Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:519

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/1707
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1707

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

Adverio B.V., te Groningen, appellante

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F. Somer).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieverlening voor het project “Autonome Cassave Plant” ingetrokken en € 73.413,- aan voorschotten van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 4 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Namens appellante zijn verschenen W. Vrieling en R. Rinia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 15 september 2015 heeft verweerder een subsidieaanvraag ontvangen voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject genaamd “Autonome Cassave Plant”. De subsidie valt onder titel 3.4 MKB innovatiestimulering topsectoren van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling), zoals deze gold ten tijde van belang. In de aanvraag is vermeld dat Nivoba B.V. (Nivoba) aanvrager van de subsidie is, Cata B.V. (Cata) intermediair en appellante deelnemer.

1.2

Bij besluit van 10 december 2015 heeft verweerder voor het project subsidie verleend, in de volgende verdeling: € 87.965,- voor Nivoba en € 81.570,- voor appellante. Van het bedrag voor appellante is 90% als voorschot uitgekeerd.

1.3

Nadat verweerder een verzoek tot vaststellen van de subsidie heeft ontvangen, heeft verweerder gesprekken gehad met Nivoba, Cata en appellante. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat de samenwerking nooit van start is gegaan. Nivoba heeft aan appellante wel een opdracht verleend, maar die kan volgens verweerder niet worden gezien als samenwerking in de zin van artikel 3.4.1, eerste lid, van de Regeling, zoals dat gold ten tijde van belang.

1.4

Om die reden heeft verweerder bij het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, de subsidieverlening op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingetrokken en de betaalde voorschotten op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb van appellante teruggevorderd. Verweerder heeft toegelicht dat de voorschotten conform artikel 45, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (Kaderbesluit), zoals dat luidde ten tijde van belang, zijn uitbetaald aan de penvoerder, Nivoba. Deze betaling geldt als betaling aan de subsidieontvanger. Hoewel artikel 45 van het Kaderbesluit inmiddels op dit punt is gewijzigd, is verweerder op grond van de overgangsbepaling van artikel 54a van het Kaderbesluit gehouden, ten aanzien van subsidies die voor 1 juli 2016 zijn verstrekt, de regelgeving toe te passen zoals die gold voor die datum. Dat betekent dat terugvordering gebeurt bij elk van de subsidieontvangers afzonderlijk. Verweerder heeft zodoende € 79.168,- aan voorschotten van Nivoba teruggevorderd en € 73.413,- aan voorschotten van appellante.

2. Appellante is het er niet mee eens dat de subsidie van haar wordt teruggevorderd. Nivoba heeft het subsidiebedrag dat voor appellante was bestemd, nooit aan haar doorbetaald. Appellante heeft het bedrag dat verweerder nu terugvordert dus nooit ontvangen. Appellante heeft wel werk in opdracht voor Nivoba verricht, maar heeft daarvoor niet volledig betaald gekregen. Ook heeft appellante een deel van de opdracht uitbesteed, waarvoor zij kosten heeft gemaakt. Met de opbrengst uit deze opdracht kan appellante de subsidie zodoende niet terugbetalen. Het teruggevorderde bedrag is een aanmerkelijk deel (ongeveer 20%) van de jaaromzet van appellante. Appellante is een procedure gestart tegen Nivoba om de niet betaalde subsidie te vorderen, maar aangezien Nivoba inmiddels failliet is verklaard, is de kans klein dat appellante het geld nog terug kan halen. De terugvordering van de subsidie bij appellante vormt een directe bedreiging voor het voortbestaan van de onderneming van appellante. Dit is extra zuur, nu het project succesvol is gerealiseerd in Indonesië en voldoet aan alle doelstellingen. De terugvordering is, gelet op al deze omstandigheden, niet redelijk, aldus appellante.

3.1

Op grond van artikel 45, tweede lid, van het Kaderbesluit, zoals dit luidde ten tijde van belang, verstrekt verweerder, indien subsidie-ontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de voorschotten via de penvoerder aan de subsidie-ontvanger. Deze betaling geldt als betaling aan de subsidie-ontvanger.

