stelt verweerder dat de vergelijking met de uitspraken van het College van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:341) en 3 september 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:389) niet opgaat, omdat appellante, anders dan de melkveehouders in de betreffende zaken, in een uitbreidingsproces zat. Ook de vergelijking met de uitspraak van het College van 3 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:123) gaat niet op. In die zaak wilde de melkveehouder de uitbreiding nog onder het regime van het melkquotum realiseren. Dat was bij appellante niet het geval.

Beoordeling

Beroep tegen het niet tijdig beslissen

6.1

Het College stelt vast dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, omdat inmiddels alsnog op haar bezwaar is beslist. Verweerder heeft voorts zelf vastgesteld dat hij een dwangsom is verschuldigd en heeft deze naar juiste hoogte vastgesteld. Het College zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Beroep tegen het bestreden besluit

6.2

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Daarin is ook geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel in ieder geval ten doel heeft het milieu en de volksgezondheid te beschermen en te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, waaronder de derogatiebeschikking, en meer in het bijzonder dat de nationale fosfaatproductie beneden het mestproductieplafond wordt gebracht. Deze doelstellingen zijn algemene belangen als bedoeld in artikel 1 van het EP. Voor zover appellante betoogt dat het fosfaatrechtenstelsel geen noodzakelijke maatregel is om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te bereiken faalt deze grond. Het College wijst hiervoor in het bijzonder op rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.4, 6.7.3 en 6.7.5.4 van de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291).

6.3.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last.

6.3.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij van plan was om 160 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee te houden. Dit betekent dat in haar geval de (totale) last neerkomt op het verschil tussen fosfaatrechten voor 160 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee (de beoogde bedrijfsvoering) en de vastgestelde 5.551 kg fosfaatrecht voor de op 2 juli 2015 door appellante gehouden 109 melk- en kalfkoeien en 95 stuks (na toepassing van de generieke korting van 504,42 kg).

6.3.3

Zoals het College al heeft overwogen in de uitspraak van 6 april 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:381) op het beroep van appellante inzake de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Regeling), is appellante als gevolg van de keuze van de wetgever om bij het vaststellen van de fosfaatruimte aan te sluiten bij peildatum 15 mei 2015, uitsluitend door de verhuur van 9,44 ha grond niet als grondgebonden aangemerkt. Appellante heeft de grond steeds zelf in gebruik gehad, met uitzondering van de periode dat de grond was verhuurd. Een deel van de grond was in 2013 tijdelijk verhuurd, maar dit was voor de bedrijfsverplaatsing en de verhuur in 2015 in een overgangssituatie van het bedrijf betrof eveneens een tijdelijke aangelegenheid. Het College acht het voorts van belang dat appellante bij het aangaan van de verhuurovereenkomst weliswaar kon verwachten dat de overheid maatregelen zou treffen vanwege de afschaffing van het melkquotum, maar niet kon voorzien dat de verhuur zou leiden tot het niet als grondgebonden aanmerken van haar bedrijf. Hierbij komt nog dat appellante in 2015 mest van haar bedrijf op de verhuurde grond heeft afgezet en daarmee feitelijk in lijn met de grondgebondenheid handelde. In zoverre verschilt het bedrijf van appellante feitelijk niet van grondgebonden bedrijven. Gelet op al deze specifieke omstandigheden is het College van oordeel dat appellante door de korting op het fosfaatrecht een individuele en buitensporige last draagt en dat haar belang hier zwaarder dient te wegen dan de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn). Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend. De vaststelling van het fosfaatrecht zonder compensatie voor de fosfaatrechten die appellante mist als gevolg van de tijdelijke verpachting levert een buitensporige last op en is daarom in strijd met artikel 1 van het EP.

6.3.4

Het beroep is daarom in zoverre gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen voor zover verweerder daarbij geen compensatie heeft geboden voor de fosfaatrechten (504,42 kg) die appellante mist als gevolg van de verpachting.

