Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:57

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/1439
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergroeningsbetaling. Overleggen van etiketten zadenmengsel.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder mede beslist over de uitbetaling aan appellante van de vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 13 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Verweerder heeft slechts een deel van de door appellante voor uitbetaling opgegeven oppervlakte hectare (ha) in aanmerking genomen bij het vaststellen van de vergroeningsbetaling, omdat appellante onvoldoende ha voor het ecologisch aandachtsgebied heeft gerealiseerd. Het vanggewas, te weten gele mosterd, voldoet op de – voor zover in beroep van belang – percelen 52, 78 en 79 namelijk niet aan de voorwaarden. Appellante beschikt niet over de vereiste etiketten van het gebruikte zaaizaad, waardoor verweerder niet kon controleren of het zaadmengsel voldeed aan de voorwaarden. Hierdoor voldoet appellante niet aan de verplichte (minimale) 4,55 ha voor het ecologisch aandachtsgebied. Dat leidt tot een korting op de vergroeningsbetaling. Deze korting is dwingend en uitputtend voorgeschreven door artikel 26 van Verordening 640/20141.

1.2

In beroep voert appellante aan dat zij de etiketten weliswaar niet heeft bewaard, maar dat zij wel beschikt over de aankoopbewijzen van de gele mosterd en dat is voldoende als bewijs gelet op de uitspraak van het College van 13 november 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:613). Bovendien blijkt uit het inspectierapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het jaar 2018 dat de percelen 52, 78 en 79 voldoen aan alle geldende voorwaarden voor vanggewassen van ecologische aandachtsgebieden. Daarnaast is de korting op de vergroeningsbetaling disproportioneel.

2.1.1

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van Verordening 1307/20132 draagt appellante er zorg voor dat ten minste 5% van haar voor de uitbetaling van de vergroeningsbetaling opgegeven bouwland ecologisch aandachtsgebied is. In Nederland worden ook tot ecologisch aandachtsgebied gerekend arealen met vanggewassen. Ingevolge artikel 45, negende lid, van Verordening 639/20143 gaat het daarbij, voor zover van belang, om arealen die zijn aangelegd door een mengsel van gewassoorten te zaaien. Dit artikel bepaalt verder dat de lidstaten een lijst opstellen van de mengsels van gewassoorten die moeten worden gebruikt. Lidstaten kunnen ook aanvullende voorwaarden vaststellen, met name wat betreft de productiemethoden.

2.1.2

Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling bepaalt, voor zover van belang, dat als ecologisch aandachtsgebied wordt beschouwd areaal waarop combinaties van vanggewassen worden geteeld als bedoeld in bijlage 2, onder de voorwaarden die per categorie voor de desbetreffende soorten in deze bijlage zijn vermeld. In de lijst van vanggewassen die in combinatie met een of meer andere vanggewassen kunnen worden geteeld (categorie 1) staat gele mosterd genoemd. Deze bijlage 2 bepaalde ten tijde van en voor zover van belang, het volgende:

“6. Een combinatie van vanggewassen bestaat uit een zadenmengsel van ten minste twee soorten.

(…)

8. De landbouwer bewaart aankoopbewijzen en etiketten van het gebruikte zaaizaad(mengsel) gedurende 5 jaar in zijn administratie.

(…)”

3.1

Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 11 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:152), van oordeel dat uit deze bepalingen volgt dat uitsluitend een zadenmengsel kan worden gebruikt van vanggewassen die zijn opgenomen in de generieke lijst. Om aan te kunnen tonen dat een zadenmengsel uit de toegestane vanggewassen bestaat, zal een landbouwer als bewijs aankoopbewijzen en etiketten moeten kunnen tonen. Een landbouwer moet deze vijf jaar bewaren. Hoewel deze specifieke eisen niet volgen uit de Europese verordeningen, is het College van oordeel dat verweerder deze eisen wel mag stellen. Lidstaten mogen immers op grond van artikel 45, negende lid, van Verordening 639/2014 aanvullende voorwaarden stellen, hetgeen is gebeurd in de Uitvoeringsregeling.

3.2

Appellante heeft de vereiste etiketten niet bewaard en verhindert daarmee de controle van verweerder of het ingezaaide zaadmengsel voor gele mosterd voldeed aan de voorwaarden (waaronder dat het uit twee soorten bestond). Om die reden valt niet vast te stellen dat de percelen 52, 78 en 79 voldoen aan de voorwaarden voor ecologisch aandachtsgebied. Het digitale label dat appellante heeft overgelegd is als bewijs niet toereikend, alleen al omdat hierop informatie over de samenstelling van het zaadmengsel ontbreekt. Het College laat hierbij uitdrukkelijk in het midden of zo’n digitaal label überhaupt het door de Uitvoeringsregeling als bewijsmiddel voorgeschreven etiket zou kunnen vervangen. Het inspectierapport van de NVWA bevat evenmin het bewijs dat aan de voorwaarden voor ecologische aandachtsgebied was voldaan. De NVWA heeft, zoals verweerder terecht stelt, daarop destijds ook niet gecontroleerd.

3.3

Het beroep van appellante op de uitspraak van het College van 13 november 2018 slaagt niet. De situatie van appellante is wezenlijk anders dan die van de landbouwer in die uitspraak. Die landbouwer had namelijk zelf zaden gemengd, terwijl appellante gebruik heeft gemaakt van een kant-en-klaar zadenmengsel.

3.4

Artikel 26 van Verordening 640/2014 schrijft de opgelegde korting dwingend voor en biedt niet de ruimte om daarvan met een beroep op het evenredigheidsbeginsel af te wijken.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

1 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden.

2 Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

3 Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.