3.2

Op grond van artikel 54a van het Kaderbesluit, zoals dit luidde vanaf 31 juli 2016, blijft op aanvragen om subsidie die zijn ingediend tijdens een openstellingsperiode van een subsidie-instrument waarvan de begindatum ligt voor 1 juli 2016 en de einddatum daarna, en op subsidies die voor 1 juli 2016 zijn verstrekt, artikel 45 van toepassing zoals dit gold voor die datum.

4.1

Het College constateert dat verweerder de intrekking van de subsidieverlening heeft gebaseerd op artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Deze bepaling ziet op intrekking of wijziging van de subsidievaststelling en kan zodoende niet als grondslag dienen voor intrekking van de subsidieverlening. Verweerder heeft dit gebrek in de besluitvorming ter zitting erkend en heeft desgevraagd verklaard dat artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb de grondslag is voor de intrekking van de subsidieverlening, aangezien die bepaling daarop betrekking heeft. Het College stelt vervolgens vast dat niet in geschil is dat geen sprake is geweest van een MIT R&D-samenwerkingsproject in de zin van artikel 3.4.1, eerste lid, van de Regeling en dat verweerder daarom op grond van genoemd artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb de subsidieverlening mocht intrekken. Aangezien er in dit geval geen verschil bestaat tussen toepassing van artikel 4:48 en 4:49 van de Awb en ook niet is gebleken dat appellante door het toepassen van artikel 4:49 van de Awb in plaats van artikel 4:48 van de Awb in haar belangen is geschaad, ziet het College aanleiding om het bestreden besluit, ondanks dit gebrek, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, in stand te laten.

4.2

Verweerder is op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb bevoegd om de voorschotten bij appellante terug te vorderen. Gelet op het voorgaande zijn deze voorschotten immers onverschuldigd betaald. In geschil is alleen of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zoals het College eerder heeft geoordeeld, staat de omstandigheid dat appellante de voorschotten niet van de penvoerder doorbetaald heeft gekregen, op zichzelf niet in de weg aan de terugvordering van dat bedrag van appellante. Dat appellante de voor haar bestemde voorschotten niet van de penvoerder heeft ontvangen, betreft, zoals verweerder in het verweerschrift heeft opgemerkt, een geschil tussen appellante en Nivoba, waar verweerder geen partij bij is. Dit maakt de terugvordering bij appellante op zichzelf niet onevenredig. (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:244.)

4.3

Hoewel de wetgever per 1 juli 2016 wijzigingen heeft doorgevoerd in het Kaderbesluit die tot gevolg hebben dat de subsidiebedragen en voorschotten niet langer aan de penvoerder van een samenwerkingsverband, maar direct aan de subsidieontvanger worden betaald, maakt dit niet dat verweerder in dit geval gehouden was om van terugvordering af te zien. Weliswaar is het Kaderbesluit juist met het oog op de situatie waarin appellante zich nu bevindt, namelijk de situatie dat de penvoerder de subsidie niet heeft doorbetaald en de penvoerder vervolgens failliet gaat, aangepast. Daar staat echter tegenover dat uit de toelichting bij het Wijzigingsbesluit van 4 februari 2016 (Stb. 2016, 56) blijkt dat de regelgever met de overgangsbepaling van artikel 54a juist heeft beoogd te voorkomen dat lopende subsidies en ingediende subsidieaanvragen onder het regime van het gewijzigde Kaderbesluit zouden gaan vallen.

4.4

Verder acht het College van belang dat appellante als deelnemer aan het project wel mede-aanvrager is van de subsidie. In die hoedanigheid had het op de weg van appellante gelegen om zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken van de subsidieaanvraag en de beslissing daarop. Dat appellante dat proces niet heeft bewaakt, waardoor zij niet op de hoogte was van de subsidieverlening en de uitbetaling van de voorschotten, komt voor haar risico. Het College begrijpt dat de terugvordering voor appellante zuur is, maar ook gelet op deze omstandigheden is het College van oordeel dat verweerder aan het algemene belang van invordering meer gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van appellante bij het afzien daarvan en dat om die reden de terugvordering bij appellante niet onevenredig is.

5.1

Het beroep is ongegrond.

5.2

Gezien het onder 4.1 geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr B. Bastein, mr. J.H. de Wildt en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen deze uitspraak te ondertekenen