Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:522

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
20/425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, Meststoffenwet. Artikel 72 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

Verweerder heeft het beroep op de startersregeling terecht afgewezen omdat appellante niet aan de voorwaarden voldoet.

Voor zover appellante heeft betoogd dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt, slaagt dit betoog niet, omdat appellante dit niet nader heeft toegelicht of onderbouwd met stukken.

Voor zover appellante heeft bedoeld een verzoek om schadevergoeding te doen, wijst het College dit verzoek af, omdat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[naam 2] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: H.J. Westeneng),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 31 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 12 november 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante verhoogd.

Bij besluit van 12 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante is tevens verschenen [naam 1] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw kan de minister ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

1.3

Ingevolge artikel 72, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt verweerder het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf (de startersregeling).

Op grond van het tweede lid is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar:
a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;
b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;
c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;
d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;
e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.

Op grond van het zesde lid wordt, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, een bedrijf dat op 2 juli 2015 vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij hield en dat tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2018 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking, aangemerkt als nieuw gestart bedrijf.

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante heeft op 29 april 2017 een melding bedrijfsoverdracht gedaan, waaruit blijkt dat zij per 17 februari 2017 het bedrijf met UBN 6029810 (inclusief percelen, dierproductierechten en derogatie) heeft overgenomen. Dit was een vleesveebedrijf, maar in 2014 is (de rechtsvoorganger van) appellante gestart met het omschakelen van het bedrijf naar een jongveeopfokbedrijf voor melkvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 255 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de volgende dieraantallen op 2 juli 2015: 6 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 9 stuks jongvee van 1 jaar en ouder. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het beroep van appellante op de startersregeling afgewezen, omdat zij niet aan de voorwaarden van die regeling voldoet.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder haar beroep op de startersregeling ten onrechte heeft afgewezen. Verweerder heeft dit beroep afgewezen omdat appellante enkel jongvee heeft gehouden en dus niet is gestart met het produceren van melk. Zij is echter vóór 2 juli 2015 gestart met het houden van vrouwelijk jongvee en heeft tussen 2 juli 2015 en 31 december 2017 een forse groei doorgemaakt. Op 1 januari 2018 werd op haar bedrijf ruimschoots de hoeveelheid fosfaat geproduceerd die als drempelwaarde wordt gehanteerd bij de startersregeling (de hoeveelheid geproduceerd door 15 melk- en kalfkoeien). Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat een startende jongveeopfokker geen recht heeft op fosfaatrechten, maar een melkveehouder die een gelijke groei heeft doorgemaakt wel.

4.2

Appellante stelt dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op haar overige bezwaargronden. Deze bezwaren zijn nog steeds van kracht.

4.3

Appellante heeft door de lange duur van de bezwaarperiode lang in onzekerheid gezeten over de toekomst van het bedrijf. Hierdoor heeft zij niet de gelegenheid gehad haar bedrijfsvoering tijdig aan te passen en heeft zij kosten moeten maken c.q. investeringen moeten doen. Hiervoor vraagt appellante compensatie dan wel ontheffing.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt dat het beroep op de startersregeling terecht is afgewezen omdat appellante niet aan alle voorwaarden voldoet: zij beschikte niet voor 2 juli 2015 over een omgevingsvergunning voor het oprichten van een melkveebedrijf, is niet tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 (of tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2018) gestart met de productie van melk, zij hield op 1 januari 2018 geen melk- en kalfkoeien op haar bedrijf en tot slot zijn aan haar fosfaatrechten toegekend uit een overgenomen bedrijf.

5.2

Verweerder stelt dat appellante niet heeft onderbouwd in welk opzicht de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, zodat deze stelling onvoldoende is om te kunnen spreken van een beroepsgrond waar het College op in dient te gaan.

5.3

Verweerder stelt dat het fosfaatrechtenstelsel geen individuele en buitensporige last op appellante legt. Appellante heeft niet onderbouwd in hoeverre zij wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel en ook is de door haar beoogde veebezetting niet duidelijk geworden. Verweerder stelt dat appellante zich niet onderscheidt van andere melkveehouders die zijn gaan uitbreiden in het licht van het afschaffen van het melkquotum. Verweerder ziet daarom geen aanleiding appelante te compenseren of aan haar een ontheffing te verlenen.

Beoordeling

6.1

Het College stelt vast dat appellante op 2 juli 2015 niet beschikte over een aan haar verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee. Appellante exploiteerde haar bedrijf op basis van vergunningen die in het verleden aan haar voorganger verleend zijn, zodat feitelijk sprake is van een doorstart en niet van een nieuw gestart bedrijf. Dit betekent dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 72, tweede lid, onder a, van het Uitvoeringbesluit. Zij voldoet ook niet aan de voorwaarden genoemd onder c en d, omdat zij niet tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk en op 1 januari 2018 geen melk- en kalfkoeien hield. Ten slotte voldoet zij niet aan de voorwaarde genoemd onder e, omdat uit het dossier blijkt dat appellante op 17 februari 2017 het bedrijf heeft overgenomen en dat aan haar fosfaatrechten zijn toegekend voor de dieren die op 2 juli 2015 door haar rechtsvoorganger werden gehouden. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft verweerder haar beroep op de startersregeling dus niet slechts afgewezen omdat zij alleen jongvee houdt en geen melkkoeien. Om die reden komt het College niet toe aan de vraag of verweerder daarmee een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt. Het College concludeert dat verweerder het beroep van appellante op de startersregeling terecht heeft afgewezen.

6.2

Wat betreft de stelling van appellante dat verweerder niet is ingegaan op de overige gronden van bezwaar, overweegt het College dat appellante daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht verweerders motivering in het bestreden besluit ontoereikend is, zodat het College aan deze stelling voorbij gaat.

6.3.1

Voor zover appellante heeft betoogd dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt, overweegt het College als volgt. Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Appellante heeft haar betoog niet nader toegelicht of onderbouwd met stukken. Omdat zij geen inzicht heeft verschaft in de feitelijke gevolgen die de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor haar bedrijf heeft, slaagt het betoog niet.

6.3.2

Voor zover appellante heeft bedoeld een verzoek om schadevergoeding te doen, wijst het College dit verzoek af. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder geen onrechtmatig besluit heeft genomen. Evenmin is sprake geweest van een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College ziet daarom in deze procedure geen grond voor het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.