Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:507

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
20/305
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

In geschil is of appellante een nieuw gestart bedrijf voert. Het is aan appellante om daarvoor het bewijs te leveren. Daar is zij naar het oordeel van het College niet in geslaagd. Niet is gebleken dat appellante beschikt over een vóór 2 juli 2015 aan haar verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of dat zij een voor 2 juli 2015 melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van melkvee heeft ingediend. Daarmee wordt niet voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarde van artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Alleen om die reden al heeft verweerder appellante terecht niet als nieuw gestart bedrijf in de zin van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Gelet daarop kan de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden dat tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking (artikel 72, tweede lid, aanhef en onder c, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) en of geen aanspraak wordt gemaakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de Msw (artikel 72, tweede lid, aanhef en onder e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet) verder onbesproken blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. N. Latka),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2018 heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 29 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 12 oktober 2018 (primair besluit I) heeft verweerder afwijzend beslist op de melding bijzondere omstandigheden.

Bij besluit van 2 november 2018 (primair besluit II) heeft verweerder het besluit van

2 maart 2018 ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 27 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen primair besluit I gerichte bezwaar ongegrond verklaard en het tegen primair besluit II

gerichte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de wet.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 72 is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar:

a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van melkvee;

b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;

c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;

d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;

e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij aan de [adres] te [plaats] . De maatschap bestaat uit twee maten, [naam 2] en [naam 3] , en is op 28 juli 2014 opgericht.

2.2

De op 1 mei 2006 opgerichte Firma [naam 1] , gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma was eveneens gevestigd aan de [adres] te [plaats] .

2.3

Op 13 september 2013 heeft de provincie Friesland een aanvraag van [naam 2] om een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) ontvangen. De aanvraag ziet op het uitbreiden van de melkveehouderij aan de [adres] te [plaats] naar een omvang van 300 melkkoeien en 210 stuks vrouwelijk jongvee. De Nbw-vergunning is op 20 december 2013 verleend. Op grond van de op 31 januari 1992 krachtens de Hinderwet gedane melding was het toegestaan om op deze locatie 72 melkkoeien en 40 stuks vrouwelijk jongvee te houden.

2.4

Op 2 mei 2014 is aan [naam 2] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de jongveestal op het perceel [adres] te [plaats] . De nieuwe stal is in de herfst van 2014 in gebruik genomen.

2.5

Op 30 december 2017 hebben de Firma [naam 1] (als overdragende partij) en appellante (als verwervende partij) door middel van het formulier ‘Melding Overdracht of beëindiging agrarisch bedrijf’ bij verweerder melding gemaakt van een bedrijfsoverdracht per 31 december 2017.

2.6

Op 29 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden ontvangen. Hierin geeft appellante aan dat sprake is van een nieuw gestart bedrijf.

Besluiten van verweerder

3.1

Bij het besluit van 2 maart 2018 heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.118 kg. Daarbij is verweerder wat betreft de dieraantallen uitgegaan van de op 2 juli 2015 door appellante op haar bedrijf gehouden 102 melk- en kalfkoeien en 81 stuks jongvee. Omdat het bedrijf niet grondgebonden is, heeft verweerder op het berekende fosfaatrecht een korting toegepast van 8,3% (de generieke korting).

3.2

Bij primair besluit I heeft verweerder het beroep van appellante op de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afgewezen, omdat zijns inziens geen sprake is van een nieuw gestart bedrijf, maar van een uitbreiding na splitsing van een bestaand melkbedrijf. Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat van een individuele en buitensporige last geen sprake is. Daarom wordt geen reden gezien voor het ontlenen van een ontheffing op grond van artikel 38, tweede lid, van de Msw. Verweerder heeft geweigerd het fosfaatrecht van appellante hoger vast te stellen.

3.3

Naar aanleiding van de op 30 december 2017 ontvangen melding bedrijfsoverdracht, heeft verweerder bij primair besluit II het besluit van 2 maart 2018 ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.104 kg.

