Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:535

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/1952
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Het betoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regeling niveau in strijd is met artikel 1 EP, faalt. Het betoog dat sprake is van een individuele en buitensporige last, faalt ook. Van belang hiertoe is dat appellant al was begonnen met investeren in de door hem beoogde uitbreiding, terwijl hij op de peildatum nog niet beschikte voor alle daartoe benodigde vergunningen. De door appellant genoemde omstandigheden kunnen niet leiden tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1952

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. Piron).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 14 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellant exploiteert een melkveebedrijf.

2.2

Op 19 februari 2013 is een omgevingsvergunning aan appellant verleend voor het bouwen van een nieuwe melkveestal. Op 5 februari 2014 heeft appellant een financieringsovereenkomst ondertekend voor een bedrag van € 970.000,-, waarvan

€ 670.000,- is gereserveerd voor de bouw van de eerdergenoemde melkveestal en € 180.000,- voor de aankoop van melkrobots. Ten behoeve van de bouw van de melkveestal is appellant op 6 maart 2014 een aanneemovereenkomst aangegaan voor een totaalbedrag van € 544.474,- (exclusief omzetbelasting). Op 9 januari 2015 heeft appellant een melding Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan in verband met enkele veranderingen in de dieraantallen. Op 18 januari 2016 is een vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) aan appellant verleend voor het houden van 146 melkkoeien en 87 stuks jongvee.

2.3

Op 1 april 2012 hield appellant 75 melk- en kalfkoeien en 48 stuks jongvee. Op de peildatum van 2 juli 2015 hield appellant 90 melk- en kalfkoeien en 60 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3.1

In het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 4.537 kg. Daarbij is verweerder ervan uitgegaan dat appellant op de peildatum van 2 juli 2015 de dieraantallen als genoemd onder 2.3 hield en is het bedrijf van appellant aangemerkt als niet-grondgebonden, als gevolg waarvan de generieke korting is toegepast.

3.2

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder (onder meer) geoordeeld dat van een schending van artikel 1 van het EP geen sprake is.

Beroepsgronden

4.1

Appellant stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau in strijd is met artikel 1 van het EP. Nog daargelaten dat het fosfaatrechtenstelsel niet nodig was om te kunnen voldoen aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn, biedt artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn ook geen toereikende grondslag voor de invoering daarvan. Verder leidt het fosfaatrechtenstelsel tot een aantasting van het ongestoord genot van zijn eigendom en kan het stelsel, nu deze niet voorzienbaar was, de ‘fair balance’ toets niet doorstaan.

4.2

Appellant stelt zich verder op het standpunt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Al ruim vóór 2 juli 2015 had appellant het plan om zijn bedrijf uit te breiden naar 146 melk- en kalfkoeien en 111 stuks jongvee. Deze uitbreiding was nodig vanwege bedrijfseconomische perspectieven. Appellant beschikte namelijk over een verouderde melkveestal die niet meer voldeed aan de dierenwelzijnseisen, als gevolg waarvan hij voor de keuze werd gesteld om of de bestaande melkveestal te gaan opknappen, of een nieuwe melkveestal te laten bouwen. Welke keuze appellant ook maakte, in beide gevallen was het noodzakelijk om uit te breiden naar eerdergenoemde dieraantallen, wilde appellant de kosten van de (ver)bouw eruit kunnen halen. Uiteindelijk heeft appellant gekozen voor nieuwbouw, omdat in dat geval sprake was van een lagere prijs per ligplaats. De bouw is vervolgens in maart 2015 gestart en in september 2015 afgerond. Aangezien de werkzaamheden op 2 juli 2015 nog in volle gang waren, was het voor appellant dan ook onmogelijk om de stal op dat moment te hebben volstaan met eerdergenoemde dieraantallen. De invoering van het fosfaatrechtenstelsel leidt ertoe dat appellant die dieraantallen nu ook niet meer kan houden, terwijl hij voor die aantallen wel onomkeerbare investeringen is aangegaan. Het gevolg is nu dat appellant een individuele en buitensporige last draagt, wat ook blijkt uit het rapport van Alfa Accountants en Adviseurs van 22 augustus 2018. Verder merkt appellant nog op dat hij al vanaf 2012 bezig is geweest om de benodigde vergunningen te verkrijgen. In eerste instantie was het de bedoeling om de vergunningen via saldering te verkrijgen, maar de desbetreffende partij trok zich op het allerlaatste moment terug, waardoor appellant op zoek moest gaan naar een andere oplossing. Hoewel appellant vervolgens alsnog tijdig – namelijk op 12 juni 2012 – de benodigde Nbw-vergunning heeft aangevraagd, heeft de overheid die vergunning pas op 18 januari 2016 aan hem verleend.