6.4.1

Het College zal hierna beoordelen of de last voor het overige ook buitensporig is. Bij die beoordeling staat voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.4.2

Het College wil, mede gelet op het rapport van Flynth van 18 juni 2018, wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel fors wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals hiervoor is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar ondernemersbeslissingen. De nadelige gevolgen van die beslissingen kan zij in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.4.3

In dat verband is van belang dat appellante op 28 oktober 2014 de nieuwe bedrijfslocatie heeft gekocht. Het College acht die beslissing niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Dat deze (forse) investering in een nieuwe locatie desondanks bedrijfseconomisch noodzakelijk was volgt het College niet. De argumenten die appellante hiervoor noemt – de ontoereikende omvang van het bedrijf, een bescheiden melkquotum, volledig verouderde en versleten bedrijfsbebouwing – betreffen allemaal aspecten die moeten worden gerekend tot ondernemerskeuzes waar alle melkveehouders mee te maken hebben. Het College begrijpt dat zich rondom de aanleg van de N18 een unieke kans voordeed om, mede met het oog op de bedrijfsopvolging, het bedrijf toekomstbestendig te maken. Investering in een uitbreiding met het oog op bedrijfsopvolging wordt echter niet beschouwd als bedrijfseconomisch noodzakelijk (zie de uitspraak van het College van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:719). Van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor een dergelijke grote uitbreiding is het College dan ook niet gebleken. Appellante had daarom ten tijde van de aankoop van de nieuwe locatie een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat deze uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Dat de uitbreidingsplannen om verschillende redenen vertraging op hebben gelopen, behoort tot dat ondernemersrisico. De vergelijking met de zaak waarin het College op 3 maart 2020 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:CBB:2020:123) gaat niet op omdat de melkveehouder in die zaak, anders dan appellante, zijn uitbreidingsplannen nog onder het regime van het melkquotum had willen realiseren.

6.4.4

Het College concludeert dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zoverre sprake is van een individuele en buitensporige last.

6.5.1

In de (fosfaatreductieplan)uitspraak van 6 april 2021 heeft het College geconstateerd dat het bedrijf van appellante is gegroeid ten opzichte van haar historische bedrijfsgrootte op de oude locatie, maar dat het bedrijf op de nieuwe locatie onder de vergunde situatie is gebleven. Mede gelet op deze omstandigheid heeft het College in die uitspraak geoordeeld dat het strikt volgen van de Regeling onredelijke gevolgen met zich meebrengt en met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet een ontheffing verleend van de betaling van een deel van de opgelegde heffingen. Dat betekent echter niet dat de vaststelling van het fosfaatrecht van appellante, zonder (verdere dan hiervoor bepaalde) compensatie, ook onredelijk of onevenredig is en dat verweerder daarom een ontheffing had moeten verlenen op grond van artikel 38 van de Msw. Het bestreden besluit heeft als doel in lijn met het fosfaatrechtenstelsel uitbreidingen van melkveebedrijven na de peildatum tegen te gaan en zo derogatie voor Nederland te behouden. Hoewel appellante op haar nieuwe locatie niet meer dieren is gaan houden dan waarvoor al vergunningen aanwezig waren, merkt het College haar beslissing om deze nieuwe locatie aan te kopen wel aan als een uitbreidingsbeslissing in het licht van de op handen zijnde productiebeperkende maatregelen. Zij heeft de nieuwe locatie gekocht omdat zij haar veestapel wilde uitbreiden maar daar op haar oorspronkelijke locatie geen mogelijkheden toe zag. Zoals hiervoor al is overwogen, komen de gevolgen van die beslissing voor risico van appellante. Het College concludeert dat de nadelige gevolgen voor appellante niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het bestreden besluit gediende doel.

6.5.2

De verwijzing van appellante naar de uitspraak van 23 februari 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:171) leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak gaat over een melkveehouder die gedwongen was zijn bedrijf te verplaatsen vanwege de ontwikkeling van een Natura 2000-gebied. Appellante had weliswaar te maken met een overheidsproject waar zij een klein deel van haar grond voor moest afstaan, maar van een gedwongen verplaatsing is geen sprake. Bovendien gaat de uitspraak waar appellante naar verwijst over de Regeling en is daarin de hardheidsclausule uit artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet toegepast. Dat is in het geval van appellante ook gebeurd.

6.5.3

De onder 4.3 genoemde beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

7.1

Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Gelet op wat onder 6.2.4 is overwogen zal het College het bestreden besluit vernietigen voor zover verweerder daarbij geen compensatie heeft geboden voor het buitensporige deel van de last, zijnde de fosfaatrechten (504,42 kg), die appellante mist als gevolg van de verpachting. Het College draagt verweerder op om binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Omdat het in het in eerste instantie aan verweerder is om te bepalen in welke vorm hij deze compensatie biedt, voorziet het College niet zelf in de zaak.

7.2

Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte kosten in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij geen compensatie heeft geboden voor de fosfaatrechten die appellante mist als gevolg van de verpachting;

  • -

    draagt verweerder op binnen vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 354,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze beslissing te ondertekenen.