3.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gericht tegen primair besluit I ongegrond verklaard, op de grond dat appellante geen nieuw gestart bedrijf is in de zin van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit. Dit omdat niet wordt voldaan aan de in het tweede lid, onder c, van dat artikel vermelde voorwaarde dat een (nieuw gestart) bedrijf tussen

1 januari 2014 en 2 juli 2015 moet zijn gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking. Volgens verweerder is namelijk gebleken dat al voor

1 januari 2014 is gestart met het leveren van melk aan de zuivelfabriek. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit uiteengezet dat en waarom zijns inziens geen sprake is van een schending van artikel 1 van het EP, en meer in het bijzonder dat geen sprake is van de gestelde individuele en buitensporige last.

Het bezwaar gericht tegen primair besluit II heeft verweerder in het bestreden besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard nu appellante verzuimd heeft de gronden van het bezwaar in te dienen.

Beroepsgronden

4. Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder een te strikte toepassing heeft gegeven aan artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit en haar ten onrechte niet als nieuw gestart bedrijf als bedoeld in dat artikel heeft aangemerkt. Appellante acht het onrechtvaardig dat hoewel zij elke stap heeft genomen om zelfstandig een bedrijf op te starten, zij nu tussen wal en schip dreigt te vallen en het haar op deze manier onmogelijk wordt gemaakt om een gezonde bedrijfsvoering te starten.

Appellante voert aan dat het in haar situatie niet gaat om de overname van een beëindigd bedrijf, maar om een splitsing van een bestaand bedrijf, waarbij het andere bedrijf (Firma [naam 1] ) is blijven bestaan. [naam 2] , een van de maten van appellante, was voorheen werkzaam bij Firma [naam 1] en is in 2015 gestart met het melken op een eigen bedrijf. Daarmee is volgens appellante sprake van een nieuw gestart bedrijf.

Weliswaar is appellante al voor de ingebruikname van de nieuwe stal in de herfst van 2014 gestart met het leveren van melk, maar het bedrijf kon pas functioneren op het moment dat de uitbreiding van de stalcapaciteit gerealiseerd was. Verder voert appellante aan dat zij vóór de peildatum van 2 juli 2015 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het oprichten van een bedrijf en het houden van melkvee; het gaat dus niet om het veranderen van een bestaand bedrijf, maar om de oprichting van een bedrijf.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van appellante geen

sprake is van een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit.

Uit de op 30 december 2017 ontvangen melding bedrijfsoverdracht blijkt dat sprake is van een splitsing van een bestaand bedrijf. Appellante heeft een deel van de percelen overgenomen van Firma [naam 1] en 47,44% van de fosfaatrechten is aan appellante overgedragen. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 72, tweede lid, aanhef en onder e, van het Uitvoeringsbesluit. Evenmin wordt voldaan aan de in artikel 72, tweede lid, aanhef en onder c, van het Uitvoeringsbesluit opgenomen voorwaarde omdat Firma [naam 1] , waar appellante een afsplitsing van is, al voor 1 januari 2014 melk produceerde. Daarnaast beschikt appellante niet over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van melkvee (artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit). De door appellante in de bezwaarfase verstrekte omgevingsvergunning van 2 mei 2014 ziet namelijk op het uitbreiden van een jongveestal.

Nu appellante niet aan alle voorwaarden van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit voldoet, gelden voor haar – met betrekking tot de vaststelling van het aantal fosfaatrechten – dezelfde wettelijke regels als voor andere bestaande bedrijven.

5.2

Verweerder wijst er in het verweerschrift op dat het aantal fosfaatrechten bij primair besluit II verkeerd is vastgesteld. Het betreft hier volgens verweerder een kennelijke verschrijving. Appellante heeft recht op 5.118 kg fosfaatrechten in plaats van op 5.104 kg. Verweerder verzoekt het College dan ook het fosfaatrecht van appellante vast te stellen op 5.118 kg.