4.3

Appellant stelt zich tot slot op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder zijn stelling dat sprake is van een individuele en buitensporige last met een uiterst magere motivering heeft afgewezen.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de algemene beroepsgronden van appellant die zijn gericht tegen het stelsel van fosfaatrechten op regelingsniveau, niet kunnen slagen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en verwezen naar de uitspraken van het College die hierover reeds zijn gedaan.

5.2

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Allereerst beschikte appellant op de peildatum niet over alle voor de uitbreiding benodigde vergunningen, nu pas op 18 januari 2016 een Nbw-vergunning aan hem is verleend. In beginsel bestaat er dan geen ruimte om een individuele en buitensporige last aan te nemen. Verder doet zich in het geval van appellant ook geen bijzondere omstandigheid voor. Appellant wilde zijn bedrijf wilde laten groeien van 75 melk- en kalfkoeien en 48 stuks jongvee naar 146 melk- en kalfkoeien en 111 stuks jongvee, maar met deze uitbreiding onderscheidt hij zich niet van andere melkveehouders die ook zijn gaan uitbreiden, dan wel van plan waren om dit te gaan doen. Ten behoeve van deze uitbreiding zou appellant al in een vroeg stadium de beslissing hebben gemaakt om zijn bedrijf te gaan uitbouwen, maar appellant is pas in 2013 daadwerkelijk gaan investeren in de door hem beoogde uitbreiding. Aangezien het fosfaatrechtenstelsel op dat moment voorzienbaar was, acht verweerder deze investeringsbeslissingen dan ook niet navolgbaar. Nog daargelaten dat ook niet is gebleken dat er een bedrijfseconomische noodzaak tot uitbreiding bestond, nu de door appellant aangedragen omstandigheid – zijnde het vervangen van verouderde bedrijfsbebouwing vanwege de dierenwelzijnseisen – niet als zodanig kwalificeert. Tot slot heeft appellant weliswaar door middel van een financiële rapportage getracht inzage te geven in de gestelde financiële last, maar verweerder heeft deze rapportage niet verder onderzocht dan al is gebeurd in het bestreden besluit, aangezien de situatie van appellant niet individueel afwijkt van de situatie van andere melkveehouders.

5.3

Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. In het bestreden besluit is voldoende ingegaan op de aangevoerde bezwaargronden en – voor zover nodig – is de motivering van het bestreden besluit met het verweerschrift nader aangevuld.

Beoordeling

6.1

Met betrekking tot het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP, verwijst het College naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van

9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft het College al een oordeel gegeven over de door appellant aangedragen argumenten. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Deze beroepsgrond faalt.

6.2

Met betrekking tot het betoog van appellant dat sprake is van een individuele en buitensporige last, merkt het College het volgende op. Appellant heeft 4.537 kg fosfaatrecht toegekend gekregen, op grond waarvan hij 90 melk- en kalfkoeien en 60 stuks jongvee kan houden. Omdat appellant beoogde te gaan uitbreiden naar 146 melk- en kalfkoeien en 111 stuks jongvee en hij voor die aantallen ook investeringen heeft gedaan, acht het College het aannemelijk dat appellant in zoverre door het fosfaatrechtenstelsel financieel wordt geraakt. Desondanks kan dit er niet toe leiden dat in het geval van appellant ook sprake is van een individuele en buitensporige last, nu appellant – zoals terecht door verweerder opgemerkt – pas na de peildatum, namelijk op 18 januari 2016, een Nbw-vergunning heeft gekregen. Het is vaste jurisprudentie dat, indien een melkveehouder vóór 2 juli 2015 de beslissing heeft genomen om te gaan investeren in een uitbreiding van zijn bedrijf, terwijl hij op dat moment nog niet beschikte over alle voor de uitbreiding benodigde vergunningen, er in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7 onder 5.5 en 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.11.3). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in het geval van appellant niettemin anders zou moeten worden geoordeeld, is niet gebleken. Dat appellant, zoals hij op de zitting heeft verteld, zich erg heeft ingespannen om de Nbw-vergunning verleend te krijgen via (externe) saldering, hij daarbij veel tegenslag heeft gehad en dit uiteindelijk pas heel laat is gelukt, maakt dit niet anders. Zoals het College al in eerdere uitspraken heeft overwogen komt vertraging bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen voor risico van de ondernemer. Ook deze beroepsgrond faalt.

6.3

Het betoog van appellant dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit kan tot slot ook niet slagen. Verweerder is naar het oordeel van het College in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de bezwaargronden, waaronder de gestelde individuele en buitensporige last.

Slotsom

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. M.R. Broeze, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen