Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:545

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
20/323
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, Meststoffenwet. Artikel 1, eerste lid, Meststoffenwet.

Verweerder heeft terecht geen fosfaatrecht vastgesteld voor de 6 mannelijke dieren ouder dan 1 jaar die appellante op 2 juli 2015 op haar bedrijf hield, omdat deze dieren niet onder de definitie ‘melkvee’ uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder kk, van de Msw vallen.

Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door de onrechtmatige besluiten van verweerder.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt wel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/323

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[naam] Vlees Vee Fokkerij, te [plaats] , appellant

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 7 november 2018 (het herzieningsbesluit I) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellant opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 20 maart 2019 (het herzieningsbesluit II) heeft verweerder het herzieningsbesluit I ingetrokken en het fosfaatrecht van appellant opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 28 oktober 2019 (het herzieningsbesluit III) heeft verweerder het herzieningsbesluit II ingetrokken en het fosfaatrecht van appellant opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het herzieningsbesluit III gehandhaafd.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het begrip “melkvee” is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw:

1°. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2°. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar en

3°. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.

1.3

Bij voormelde wettelijke bepaling is aansluiting gezocht bij de bestaande diercategorieën in de Msw, zoals opgenomen in tabel I van bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Msw:

- melk- en kalfkoeien (..), met categorienummer 100;

- jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar, met categorienummer 101;

- jongvee van ouder dan 1 jaar (alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren), met categorienummer 102;

- fokstieren (stieren van 1 jaar en ouder voor de fokkerij van runderen voor de melkvee- of vleesveehouderij), met categorienummer 104;

- roodvleesstieren van ca. 3 maanden tot de slacht (inclusief ossen en vrouwelijke dieren die op de dezelfde wijze worden gemest), met categorienummer 122.

Feiten

2. Appellant exploiteert een zoogkoeienbedrijf/vleesveehouderij. Op 2 juli 2015 hield hij 13 zoogkoeien, 13 stuks jongvee jonger dan een jaar (7 vrouwelijk en 6 mannelijk), 3 stuks vrouwelijk jongvee van een jaar en ouder en 6 stieren.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 133 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de volgende dieraantallen op de peildatum 2 juli 2015: 7 stuks jongvee jonger dan een jaar en 3 stuks jongvee van een jaar en ouder.

Beroepsgronden

4.1

Appellant stelt dat verweerder ten onrechte geen fosfaatrecht heeft vastgesteld voor de 6 stuks mannelijk jongvee ouder dan een jaar die hij op 2 juli 2015 op zijn bedrijf hield. Appellant stelt dat deze dieren in categorie 102 vallen en verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 16 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:140). De dieren werden niet gehouden als roodvleesstieren, maar als overig jongvee. Het bedrijf van appellant is niet geschikt voor het afmesten van stieren.

4.2

Appellant verzoekt om vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat hij in 2018 niet kon beschikken over de 133 kg fosfaatrecht waar hij achteraf wel recht op bleek te hebben. Voor het vaststellen van de hoogte van de schade verzoekt hij de gemiddelde leaseprijs van 2018 te gebruiken: 133 x 0,9 x € 42,37 = € 5.071,69.

4.3

Appellant verzoekt om vergoeding van de immateriële schade die is veroorzaakt door de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht geen fosfaatrecht heeft vastgesteld voor de 5 mannelijke dieren ouder dan 1 jaar die appellant op 2 juli 2015 op zijn bedrijf hield. Verweerder wijst er daarbij op dat appellant deze dieren in zijn eigen administratie heeft ingedeeld in categorie 122 (roodvleesstieren).

5.2

Verweerder stelt dat appellant de schade die hij stelt te hebben geleden niet heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat appellant daadwerkelijk fosfaatrechten heeft geleased of dat hij zijn bedrijfsvoering heeft gewijzigd. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5.3

Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van de immateriële schade die is veroorzaakt door de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM refereert verweerder zich aan het oordeel van het College.

Beoordeling


Het beroep

6.1.1

In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen fosfaatrechten kunnen worden toegekend voor de mannelijke dieren ouder dan 1 jaar.

6.1.2

Uit artikel 23, derde lid, van de Msw volgt dat de toekenning van fosfaatrechten plaats vindt op grond van het op de peildatum van 2 juli 2015 aanwezige melkvee. De bestemming die een dier op de peildatum had, is dus bepalend voor de vraag of het dier moet worden aangemerkt als melkvee, en bijgevolg moet worden betrokken bij het vaststellen van het fosfaatrecht. Of die bestemming na de peildatum wijzigt, is niet relevant. In beginsel geldt daarbij de registratie van het dier op de peildatum als uitgangspunt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat die registratie niet juist was (zie de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:244).

6.1.3

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat appellant vijf van de betreffende dieren in zijn eigen administratie heeft ingedeeld in categorie 122 (roodvleesstieren). Daarnaast stond één dier geregistreerd onder categorie 104 (fokstieren). Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze registratie niet juist was. Zijn enkele stelling dat zijn bedrijf niet geschikt is voor het afmesten van stieren, is daarvoor onvoldoende. Deze dieren vallen daarom niet onder de definitie ‘melkvee’ uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw zodat daar geen fosfaatrecht voor hoeft te worden vastgesteld. Deze beoordeling is in overeenstemming met de door appellant genoemde uitspraak van het College van 16 april 2019. De beroepsgrond slaagt niet.

Het verzoek om schadevergoeding

6.2.1

Ter zitting heeft verweerder erkend dat sprake is van onrechtmatige besluitvorming (de herzieningsbesluiten I en II), aangezien daarbij respectievelijk ten onrechte het fosfaatrecht van appellant dat bij het primaire besluit was toegekend geheel is ingetrokken en tot een laag aantal is hersteld, en pas bij herzieningsbesluit III aan appellant het juiste aantal rechten is toegekend dat hem ook bij het primaire besluit was toegekend. Verweerder heeft ook erkend dat hij in beginsel aansprakelijk is voor de daardoor door appellant geleden schade. De bewijslast ten aanzien van de gestelde schade en de omvang daarvan en van het causale verband tussen deze schade en de onrechtmatige besluitvorming ligt in beginsel bij appellant.

6.2.2

Het College is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door de onrechtmatige besluiten van verweerder. Ter zitting heeft appellant erkend dat hij geen rechten heeft verhuurd en dat hij niet kan onderbouwen dat hij zijn bedrijfsvoering heeft gewijzigd. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom in zoverre afwijzen.

6.3

Het College stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 23 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met (afgerond) 16 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellant heeft daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,- aan appellant.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellant in verband met zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van
    € 1.500,-;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.