Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:524

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/1285
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1285

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 op het verzet van

[naam 1] , te [plaats] , appellant

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 29 april 2019 (bestreden besluit).

Bij uitspraak van 11 augustus 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen de uitspraak van 11 augustus 2020 verzet gedaan en heeft daarbij verzocht om te worden gehoord.

Het verzet is behandeld ter zitting van 12 mei 2021. Appellant is verschenen, met zijn echtgenote [naam 2] . De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn van zes weken is ingediend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

2. Appellant heeft in verzet aangevoerd dat hij pas op 5 juni 2020 een beroepschrift heeft kunnen indienen wegens drukte op zijn bedrijf, zijn vaste baan daarnaast en het feit dat hij in afwachting was van informatie van derden. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het inschakelen van rechtsbijstand financieel gezien voor hem geen mogelijkheid was.

3. Hoewel het College begrip heeft voor de persoonlijke omstandigheden van appellant, neemt dat niet weg dat appellant in verzuim is geweest. In het bestreden besluit is vermeld dat binnen zes weken beroep kan worden ingesteld. Appellant had kunnen en moeten begrijpen dat hij, als hij niet tijdig een volledig en gedocumenteerd een beroepschrift kon indienen, dit in elk geval binnen de beroepstermijn schriftelijk aan het College had kunnen laten weten. In dat geval zou wel tijdig beroep zijn ingesteld. Appellant mocht er niet van uitgaan “dat het wel goed zou komen”. Het College is het (wel) met appellant eens dat hem niet mag worden verweten dat hij geen rechtsbijstand heeft ingeschakeld.

4. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 11 augustus 2020 in stand blijft.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

T.G.M. Simons F.L. van Haeften