Beoordeling

6.1.1

In geschil is of appellante een nieuw gestart bedrijf voert. Het is aan appellante om daarvoor het bewijs te leveren. Daar is zij naar het oordeel van het College niet in geslaagd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

6.1.2

Voor een beperkte categorie nieuw gestarte bedrijven is een (knelgevallen)voorziening vastgesteld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit. Bij de invoeging van dit artikel is in de toelichting op het Besluit van 20 december 2017 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit (Stb. 2017, 521) onder meer opgemerkt dat het uitsluitend gaat om nieuw gestarte bedrijven. Het gaat niet om voortzetting of doorstart van een bestaand melkveebedrijf onder bijvoorbeeld een andere naam of met een andere eigendomsstructuur. In de toelichting valt ook te lezen:

“(…) Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de voorziening is dat op het moment van het indienen van het verzoek door de landbouwer er sprake moet zijn van een actief bedrijf in de zin van de Meststoffenwet. Daarnaast dient het bedrijf te beschikken over een voor

2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning of melding Activiteitenbesluit voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee (Artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer). Een omgevingsvergunning die voor 2 juli 2015 is verleend aan een andere (rechts)persoon of een melding die is gedaan door een andere (rechts)persoon is niet voldoende om aan deze voorwaarde te voldoen. (…)”

Om te kunnen bepalen of sprake is van een nieuw gestart bedrijf in de zin van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit is dus onder meer van belang op grond van welke vergunning dan wel welke melding appellante gerechtigd is tot het houden van melkvee alsook wanneer en aan wie de vergunning is verleend dan wel door wie de melding is gedaan.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit, zodat zij op grond van die bepaling niet als nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt. Immers, niet is gebleken dat appellante beschikt over een vóór 2 juli 2015 aan haar verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of dat zij een voor 2 juli 2015 melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het houden van melkvee heeft ingediend. Wat betreft de stelling van appellante in het beroepschrift dat zij voor 2 juli 2015 een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee heeft aangevraagd, stelt het College vast dat die aanvraag (of de op die aanvraag verleende vergunning) niet is overgelegd, zodat aan die stelling voorbij wordt gegaan.

6.1.3

Het voorgaande betekent dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 72, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit. Alleen om die reden al heeft verweerder appellante terecht niet als nieuw gestart bedrijf in de zin van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit aangemerkt en geen reden gezien het fosfaatrecht op grond van artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit te verhogen. Gelet daarop kan de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden dat tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking (artikel 72, tweede lid, aanhef en onder c, van het Uitvoeringsbesluit) en of geen aanspraak wordt gemaakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de Msw (artikel 72, tweede lid, aanhef en onder e, van het Uitvoeringsbesluit) verder onbesproken blijven.

6.1.4

Volledigheidshalve stelt het College nog vast dat op het hiervoor onder 2.5 genoemde formulier ‘Melding Overdracht of beëindiging agrarisch bedrijf’ is aangegeven dat het een bedrijfssplitsing betreft, waarbij onder meer een deel van de percelen, een deel van de dierproductierechten en 47,44% van de referentiegegevens voor de fosfaatrechten en de fosfaatrechten die daaruit voortkomen door Firma [naam 1] worden overgedragen aan appellante. Ook hierin ziet het College een bevestiging van het oordeel dat de situatie van appellante niet op één lijn is te stellen met die van een nieuw gestart bedrijf waarvoor de wetgever de in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit opgenomen (knelgevallen)voorziening in het leven heeft geroepen.

6.2

Verweerder heeft, zoals hij ter zitting heeft erkend, ten onrechte, bij primair besluit II het besluit van 2 maart 2018 ingetrokken en het fosfaatrecht op 5.104 kg in plaats van 5.118 kg vastgesteld. In het besluit van 2 maart 2018 had verweerder immers al rekening gehouden met de melding bedrijfsoverdracht en abusievelijk is in primair besluit II het fosfaatrecht op 5.104 kg vastgesteld. Het College zal het beroep daarom gegrond verklaren, en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Dat betekent dat op grond van het besluit van 2 maart 2018 het fosfaatrecht van appellante is vastgesteld op 5.118 kg.

7. Het College ziet in het voorgaande aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van appellante in beroep en bezwaar. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 534,-).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij primair besluit II is gehandhaafd en het besluit van 2 maart 2018 is ingetrokken;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van

mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.